Archief

Uit de schatkist van Chassidische verhalen

Parasjat Beha’alotecha

Ik ben het maar

En de man Mosjé was zeer bescheiden. (Bamidbar 12:3)

Toen een zekere prominente mitnageed [tegenstander van de chasidische beweging] hoorde dat het boek „Noam Elimelech” geschreven was door een leerling van Reb Dov Ber van Mezrich, besloot hij om duidelijk uiting te geven aan zijn gevoelens voor de „secte”, het boek  onder de stoel te leggen, waarop hij zat. Toen hij echter eens bezocht werd door Rav Schneuer Zalman van Liadi, vroeg hij zijn gast om een beschrijving te geven van de schrijver van het boek, Reb Elimelech van Lyzhansk.

„Rabbi,” zei de gast, „zelfs al zou u de auteur zelf onder uw stoel gelegd hebben, zou hij nog geen woord gezegd hebben.”

ô ô ô

Reb Elimelech zei eens dat hij ervan overtuigd was dat hij een plaatsje zou krijgen in de Komende Wereld. Want als zijn tijd zou komen dat hij naar de Wereld hierboven zou gaan, en hem zou gevraagd worden of hij Tora had gestudeerd naar zijn beste vermogen, dan zou hij „Nee” antwoorden. En als hem gevraagd zou worden of hij G-d met heel zijn vermogen gediend had, dan zou hij „Nee” antwoorden. En als hem gevraagd zou worden of hij zijn aandeel in de mitswot vervuld had, dan zou hij „Nee” antwoorden. Dan zouden zij tegen hem zeggen: „In dat geval heb je de waarheid gesproken en dan ben je waardig om beloond te worden in de Komende Wereld.”