Archief

Uit de schatkist van Chassidische verhalen

Parasjat Sjemot

De Wereld heeft een Plan

Zal ik voor u een zogende vrouw zoeken van de Hebreeuwse vrouwen, opdat zij het kind voor u zal zogen?

(Sjemot 2:7)

Van de Hebreeuwse vrouwen: Want Farao’s dochter had het kind laten rondbrengen bij verscheidene Egyptische vrouwen om te zuigen, maar hij zoog niet, omdat hij in de toekomst spreken zou met de G-ddelijke Majesteit (Rasji).

Het volgende verhaal werd verteld door Reb Chaim van Kosov. Een kinderloze vrouw bracht eens een bezoek aan de Ba’al Sjem Tov en onder bittere tranen smeekte zij hem haar te zegenen. De tsaddiek verzekerde haar dat zij nog datzelfde jaar een zoon zou krijgen. Spoedig nadat zij thuiskwam, werd zij zwanger en na negen maanden beviel zij van een buitengewoon mooie baby, een jongen. Toen hij twee jaar oud was, bracht zij hem naar de Ba’al Sjem Tov om zijn speciale zegen te krijgen voordat het kind gespeend werd. Toen zij binnen kwamen zei de tsaddiek tegen zijn bediende dat hij de baby van de moeder moest overnemen en naar hem toe brengen. De tsaddiek kuste en knuffelde de baby en zei de bediende om de baby weer terug te brengen in de armen van zijn moeder. Zij keerden terug naar huis en bij haar thuiskomst stierf de baby.

Gebroken door verdriet besloot de vrouw terug te keren naar de Ba’al Sjem Tov en in de bitterheid van haar hart schreeuwde zij uit: „U heeft mijn zoon vermoord!”

„Huil niet,” zei de Ba’al Sjem Tov, „en luister goed naar wat ik je ga vertellen.” Hij vertelde het volgende verhaal:

„Een koning was kinderloos en raadpleegde zijn oudste raadgever: ‘Jij bent mijn adviseur voor alle problemen, zelfs militaire strategie. Kun jij mij niet adviseren over deze hachelijke situatie, waarin ik niet weet wie mijn koninkrijk zal erven?’

‘Niemand kan u helpen’, zei de raadsman, ‘behalve de Joden.’

‘Goed,’ antwoordde de koning, ‘als de Joden mij helpen zal ik hun bevrijden van alle belastingen en lasten.’

‘Dat zal u niet helpen,’ zei de raadsman. ‘U moet een decreet uitvaardigen dat alle Joden voor u moeten bidden tot de Almachtige dat U een zoon krijgt; wanneer zij geen succes hebben, dan zal er hierna in dit land geen Jood meer gezien of gevonden worden.’

De koning vaardigde vervolgens een dergelijke decreet uit en dreigde alle Joden uit zijn land, mannen, vrouwen en kinderen te verbannen. Grote angst greep de hulpeloze Joden aan. Zij vastten, zeiden Psalmen en smeekten de Almachtige dat Hij hun zou redden uit hun ellende – en hun geschreeuw bereikte de Hemel.

Een zekere verheven ziel in de hemel hoorde hun geschrei en haastte zich naar de Troon van Genade en sprak als volgt: ‘Ik ben bereid om naar de wereld beneden gezonden te worden. Ik zal de koningszoon zijn en daarmee het volk van Israël redden uit hun benardheid.’

En dat was precies wat er gebeurde. De koningin werd spoedig zwanger en binnen een jaar beviel zij van een zoon. De vreugde van de Joden kende geen grenzen.

Toen het kind na twee jaar gespeend werd, werd hij geïntroduceerd in de wereld van de boeken en hij bleek zo intelligent te zijn dat hij alles onmiddellijk helder en duidelijk bij de eerste uitleg begreep. Toen hij op­groei­de leerde hij meer en meer en verkreeg een uitgebreide kennis van alle takken van wetenschap. Op een dag vroeg hij zijn vader: ‘Geen van al mijn studies kan mij bevredigen. Ik verlang ernaar iets te leren waarin ik bevrediging vindt.’

‘In dat geval,’ antwoordde de koning, zal ik mijn oudste geestelijke adviseur in mijn rijk vragen om jou les te geven. Als je van hem leert, zal je dat zeker genoegen geven.’

Hij ontbood daarop de priester en verzocht hem om zijn enige zoon les te geven. De priester antwoordde: „Ik ben natuurlijk verplicht te gehoorzamen aan de opdracht van mijn koning, maar ik heb één enkel verzoek. Daar ik iedere dag twee uur in eenzaamheid doorbreng – dat is wanneer ik opstijg naar de hemel – en daar iedere sterveling die mij daarbij komt storen, mij daarbij hindert, verzoek ik u uw zoon te verbieden om mijn studeerkamer binnen te gaan op welk uur van de dag dan ook.’

Dat beloofde de koning en binnen korte tijd was de jonge prins een briljant expert op ieder gebied dat de priester hem onderwees. Alleen één ding hinderde hem: waarom mocht hij niet zien wat zijn leraar deed gedurende die twee geheimzinnige uren? Hij maakte zich een stel sleutels van de studeerkamer en wachte geduldig het dagelijkse moment van afzondering af, opende de deur – en tot zijn verbazing vond hij de priester zitten, gehuld in talliet  en tefillien, verdiept in Talmoedstudie! Toen hij ontdekt dat hij bij verrassing gesnap was, viel de priester bijna flauw van angst maar de jonge prins beloofde plechtig dat hij niemand over het geheim, dat hij ontdekt had, zou vertellen.

‘Wel,’ zei de leraar, nu zal ik je de Tora leren. Nu zul je genieten van een studie die zoeter is dan honing.’

En inderdaad, toen de jongeman dorstig dronk van de wateren van Tora, had hij het gevoel dat hij eindelijk zijn levenselixer gevonden had.

Op een dag vroeg hij aan de clandestiene Jood: ‘Vertelt u mij, waarom misleidt u iedereen?’

‘De meeste van mijn levensjaren zijn voorbij,’ antwoordde zijn leraar, ‘en ik ben verplicht om in mijn huidige situatie te blijven zolang als ik leef.’

‘Adviseer mij dan,’ smeekte de prins, ‘hoe ik tot het geloof van Awraham kan toetreden, want ik wil Jood worden; maar u weet dat mijn vader dat nooit zou toestaan; hij zou geen dag verder kunnen leven als hij mij niet meer zou kunnen zien.’

‘Leg je vader dan uit,’ zei de leraar, ‘dat hij om een zoon gevraagd heeft die zijn troon zou erven. Maar daar je nog geen enkel deel van zijn rijk gezien hebt, wil je graag gaan reizen om de gouverneurs van de verschillende provincies te ontmoeten.’

De prins legde dit plan aan zijn vader voor en die stemde ermee in. De jongeman ging op reis om de steden in het rijk van zijn vader te bezoeken, maar toen hij dichtbij de grens kwam, zei hij tegen de bestuurder van zijn rijtuig dat hij naar huis kon terugkeren, omdat hij enige tijd wilde blijven in het paleis waar zij waren aangekomen. Zodra het rijtuig verdwenen was, stak de prins de grens over en spoedig daarna trad hij toe tot het Jodendom. Hij vestigde zich in een zekere stad en bracht al zijn dagen door in het Beit Hamidrasj – het huis van studie – mediterend over de woorden van Tora. Hij leefde van het geld dat hij van het huis van zijn vader had meegenomen en hij studeerde door, jaar na jaar, tot zijn dood.

Toen zijn ziel opsteeg naar de Wereld Hierboven, konden de aanklagers onder de engelen niets tegen hem inbrengen om hem te beschuldigen. Wat kon men zeggen over een ziel die zo verheven was, dat zijn afdaling naar Deze Wereld voortkwam uit zelfopoffering voor het Joodse volk dat toen in nood verkeerde? Over een ziel die de koningskroon versmaad had om tot het geloof van Awraham toe te treden?

Echter een van de aanklagers onder de engelen opende niettemin zijn mond: ‘Maar de eerste twee jaar van zijn leven werd hij gezoogd door een niet-Joodse vrouw!’

Hierop beval het Hemelse Gerechtshof dat zijn ziel nogmaals moest afdalen naar Deze Wereld, om in een nieuwe incarnatie twee jaar te worden gezoogd door een Joodse vrouw…’”

De Ba’al Sjem Tov besloot zijn verhaal aan de vrouw die voor hem stond: „Waarom zou je verdrietig zijn? Gedurende twee jaar ben je waardig bevonden om deze verheven ziel te zogen!”

Copyright and reprinted with permission of www.chabad.org

ô  ô  ô