Archief

Uit de schatkist van Chassidische verhalen

Parasjat Tetsawee

Het paard met zijn hoofd in de wolken

Reb Simcha Bunem van Pshischah vroeg eens aan zijn leerlingen: „Hoe kan vandaag de dag iemand nog een offer brengen aan een heidense afgod?”

Hij gaf zelf antwoord op zijn vraag: „Als een man zich weerhoudt om te eten omdat hij kwaad is; of als iemand in het algemeen beschouwd wordt als een geleerde en een tsaddiek en hoewel hij honger heeft, eet hij niet opdat diegenen die hem zien zullen denken dat hij een heilige tsaddiek is – zo iemand offert aan een heidense afgod.

ô ô ô

Op een dag kwam er een man bij Reb Simcha Bunem met een probleem: „De heilige boeken zeggen allemaal dat als iemand zoveel dagen vast, de Profeet Eliahoe zich persoonlijk aan hem openbaart. Nou, ik heb al die dagen gevast – maar er is niemand aan mij verschenen.”

„Laat mij je een verhaal vertellen,” zei de tsaddiek. „De Baal Sjem Tov moest eens een lange reis maken. Zoals je weet was het gebruikelijk dat de grote hoofdweg zich voor hem op wonderbaarlijke wijze inkortte zodra hij daar aankwam. De paarden, die zijn wagen trokken, waren gewend voor andere wagens te rijden en wisten dat hun in ieder dorp waar zij stopten, water en voer gegeven zou worden. Maar nu dat de afstand op zulk een wonderbaarlijke wijze overbrugd werd door kfisat haderech, zodat zij het gevoel hadden alsof zij van de ene plaats naar de andere vlogen, was er geen noodzaak om te rusten op een van de gebruikelijke pleis­ter­­plaatsen en dus stopte er ook niemand voor hen om hen te voeren. Daarom begonnen de paarden te filosoferen: ‘Wie weet? Misschien zijn wij helemaal geen paarden. Misschien zijn wij wel mensen en wanneer wij ’s avonds ergens aankomen in een of andere stad, waar mensen gewoon zijn om te eten, dan zullen zij ons ook voeren.’

„Maar toen zij zagen dat ook in de plaatsen waar de mensen gewoon waren te eten, zij ook niet stopten om te rusten, en zij ook niet gevoerd werden, kwamen zij tot de conclusie dat zij ten onrechte gedacht hadden dat zij mensen waren: zij moesten natuurlijk engelen zijn, want engelen eten en drinken niet!

„Ten slotte kwam de Baal Sjem Tov aan op zijn bestemming. De paarden werden naar de stal geleid, zakken vol haver werden er voor hun neus neergezet en daar vielen zij op aan als echte paarden…

„En zo zit dat,” concludeerde Reb Simcha Bunem, „met iemand die vast en denkt dat hij daardoor een engel woord die bezocht zal worden door Eliahoe de Profeet. Waar het om gaat is, dat wanneer hij zijn vasten volbracht heeft en dan geconfronteerd wordt met voedsel, hij daarop niet moet aanvallen als een paard, want dan is hij nog steeds hetzelfde paard dat hij altijd al was.…”