Archief

Uit de schatkist van Chassidische verhalen

Parasjat Wajjetsee

De tijdige redding

Want Ik zal je niet in de steek laten” (Bereisjiet 28:15).

R

eb Menachem Mendel van Wischnitz vertelde eens het verhaal van een chasied die bij Reb Levi Jitschak van Berditchev op bezoek kwam met het droevige verhaal van zijn financiële ongeluk. Hij was buitengewoon rijk geweest maar door een aantal rampzalige investeringen was hij diep in de schulden gezonken, hoewel niemand dat nog wist.

„Mijn advies is,” zei de tsaddiek, „dat u een lot uit de loterij koopt en als G-d het wil zult u daarmee worden geholpen.”

„Ik twijfel er geen moment aan, G-d verhoede, dat uw belofte vervuld wordt,” antwoordde de Chasied, „maar wie weet hoe lang dat nog kan duren? Het kan jaren duren voor men iets wint met loterijbriefjes en in tussen zitten mijn schuldeisers achter mij aan en bovendien, ik heb een dochter die er niet jonger op wordt en die ik moet uithuwelijken.”

Reb Levi Jitschak beloofde daarop dat de Almachtige er spoedig voor zou zorgen dat het geld zijn kant op zou rollen, zelfs nog voordat hij een lot uit de loterij zou winnen.

De chasied kocht natuurlijk onmiddellijk een lot. Op weg naar huis overnachtte hij in een herberg langs de weg. Dat deed eveneens een machtige edelman, die voorbij reed in zijn rijtuig. In het holst van de nacht droomde deze dat er in diezelfde herberg een Jood sliep met een winnend lot uit de loterij. Hij moest daarom een manier vinden het lot te pakken te krijgen en het ruilen voor zijn eigen, waardeloze lot. De edelman ontwaakte, maar zie, het was maar een droom en hij sliep weer in. Maar opnieuw verscheen dezelfde droom en opnieuw ontwaakte hij. Nu begreep hij dat hij iets moest doen en hij gaf zijn bediende opdracht die Jood te zoeken. De Jood werd gevonden en werd naar de kamer van de rijke edelman gebracht. Deze vroeg hem of hij inderdaad een loterijbiljet had en hij vertelde hem dat hij ook zo’n lot had. „Laten wij ruilen,” stelde hij voor, „dan geef ik je er nog een paar gouden roebels bij.”

De Jood weigerde

De edelman was zo gretig om het lot van de Jood te hebben dat hij er steeds meer voor bood, tot zelfs duizend gouden roebels toe. Maar de Jood boog niet maar volhardde in zijn weigering. Nu werd de edelman kwaad en gaf zijn bediende opdracht het lot met geweld af te nemen. Dat deed hij en hij gaf het aan zijn meester.

Zich herstellend, zei de edelman: „Ik wil je niet beroven, hier zijn de duizend gouden roebels die ik je be­loofd had en ook mijn lot.”

De Jood accepteerde het geld en het lot met tegenzin maar stelde zich spoedig tevreden met de gedachte dat „ook dit ten goede” zou zijn en hij dankte de G-ddelijk voorzienigheid en vervolgde de volgende ochtend zijn reis naar huis, waar hij zijn dochter in grootste stijl uithuwlijkte met het geld wat hij van de edelman gekregen had.

Niet lang daarna viel de hoofdprijs van de loterij, een enorme som geld, op het lot dat de edelman hem opgedrongen had en de chasied besloot dat het tijd werd om zijn rebbe nogmaals te bezoeken.

Toen hij aankwam zei Reb Levi Jitschak: „Ik zag dat u weinig geluk had, en daarom moest ik de engel, die de Meester van de Dromen is, langssturen om de edelman te overtuigen dat hij zijn lot met dat van u zou ruilen. Ik zag dat het zijn lot was en niet dat van u dat zou winnen. En wat die duizend gouden roebels betreft die hij u gaf, dat was omdat u zei dat u uw dochter moest uithuwelijken. Daarom kreeg u al een kleine redding voor de grote redding van later.

õ  õ  õ

Toen Reb Menachem Mendel van Wischnitz dit verhaal beëindigde, zei hij: Dit is wat de Almachtige bedoelde toen hij tegen de Patriarch Ja’akov zei: ‘Want Ik zal je niet verlaten totdat Ik gedaan heb wat Ik je heb toegezegd.’ Waarom ‘totdat Ik gedaan heb’? Zou G-d hem verlaten nadat Hij zijn belofte vervuld zou hebben? Geen mens kan immers maar een moment leven zonder dat de Almachtige hem voortdurend beschermt! De betekenis van het vers is echter dat Hij Ja’akov belooft dat zelfs totdat de grote redding komt Hij hem niet zal verlaten en in tussen zal Hij hem een kleine redding geven.”