Archief

Uit de schatkist van Chassidische verhalen

Parasjat Waëra

Van edele afkomst, maar nog edelere toekomst

Toen de Maggid van Mezritch een kind van vijf jaar was, ging het huis van zijn ouders in vlammen op en werd met de grond gelijk gemaakt. Toen hij zag hoe verdrietig zijn moeder was, zei hij: „Moet men zo van streek zijn om een afge­brand huis?”

„G-d verhoede!” antwoordde de vrome vrouw. „Ik ben niet verdrietig over de huis maar over onze stamboom die daar­bin­nen lag en die nu vernietigd is. Onze stamboom ging terug tot Rabbi Jochanan HaSandler, de leerling van Rabbi Akiwa.

„In dat geval,” antwoordde de jongen, „zal onze stamboom bij mij opnieuw beginnen.”

ô  ô  ô

Een tijd om te spreken en een tijd om te zwijgen

De Kinderen van Israël hebben niet naar mij geluisterd (Bereisjiet 6:12)

Reb Jisraël van Wishnitz had de gewoonte om iedere avond met zijn gabbai een half uur te gaan wandelen. Op een zo’n gelegenheid bereikten zij het huis van een zekere, welgestelde bankier, die maskil was, een volgeling van de „verlichting”-beweging – met andere woorden, alles behalve een chasied van de tsaddiek. Reb Jisraël klopte aan de deur  en toen een bediende opendeed, ging hij naar binnen. De gabbai begreep er niets van wat de reden kon zijn voor dit onverwachte bezoek, maar zonder een woord te zeggen volgde hij de rebbe naar binnen. De gastheer ontving zijn aanzienlijke gast met al de nodige respect en beleefdheid. De rebbe accepteerde de stoel die hem werd aangeboden en bleef geruime tijd zitten, zonder een woord te zeggen. Overwegende dat het onbeleefd zou zijn om de rebbe direct te vragen naar het doel van zijn komst, fluisterde hij zijn vraag in het oor van de gabbai, maar daar werd hij ook niet wijzer van. Ten slotte nam de rebbe afscheid, stond op en vertrok. Uit respect begeleidde de bankier hem in stilte de hele weg naar huis, maar op het allerlaaste moment kon hij zijn begrijpelijke nieuwsgierigheid niet meer bedwingen en hij wendde zich tot de tsaddiek en vroeg: „Rebbe, neemt u mij mijn vraag niet kwalijk, ik zou het in mijn huis nauwelijks durven vragen, daarom vraag ik het u nu: waarom vereerde u mij met uw bezoek?”

„Ik ging naar uw huis om een mitswa te vervullen,” antwoordde de rebbe, „en G-d zij dank was ik in staat dat te doen.”

„Welke mitswa?” vroeg de bankier.

De rebbe legde uit: „Onze geleerden leren ons dat ‘net zoals het een mitswa is om datgene te zeggen waar­naar men luistert, zo ook is het een mitswa om niet te zeggen waarnaar niet geluisterd zal worden.’ Wel, als ik in mijn huis gebleven was, en u in het uwe, wat voor soort mitswa zou het dan zijn, dat ik niet zou vertellen ‘waar niet naar geluisterd zou worden’? Daarom, ten einde de mitswa behoorlijk te vervullen, moet men naar de man toegaan die niet zal luisteren en daar stil zijn en niet spreken. En dat is precies wat ik gedaan heb.”

„Misschien, rebbe, zei de bankier, wilt u zo goed zijn mij te vertellen wat dat is? Misschien zal ik wel luisteren?”

„Ik vrees van niet,” antwoordde de rebbe. „Ik weet zeker dat u dat niet zult doen.”

Des te langer de rebbe weigerde, des te groter werd de nieuwsgierigheid van de ander om het geheim te weten en hij bleef aandringen dat de rebbe zou onthullen wat het was „waar hij niet naar zou luisteren.”

„Wel, vooruit dan,” zei de rebbe ten slotte. „Een zekere straatarme weduwe is uw bank een behoorlijk grote som geld schuldig voor de hypotheek op haar huis. Binnen een paar dagen gaat uw bank haar huis publiek verkopen en dan zal zij op straat staan. Ik had u willen vragen om haar schuld kwijt te schelden, maar dat heb ik niet gedaan – wegens de mitswa van „niet te zeggen”.

„Maar hoe is zoiets nou mogelijk?” vroeg de bankier in verbazing. „U begrijpt natuurlijk ook dat dit niet een schuld is aan mij persoonlijk, maar aan de bank en ik ben daar alleen maar de directeur van, niet de eigenaar en de schuld loopt in de honderden, en dus…”

De rebbe onderbrak hem: „Het is precies zoals ik al die tijd al zei – dat u niet zou luisteren.”

Hiermee eindigde het gesprek en de rebbe ging zijn huis binnen.

De bankier ging ook naar huis – maar de woorden van de rebbe vonden hun weg naar zijn hart en gaven hem geen rust, totdat hij uiteindelijk de schuld van de weduwe uit zijn eigen zak betaalde.

ô  ô  ô