Index

Home


áñ"ã

HET JOODSE GEZINSLEVEN
Door: O. Ben-Perach 


 

Aflevering 3: AWODA

In de vorige aflevering zagen we hoe ieders levenspartner door G’d bepaald is nog voordat hij geboren wordt.  G’d geeft een ieder die partner waarmee hij/zij zijn/haar taak in deze wereld optimaal kan vervullen. Deze wetenschap helpt ons te werken aan onze relatie en voorkomende problemen het hoofd te bieden.

Men hoeft zich daarom ook niet te verbeelden: „Als ik de echtgenoot van Sara of de echtgenote van Reoewen zou zijn, zou mijn huwelijk VEEL beter zijn”. Want slechts met de reeds gekozen partner kan men de gege­ven taak optimaal vervullen.

Awoda is een heel belangrijk aspect in het huwelijk. Letterlijk is awoda: „werk”, maar we kunnen ver­schil­lende soorten van awoda onderscheiden.

1.         Het werk dat we buitenshuis doen voor de broodwinning (parnasa).

2.         Het huishouden en het opvoeden van de kinderen.

Vooral de vrouw is vaak zwaar belast omdat ze vele taken verricht. Vaak heeft ze een baan buitenshuis waar­bij ze soms ook nog buiten de voorgeschreven uren thuis moet werken (zoals leraren). Ze heeft ook een volle taak aan het huishouden en de verzorging van de kinderen. In zulke gevallen kunnen er stress en andere on­aan­gename situaties ontstaan. Het is dan verstandig om o.a. een vast dagschema te maken, of als die er is, punten erin te wijzigen of te laten vallen. Een eenvoudige tip van de psychologe Jaffa Bloemental: De dag begint bij de avond ervoor. Om een goed benutte dag te hebben moet men vroeg opstaan, en om vroeg op te kunnen staan moet men op tijd naar bed. Helaas probeert de jetser hara (de kwade neiging) dat tegen te gaan opdat we de volgende dag niet goed uitgerust zijn om optimaal te functioneren.

3.         Het werken aan de eigen midot (eigenschappen). Een veelgemaakte fout is dat men denkt de  eigen­schappen van de partner te kunnen verbeteren. Het tegendeel is waar. Hoe meer men zal proberen de ander te veranderen hoe meer deze zich ertegen zal verzetten. Echter, door zelf te veranderen zal de ander bereid zijn tegemoet te komen.

[Een bekend verhaal vertelt over een persoon die de hele wereld wilde verbeteren. Na enige tijd begreep hij dat dat hem niet zou lukken en besloot hij slechts zijn stad te verbeteren. Vervolgens  begreep hij dat ook dit te hoog gegrepen was en dacht alleen zijn gezin te verbeteren; uiteindelijk kwam hij tot de conclusie dat hij alleen zichzelf kon verbeteren, en daarvoor al z’n hele leven nodig zou hebben.]

De midot waaraan we moeten werken zijn bijvoorbeeld: tevreden zijn met wat je hebt, niet jaloers zijn, reke­ning houden met de ander, de ander van de goede kant beoordelen („ladoen lekaf zegoet”), toegeven, dank­baarheid tonen, niet boos worden, vergeven, enz.

4.         Awoda sjebalev (letterlijk: dienst van het hart). De geleerden zeggen dat hiermee het gebed (tefilla) wordt bedoeld. Niet alleen de vaste dagelijkse gebeden maar het gesprek met G’d dat uit het hart komt. Het gesprek zoals een kind met z’n ouders voert. Bne Jisraeel zijn G’ds kinderen, en Hij wil contact met ons.

Toen Adam en Chawa gezondigd hebben in het paradijs, kreeg Adam als straf dat hij hard voor z’n dagelijks brood zou moeten werken, en Chawa dat ze zou lijden bij zwangerschappen, bevallingen, en het grootbren­gen van de kinderen (zie Rasji). De straf van de slang was dat hij voortaan op z’n buik zich zou voortbe­we­gen en het stof van de aarde z’n voedsel zou zijn. Ogenschijnlijk lijkt dat geen erge straf, maar in werke­lijk­heid verbrak G’d geheel Zijn contact met de slang. G’d zei: stof is er altijd genoeg dus heeft de slang voor eeuwig genoeg voedsel en hoeft hij zich nooit meer voor z’n levensonderhoud tot Mij te wenden. Ik wil niets meer met hem te maken hebben. Daarentegen moeten Adam en Chawa, de mensheid dus, steeds de ogen naar Boven wenden. De mens heeft de hulp van G’d voortdurend nodig en is totaal van Hem afhankelijk: Voor de groei van de gewassen dat er genoeg regen en zon is, voor z’n gezondheid, voor de broodwinning, de opvoeding van de kinderen, enz. G’d wil dat we ons tot Hem wenden en vragen om onze benodigdheden. Onze aartsmoeders waren allen onvruchtbaar opdat ze zouden dawwenen tot G’d. Hij wilde hun gebeden horen.

De tefilla (gebed) is een heel belangrijk instrument in ons dagelijks leven. We moeten ons aanwennen om voor alles te dawwenen. Voor kleine dingen en voor grote zaken. Bijvoorbeeld: Voor een solicitatiegesprek kan men een psalm zeggen en G’d verzoeken: A.u.b. laat mij goed overkomen in de ogen van de werkgever en leg mij de juiste woorden in de mond.

Of voordat men een examen aflegt richt een paar woorden tot G’d, of zelfs bij het kopen van nieuwe kleding kan men verzoeken dat men niet uren hoeft te zoeken naar iets passends en dat het niet te duur zal zijn. Zelfs (uit eigen ervaring) bij het vinden van een parkeerplaats. Alle trottoirranden staan volgeparkeerd en precies voor de plaats van bestemming rijdt er iemand weg.

De tefilla is een rechtstreekse telefoonlijn tot G’d en hij is nooit bezet. Voor ieder probleem kunnen we ons meteen tot G’d wenden. Soms zijn er in het huwelijk situaties dat bijvoorbeeld de vrouw zich ergert aan be­paald gedrag van haar man, en ze heeft er al vaak met hem over gesproken en van alles geprobeerd maar niets helpt. Dan kan ze door middel van tefilla verandering in de situatie brengen. Zo ook aangaande proble­men met de kinderen. We moeten G’d vragen om wijsheid en geduld om de problemen aan te pakken en op te lossen. En als we afhankelijk zijn van een buitenstaander zoals dokter, psycholoog, leraar, kunnen we G’d verzoeken om ons de juiste persoon te sturen.

Ook als er geen problemen zijn, moeten we dawwenen dat die er niet zullen komen. Dezelfde Jaffa Bloemen­tal zegt: Dawwenen moeten we sowieso: of ervoor (voordat er problemen zijn), of erna. Dan kunnen we beter ervoor dawwenen.

 

De tefilla is dus een belangrijke bouwsteen, en ook motor, van het gezinsleven.