Archief

Uit de schatkist van Chassidische verhalen

Parasjat Tazria’

En op de acht­ste dag zal hij wor­den besne­den”

(Wajjikra 12:3)

Geen vragen

Bij een feestmaaltijd na een besnijdenis vroeg Reb Jitschak Meïr van Ger eens aan een zekere chasied om een verhaal te vertellen dat hij kende over Reb Levi Jitschak van Berditchev.

„Eén van de discipels van Reb Levi Jitschak,” begond de chasied, „was een veehandelaar. Het gebeurde eens dat de prijs van het vee op de veemarkt sterk daalde, op het tijdstip dat hij veel vee had om te verkopen. Daar hij een aanzienlijk verlies verwachtte, ging hij naar Berditchev om Reb Levi Jitschak om raad en een zegen te vragen.

‘Is er een bepaalde mitswa waar jij je speciaal van tijd tot tijd mee bezig houdt?’ vroeg de Rebbe.

‘Ja,’ antwoordde de handelaar, ‘ik ben een mohel’ [besnijder van baby’s].

‘Wat doe je,’ ging de Rebbe verder, ‘wanneer (wat G-d verhoede) een bloeding na de besnijdenis niet wil stoppen?’

De mohel somde braaf de verschillende medicamenten op die hij gebruikte.

‘Ik zal je een bepaald soort kruiden geven,’ zei de tsaddiek. ‘Wanneer je (wat G-d verhoede) weer eens geconfronteerd wordt met een dergelijke situatie, dan leg je deze kruiden op de bloedende wond en met G-ds hulp zal het bloeden dat onmiddellijk stoppen.’

‘En wat moet ik doen met de veehandel?’ vroeg de handelaar.

‘Maar dat heb ik je toch al verteld,’ antwoordde de tsaddiek, ‘wanneer een pas besneden baby sterk blijft bloeden, dan leg je deze kruiden op de wond en met G-ds hulp zal de wond onmiddellijk genezen.’

De veehandelaar vertrok daarop en reisde terug naar huis.”

Op dit moment onderbrak Reb Jitschak Meïr de chasied en zei: „Hieruit blijkt dat de veehandelaar een chasied was, want hij drong niet aan met zijn vraag over het vee, maar geloofde dat een antweoord op zijn vraag ongetwijfeld lag opgesloten in de woorden van de Rebbe, ook al begreep hij daar niets van.”

De chasied vervolgde zijn verhaal: „Op zijn weg naar huis stopte deze handelaar bij een herberg en daar hoorde hij dat de zoon van de herbergier niet besneden was. Hij benaderde hem daarom en vroeg: ‘Waarom heeft u uw zoon nog niet besneden?’

De vader antwoordde dat twee vorige zonen van hem gestorven waren ten gevolge van hun besnijdenis, omdat de bloeding niet wilde stoppen. De handelaar herinnerde zich de woorden van de tsaddiek van Berditchev en vroeg aan zijn gastheer: ‘Wat is het u waard wanneer er een oplossing voor dit probleem gevonden wordt?’

‘Wanneer het moegelijk is om mijn zoon zonder gevaar te besnijden,’ antwoordde hij, ‘ben ik bereid 400 zilveren roebels te betalen.’

‘Ik zal hem op mijn verantwoordelijkheid besnijden en ik zal vierhonders zilveren roebels aan jou in bewaring geven, die ik verlies in geval dat het mis gaat (wat G-d verhoede).’

De herbergier stemde daarmee in, op voorwaarde dat de mohel vier weken daar zou blijven logeren, totdat het zeker was dat het kind buiten gevaar was.

De besnijdenis veroorzaakte een sterke bloeding bij het kind, maar de mohel legde de kruiden, die hij gekregen had van de tsaddiek, op de wond en het bloeden stopte onmiddellijk.

Na enkele dagen bereikt een bericht het dorp, dat de prijs van vee sterk was gestegen en de mohel wilde gauw naar huis terugkeren, om zijn dieren te verkopen, maar zijn gastheer herinnerde hem aan zijn belofte om vier weken te blijven.

Verscheidene dagen gingen voorbij en de prijs van vee bleef stijgen, maar de herbergier negeerde de smeekbeden van de handelaar om te mogen vertrekken. Pas nadat de vier weken voorbij waren, liet de herbergier hem gaan, maar niet dan nadat hij de mohel zijn vierhonderd zilveren roebels betaald had en hem diens deposito van vierhonderd roebels had teruggeven.

Thuisgekomen verkocht de handelaar zijn vee voor een prijs die zijn wildste dromen te boven ging en hij maakte een lieve winst.

Het was nu tijd om zijn Rebbe te bezoeken. Hij reed terug naar Berditchev en zei tegen Reb Levi Jitschak: ‘Rebbe, de beloning van vierhonderd roebels hoort ongetwijfeld aan u toe.’”

Reb Jitschak Meïr van Ger wendde zich tot de verteller en zei: „Wat is het nut om ook dat laatste deel te vertellen?”