Meer artikelen over Soekot

Soekot: De universele feestdag

Door Rabbijn Ari Kahn

(Vertaling: Zwi Goldberg)

             De essentie van Soekoet is te leven met G-d, niet vragen, maar accepteren, vertrouwen.

De Talmoed vertelt dat als in de toekomst de heidenen tegen G-d zullen klagen over Zijn voorkeursbehandeling van de Joden, Hij hun zal antwoorden dat dit is omdat de Joden de Tora hebben geaccepteerd en gevolgd. Zij waren niet zozeer het „uitgekozen volk”, maar meer het “volk dat koos”: zei verkozen G-ds wetten te volgen.

De heidenen zullen dan smeken: „Biedt ons nog eens de Tora aan, dan zullen wij hem volgen.” „Jullie dwazen,” zal G-d antwoorden, „wie zich op de Sjabbat voorbereidt, kan op Sjabbat eten, maar wie niets voorbereidt, wat kan hij eten? Niettemin, Ik heb een eenvoudig gebod voor jullie, het heet Soekot, ga dat maar uitvoeren…” Waarom wordt het een een­voudig gebod genoemd? Omdat er geen uitgaven mee gemoeid zijn. Onmiddellijk zal ieder zijn hutje bouwen, een Soeka, op zijn dak, maar G-d zal de zon laten schijnen, alsof het hoog zomer is. Ieder zal dan zijn soeka omverschoppen en naar huis gaan… Daarop zal G-d lachen, zoals er geschreven staat: „Hij zit in de hemel en lacht.” (Talmoed Avoda Zara 3a)

Hoewel deze passage moeilijk is om verschillende redenen, wil ik mij concentreren op het hoofdthema ervan:  dat de heidenen niet in staat zullen zijn om het gebod van Soekot te volvoeren. De reden dat dit zo vreemd is, is dat van alle feestdagen, Soekot beschouwd wordt als de meest universele feestdag voor alle volken op de wereld.

De Talmoed leert:

Rabbi Eliëzer heeft gezegd: „Waarom worden er 70 offers gebracht op Soekot? Wegens de (verdiensten van) de 70 volken van de wereld.” (Soeka 55b)

Rasji geeft hierop als commentaar:

Om vergiffenis voor hen te doen (voor de 70 volken die de hele wereldbevolking voorstellen), zodat over de hele aarde regen zal vallen.

De geleerden benadrukken dat Soekot een universeel element bevat, dat duidelijk afwezig is bij andere feesten: Pesach vertegenwoordigt de exodus uit Egypte en het ontstaan van het Joodse volk; Sjawoe’ot gedenkt de gift van Tora aan de Joden. Het lijkt paradoxaal dat de heidenen niet in staat zijn zich met G-d in verbinding te stellen speciaal in verband met Soekot.

OPKOMST NAAR JERUZALEM

We zouden kunnen theoretiseren dat speciaal op Soekot, wanneer de Joden zich bezighouden met het welzijn van niet-Joden, heidenen kunnen verwacht worden daarop te antwoorden door zich rechtstreeks tot G-d te wenden. Er bestaat echter een andere passage die deze gedachte onhoudbaar maakt:

En het zal gebeuren dat ieder die is overgebleven van de volken die tegen Jeruzalem in opstand kwamen, ieder jaar zal optrekken om de Koning, de G-d van de legers, te dienen en het feest Soekot te houden. En ieder die niet naar Jeruzalem komt… op hem zal geen regen vallen. (Zecharja 14:16).

Deze passage uit de profetie van Zecharja beschrijft de nasleep van de apocalyptische veldslagen, wanneer de verslagen volken Soekot zullen vieren. Dit maakt de moeilijkheid van het verhaal van de Talmoed nog groter. Hoewel de Talmoed vele verklaringen bevat op leringen van de Bijbel, heeft het niet de autoriteit om met de profeten te argumenteren. Onze vraag is dus vrij simpel: Hoe kan de Talmoed zeggen dat de heidenen in de toekomst geen Soekot-feest kunnen houden, terwijl de Profeet duidelijk zegt dat zij dat wel zullen doen?

Ik geloof dat in de oplossing van deze schijnbare tegenstelling de essentie van Soekot ligt opgesloten. Er zitten twee onderscheiden aspecten aan het Soekot-feest, verbonden aan twee verschillende Tora-geboden:

Maar op de 15de dag van de zevende maand, wanneer jullie de producten van het land binnenhalen, dan zullen jullie zeven dagen het feest van de Eeuwige vieren; op de eerste dag zal het een rustdag zijn en op de achtste dag zal het een rustdag zijn. En op de eerste dag zullen jullie de vrucht van een Hadar-boom [een schone boom] nemen, een palmtak en takken van een mirteboom en beekwilgen en jullie zullen je verheugen voor de Eeuwige jullie G-d gedurende zeven dagen. En jullie zullen het als een feestdag houden voor de Eeuwige, zeven dagen per jaar. Het zal voor jullie voor altijd een wet zijn voor al jullie geslachten; jullie zullen het in de zevende maand vieren. Jullie zullen zeven dagen in hutten wonen, iedere burger van Israël zal in hutten wonen. Opdat jullie toekomstige generaties zullen weten dat Ik het volk Israël in hutten heb doen wonen, toen Ik hen uit het land Egypte heb gevoerd; Ik ben de Eeuwige jullie G-d (Wajjikra 23: 39-43).

De Tora spreekt aan de ene kant over het in de hand nemen van vier soorten vruchten in de oogsttijd, en aan de andere kant  over het zitten in de Soeka, toen het volk Egypte verliet. We zien dus dat er twee geboden zijn: 1) het nemen van de vier soorten [arba’a miniem], en 2) het wonen in hutten. Het ene gebod heeft een agrarische grondslag, de andere een historische. Het agrarische aspect van de feestdag is duidelijk universeel, maar het historische aspect is iets typisch voor de Joden.

DE TWEE GEBODEN VAN SOEKOT

Laat ons deze twee geboden eens nader analyseren.

Het verband tussen het inzamelen van de oogst en de vier soorten lijkt duidelijk: nadat de nieuwe vruchten zijn geplukt, drukken wij onze dank uit aan Hasjem door deze vier soorten te nemen. De soorten die wij hiervoor nemen zijn een instrument voor het gebed, om G-d te danken voor de productie die wij zojuist geoogst hebben en wij spreken het verzoek uit dat wij volgend jaar een overvloedige oogst zullen hebben. Onze geleerden leren ons dat de toewijzing van water voor dit jaar eveneens plaats vindt op Soekot:

Op [het] Soekot [-feest] worden wij berecht met betrekking tot water (Talmoed – Rosj Hasjana 16a).

In feite was een groot deel van de Soekot-feestviering in Jeruzalem verbonden met water, met inbegrip van gebeden voor regen en de Simchat Beit Hasjoëva ceremonie. Ook dit was een ritueel, verbonden met water, waarvan de Misjna verhaalt:

Ieder die Simchat Beit HaSjoëva nog nooit gezien heeft, heeft nog nooit echt plezier in zijn leven gezien (Misjna Soekot 5:1).

Het vers spreekt over „jullie zullen je verheugen voor de Eeuwige”, dat slaat op de Tempel in Jeruzalem. Soekot was een uniek feest in Jeruzalem. Met de vier soorten kwamen de Joden naar de Tempel en baden daar voor meer regen en oogst. [De vier soorten werden in de Tempel alle zeven dagen van het Feest gebruikt. In de rest van het land werden zij alleen de eerste dag gebruikt. Na de verwoesting van de Tempel hebben de geleerden vastgesteld dat de vier soorten gedurende de hele zeven dagen van het feest overal, ook buiten Jeruzalem gebruikt zouden moeten worden].

Maar wat is de betekenis  van het andere aspect van het Soekot-feest, het wonen in loofhutten?

Wij worden geboden om in loofhutten te wonen, omdat G-d ons tijdens de uittocht uit Egypte in hutten liet wonen. Maar wat is de symboliek van die hutten?

DE SYMBOLIEK VAN DE LOOFHUTTEN

Op Soekot bidden wij om regen. Op Rosj Hasjana en Jom Kippoer hebben wij gebeden voor ons bestaan, op Soekot zijn wij bezorg om de „kwaliteit van het bestaan”. Wij bidden voor het fysieke; wij bidden om regen. Met dialectische elegantie wordt een synthese geschapen. Ons wordt geboden onze huizen te verlaten, het fysieke houvast in ons leven, en een hutje onder de blote hemel binnen te gaan, alleen beschermd door ons vertrouwen in G-d. Onze fysieke existentie wordt in scherpe tegenstelling gebracht tot ons geestelijk leven, en zo coëxisteren de twee aspecten van Soekot.

Nu keren wij terug naar onze oorspronkelijke vraag: Zullen de heidenen in staat zijn om het Soekotfeest te vieren? Het antwoord hierop moet natuurlijk ieder aspect van de feestdag apart in overweging nemen. Het vers in Zecharja, dat sprak over de heidenen die Soekot vierden, benadrukt dat het in Jeruzalem, „voor G-d” gebeurde. Dit aspect van Jeruzalem vind op unieke wijze uitdrukking in Jeruzalem; dit is het aspect van het danken voor en bidden om regen. In feite zegt het vers expliciet:

En ieder die niet…naar Jeruzalem komt… op hem zal er geen regen komen.

De reden dat men naar Jeruzalem kwam was om de zegen voor regen te krijgen. Dit aspect van Soekot kunnen heiden natuurlijk ook uitvoeren. Het is in feite de erkenning van oorzaak en gevolg; het is pragmatisch. De heidenen kunnen dit soort dienst uitvoeren, hoewel Zecharja verderop zegt (14:18-19) dat niet alle mensen op de wereld Soekot willen houden in Jeruzalem.

Echter, het andere aspect van Soekot, de bouw van de Soeka, wat de Talmoed een „eenvoudige mitswa” noemt, dat is wat de heidense godsdienstig zo vreemd vindt. Hier is geen pragmatisme, alleen puur vertrouwen – vertrouwen en liefde.

Ga heen en schreeuw in de oren van Jeruzalem en zeg: „Aldus zegt G-d: ‘Ik zal jullie ten goede herinneren, de toewijding van jullie jeugd, jullie liefde als een bruid, toen jullie Mij volgden in de woestijn, naar een land dat nog niet ingezaaid was.’” (Jeremiahoe 2:2)

De Soeka is een getuigenis voor die liefde, uitgedrukt door eenvoudigweg „met G-d” te zijn, boven het fysieke uitsteigend. Misschien is het minimaliseren van het fysieke datgene wat vreemd is aan de heidense manier van denken. De heidenen waren gewend aan moeilijke geboden die geschen­ken vereisten, door soms dierbare dingen te offeren, ten einde de gunst van hun goden te winnen. Daarentegen vermeldt de Talmoed dat G-d gezegd heeft: Ik heb een eenvoudig gebod voor jullie, een makkelijke mitsa, die geen moeite kost.

Dit vond de heiden bizar: Wat is dat voor een G-d die „niets” vraagt?

De Talmoed gaat verder:

Maar heeft Rabba niet gezegd dat ieder die in verwarring gebracht wordt [door de Soeka] bevrijd is van de verplichting van Soeka?

Volgens de Joodse wet is iemand die zich enorm ongemakkelijk voelt door de Soeka, ervan vrijgesteld. Daarom waren de heidenen, die zichzelf terug vonden in een hete Soeka, technisch vrijgesteld van het verblijf in de Soeka. Dit is nog vreemder voor heidense ideeën – wanneer een G-d iets moeilijks vraagt, ben je dan daarvan vrijgesteld? Het antwoord van de heidenen was om de Soeka om te schoppen, alsof zij daarmee wilden zeggen: „Genoeg is genoeg. Hoe kan men nu met zo’n godheid omgaan?”

Dit nu is het aspect van Soekot dat een unieke Joodse ervaring is: leven met G-d, ons de dagen van onze jeugd herinneren, toen wij G-d volgden, blind van liefde als een bruid, zonder vragen, maar accepterend, vol vertrouwen.

Rabbijn Ari Kahn, een leerling van Rav Yosef Dov Soloveitchik, heeft gestudeerd aan de Yeshiva University. Hij verdeelt zijn tijd nu tussen het doceren aan Jesjiva Aish HaTorah en de Bar Illan Universiteit.