Archief

Uit de schatkist van Chassidische verhalen

Parasjat Wajjigasj

De verdwaalde vonken

En Joseef vergaarde al het zilver dat te vinden was in het Land Egypte (Bereisjiet 47:14): Joseef zocht alle vonken van heiligheid uit die verspreid waren over heel Egypte, afgescheiden van hun wereldlijke omhulsels en zuiverde hen en verhief hen (Kabbala).

I

n de dagen voordat Reb Simcha Bunem van Pshischah een rebbe was, was hij een zakenman en iedere keer als hij in Danzig was, bracht hij de tijd door met discussies met ongelovige vrijdenkers, met de bedoeling in hen gedachten en tesjoewa [berouw, inkeer] op te wekken.

Eens zei een groep van dergelijke mannen voor de grap tegen hem: „Rabbi, als u met ons meegaat naar het theater, dan zullen wij ons verplichten om tesjoewa te doen en tot inkeer te komen van onze huidige manier van leven.”

Dit was, laten we het voorzichtig uitdrukken, een moeilijke verzoek om aan te voldoen. Reb Simcha Bunem voelde echter aan dat er geen alternatief was en hij was er tamelijk zeker van dat hij succes zou hebben dat hij hen daarmee kon overtuigen tesjoewa te doen. Dus beloofde hij te doen wat zij hem gevraagd hadden. Hij ging rechtstreeks naar de Beit Midrasj [het leerhuis] en zette zich daar neer om zich volledig over te geven aan zijn boeken, nadat hij hen had laten weten wanneer hij met hen naar het theater zou gaan. Toen hij na verscheiden uren niet was gearriveerd, gingen zij hem zoeken. Daar was hij hij nog steeds, in de beit hamidrasj, verdiept in Talmoedstudie, hardop neuriënd, op de manier zoals de Talmoedstudenten altijd gedaan hebben. Op hun vraag waarom hij zijn belofte niet gehouden had, antwoordde hij dat hij het eenvoudig vergeten was, maar dat hij nu klaar was om met hen mee te gaan. Dus gingen zij gezamelijk naar het theater, de rabbijn en de vrijdenkers.

Toen zij de deur naderden, vroeg hij hen voor te gaan; hij zou hen volgen. Zij liepen rechtstreeks het theater binnen, dat verlicht was met waskaarsen en zij gingen zitten om naar het toneelstuk te kijken waar alle acteurs in het wit gekleed waren. Reb Simcha liep door naar de foyer en ging in de verste hoek zitten, waar hij in bittere tranen uitbrak, en snikkend las hij enkele verzen uit het Boek van de Psalmen.

Het gezelschap in het theater hadden al spoedig in de gaten dat hij zich niet bij hen bevond. Zij kwamen naar buiten om hem te zoeken en vonden hem, terwijl hij languit in de foyer lag, bitter huilend.

„Rabbi”, riepen zij uit in verbazing, „waarom ligt u hier en huilt u, terwijl binnen in het theater iedereen zingt en danst en vrolijk is?”

Reb Simcha Bunem antwoordde ronduit en luid: „Laat ons tesjoewa doen, want vandaag is het Jom Kippoer, de Dag van de Verzoening – compleet met waskaarsen en witte jassen!”

Hij sprak hen zo krachtig toe, dat zij stijf stonden van schrik en uit het theater vluchtten. De tsaddiek volgde hen, en leidde hen naar de beit midrasj, waar zijn woorden van vermaning doordrongen tot hun harten, waarna zij de band met hun Maker vernieuwden. En korte tijd later richtten zij allen hun stappen – iedere dag met meer zekerheid – op het pad van de Tora.

õ  õ  õ

„En Jehoeda zond hij vooruit … om voor te bereiden” (Bereisjiet 46:28)

De Tora vertelt ons dat toen Ja’akov met zijn familie op weg ging naar Egypte, hij Jehoeda vooruit stuurde „lehorot”. Dit Hebreeuwse woord betekent zowel om de weg te wijzen’ alsook „om te instrueren’, hetgeen de Midrasj inspireerde om te verklaren dat Jehoeda een leerhuis moest oprichten, waar Tora geleerd zou worden. Nu kan men zich afvragen waarom Ja’akov daar Jehoeda voor op uit stuurde, Joseef was toch al in Egypte en die had toch al bewezen dat zijn Tora-kennis niets verminderd was sedert hij het ouderlijk huis verlaten had! En bovendien kende Joseef de taal van het land en was Jehoeda een vreemde.

Het verschil tussen Joseef en de broers ging echter dieper dan een gekleurde mantel. Awraham, Jitschak en Ja’akov waren schaapherders, en zo waren ook Joseefs broers. Tevreden met hun eenvoudige leven in het veld, konden zij zich de hele dag bezighouden met de meest verheven gedachten, verwijderd van het stadsgewoel.

Joseef was anders, zoals al bleek uit zijn dromen. Hij was geslaagd in het dagelijks leven, als hoogste huis-chef van zijn meester, hoog in het gevangenis-bestuur en later onderkoning van Egypte. Het prototype van de geslaagde zakenman die toch Hasjem in alles is trouw gebleven, volkomen onaangetast door zijn omgeving.

Het conflict tussen Joseef en zijn broers was het conflict tussen het Jesjiwa-leven en het wereldse leven, zonder werelds te worden. De broers konden niet begrijpen hoe iemand kon worden ondergedompeld in de meest gecorrumpeerde maatschappij, zonder daardoor te worden aangetast.

In dit conflict bleek Joseef de overwinnaar. Daarvoor moesten de Kinderen van Israël naar Egypte in ballingschap, om los te komen uit hun isolatie, om zo een volwaardig volk te worden. Zoals Joseef had voorzien in zijn dromen, bogen Ja’akov en zijn zonen voor hem. Ja’akov had dit wel begrepen. De broers vonden het moeilijk te accepteren dat het tijdperk van schaapherder op zijn einde liep. Daarom bestreden zij hem 22 jaar. Totdat ook zij begrepen dat de historische uitdaging van Israël gelegen lag in de uitdaging van het geestelijke leven in een materialistische omgeven.

Toch was het Jehoeda en niet Joseef die door Ja’akov erop uit gezonden werd om een Jesjiwa te vestigen, van waaruit Tora zich zou verspreiden. De eerste drie generaties van het Joodse volk waren geen „valse start,” zij vormden de hechte fundering voor alles wat zou volgen. Het was deze fundering, waar Joseef zijn kracht uit putte en waarop zijn geloof en rechtvaardigheid gebaseerd was in een vijandige omgeving. Het werd de basis waarop het hele bouwwerk van de Joodse geschiedenis zou rusten.

De Joden leven in een materialistische wereld, maar hun wortels zijn geplant in onversneden geestelijkheid. In het dagelijkse leven moeten wij een Joseef zijn, maar onze opleiding moet verzorgd worden door een Jehoeda.

(Gebaseerd op gedachten en leringen van de Lubavicher Rebbe)