Archief

Uit de schatkist van Chassidische verhalen

Parasjat Misjpatiem

Het zijn de kleine dingen die tellen

Als je aan  iemand geld leent (Sjemot 22:24)

Rasji: Ieder ‘als’ in de Tora heeft betrekking op een vrijwillige daad, behalve in drie gevallen, die een verplichte mitswa inleiden en één daarvan is deze.

Of hij nu wakker was of sliep, Reb Menachem Mendel van Lubavitch zag vaak zijn grootvader, Reb Schneur Zalman van Liadi, die uit Deze Wereld was heengegaan en die hem voor zijn moeilijke problemen over de Tora, oplossingen bracht uit de Wereld van de Waarheid. Op een keer dat hij zwaar verdiept was in zijn studieboeken en in twijfel verkeerde wat de juiste oplossing was van bepaalde halachische problemen, verlangde hij ernaar om zijn grootvader te zien – maar dat was hem deze keer niet gegund en hij was daar diep over teleurgesteld.

Geruime tijd ging voorbij en op een ochtend stond Reb Menachem Mendel vroeg op om naar de Sjoel te gaan van zijn schoonvader, Reb Dov Baer van Lubavitch. Op zijn weg over de markt werd hij tegenge­houden door een eenvoudige maar vrome Jood die zijn levensonderhoud verdiende met wat kleine handel daar op die markt. Het was marktdag en de man vroeg om een lening van drie roebel tot de avond of tot de volgende ochtend.

Reb Mendel zei hem naar zijn huis te komen na afloop van de ochtenddienst en dat hij hem dan de lening zou geven.

Toen hij in Sjoel kwam en zich voorbereidde tot het gebed en reeds het talliet had gepakt en dat over zijn schouder had geslagen, klaar om zich erin te hullen, schoot het verzoek van de man hem te binnen. Het was niet goed van hem, bedacht hij, dat hij de lening had uitgesteld: vandaag was het marktdag en intussen had de handelaar al iets met de lening kunnen verdienen. Hij legde onmiddellijk zijn talliet weer neer, ging naar huis en nam vijf roebels mee en ging eropuit om de man te zoeken. Uiteindelijk vond hij hem, na veel moei­te, want het was intussen druk geworden op de markt, waar nu honderden burgers uit de naburige dorpen met hun wagens en koopwaar waren gearriveerd. Nadat hij zijn kleine plicht gedaan had, keerde hij terug naar sjoel.

Zodra hij zich in zijn talliet gehuld en zijn tefillien omgelegd had, zag hij reeds het blijde gezicht van zijn grootvader voor zich, die zijn halachische vragen eerst beantwoordde en daar vervolgens aan toevoegde: „Wanneer een man met heel zijn hart en zonder bijbedoelingen een lening geeft aan een mede-Jood, en hij doet dat met liefde, om de mitswa: ‘Heb je naaste lief als jezelf’ te vervullen, dan gaan voor hem de poorten van alle paleizen van de hemel wijd open.”

ô  ô  ô