Index

Home

בס"ד

HET JOODSE GEZINSLEVEN

 

Aflevering 10

 

SJE’ELAT CHAGAM- vragen aan een halachische autoriteit m.b.t. taharat hamisj­pacha.

Met een sje’ela (een vraag) of sje'elat chacham bedoelen we een eed-bedieka over onder­goed met daarop een (bloed)vlek waarvan de (on)reinheid niet duidelijk is. De vrouw moet met de vraag naar een rabbijn gaan opdat hij beoordeelt of ze al dan niet nidda is.

De meeste vrouwen hebben grote moeite om zo’n vraag aan een rabbijn voor te leg­gen. Deze moeite komt voort uit de prachtige eigenschap die Am Jisra’eel en in het bijzonder bat Jisra’eel, de Joodse vrouw, van nature bezit, n.l. verlegenheid, schaam­tegevoel.

Van Am Jisra’eel wordt gezegd dat ze van nature: verlegen, barmhartig en liefdadig zijn. G’d heeft deze eigenschappen bij ons ingeplant om Hem beter te kunnen dienen. Het zijn instrumenten voor awodat Hasjem – het dienen van G’d. We moeten echter niet deze geschenken gebruiken tegen G’d en Zijn geboden.

De Maggied van Dubnow illustreert dit met de volgende parabel:

Er was eens een man die vele financiële schulden had maar niet wist hoe hij van de schuldeisers af moest komen. Een goede vriend gaf hem tegen beloning de raad om als er weer schuldeisers zouden komen, zich voor te doen als een gek en dan zouden ze hem wel met rust laten. En zo was het ook. Toen de schuldeisers kwamen begon de man te kwijlen, te springen en gek te doen. Toen ze dat zagen, kregen ze medelijden met hem, gingen  weg en lieten hem verder met rust. Na een poos kwam de vriend zijn beloning halen. Maar toen begon de man zich als een gek tegenover z’n vriend te ge­dragen .

Daarop zei de vriend: De raad die ik je heb gegeven gebruik je tegen  mij?!

  

Het schaamtegevoel is ons gegeven om ons van overtredingen en zondes te weer­hou­den. D.w.z. dat we ons moeten schamen om zondes te begaan. En verder om ons te helpen tot inkeer te komen.

De verlegenheid komt om de eigenschap van kuisheid en ingetogenheid (tsenioet) te versterken. (Deze eigenschap is van het grootste belang voor een gezond en gelukkig gezinsleven.)

Als een vrouw een vraag heeft die een rabbijn zou moeten beoordelen, moet ze niet zeggen: ,,Ik schaam me dus ik ga niet.” Nee, op dat moment is het haar mitswa om de schaamte aan de kant te zetten en bij zichzelf te zeggen: ,,Dit is wat G’d op dit mo­ment van mij verwacht. Op dit moment dien ik G’d door me niet te schamen.”

Ze moet er echter wel op letten dat ze in gepaste kleding bij de rabbijn verschijnt en haar vraag “to the point” stelt. D.w.z. gezelligheidspraatjes vermijden.

Er zijn ook andere mogelijkheden om de vraag bij de rabbijn te brengen. B.v. de echt­genoot laten gaan (als hij bereid is), of de vraag bij de vrouw van de rabbijn afgeven en later opbellen voor het antwoord. Of afspreken om de vraag in een enveloppe in de brievenbus te doen en later opbellen voor het antwoord. Deze manieren vergemak­ke­lijken het stellen van een sje’elat chacham.

 

Verder moeten we bedenken dat de rabbijn als het ware een dokter is voor halachi­sche zaken, een dokter voor de ziel. Hij heeft uitgebreid het onderwerp bestudeerd, en geleerd wanneer een vlek al dan niet onrein is. Dat hangt o.m. af van de grootte van de vlek, welke van de tientallen tinten van de kleur rood het heeft, etc. Bovendien heeft de rabbijn stage gelopen bij andere ervaren rabbijnen. Net zoals we naar de dok­ter gaan voor lichamelijke kwalen en soms delen van het lichaam moeten laten zien die niet prettig zijn om te laten zien maar we doen het toch ten behoeve van onze ge­zondheid, we zetten ons over ons schaamtegevoel heen, zo ook is het het geval met de sje’elat chacham die we aan de halachische dokter moeten voorleggen opdat hij zijn diagnose kan stellen en wij aan de behandeling kunnen gaan beginnen. We mogen niet voor onze eigen dokter spelen omdat we dan erge fouten kunnen maken (hierover hadden we het in een vorige aflevering).

De rabbijn van zijn kant bekijkt een eed-bedieka net zoals hij een etrog, een geslachte kip of een mezoeza bekijkt. Van allen moet hij de mate van kosjer-heid bepalen. Hij vervult z’n taak als afgezant van G’d met G’dvrezendheid, en voelt het als een voor­recht om een vrouw voor haar man rein te verklaren.

In de Gemara [Brachot 4a] wordt verteld dat koning David tegen G’d zei: ,,Heer van de wereld, ben ik geen chassied (vroom mens)? Alle koningen van het Oosten en het Westen zitten bij elkaar in volle glorie en ik, mijn handen zijn vies van het (nidda)-bloed  en placenta’s om een vrouw voor haar man rein te verklaren.”

We kunnen ons afvragen: Had koning David geen geleerden die deze sje’elot konden beantwoorden? Moest hij zich hier persoonlijk mee bezig houden?

Het antwoord is, dat hij wel degelijk geleerden hiervoor had maar dat hij het volk wil­de leren dat zelfs in het koninklijke hof men zich niet voor deze vragen schaamde en het een grote eer was voor de koning zelf om zich met deze zaken bezig te houden.

De rabbijn vertegenwoordigt de halacha. Met zijn semiecha – halachische bevoegd­heid, helpt hij de mensen om op de juiste manier G’ds wegen te bewandelen. Dit is een heel verantwoordelijke en moeilijke taak. Hiervoor krijgt hij G’ds zegen. G’d zegent de rabbijn dat hij de juiste beslissingen neemt en geen fouten maakt. Daarom rust er ook een zegen op de sje’elat chacham met doorwerkende kracht naar degene die de vraag stelt.

Een zwangere vrouw kwam met een vraag bij een rabbijn in Petach Tikwa (Israël). Toen de rabbijn het bloed zag zei hij: ,,Ga direct naar het ziekenhuis er is iets niet in orde.” De vrouw ging, ze werd onderzocht maar men kon niets verontrustends vinden. Kort daarop kwam ze weer met een vraag bij de rabbijn en die zei: ,,Ga ogenblikkelijk naar het ziekenhuis!” De vrouw ging terug naar het ziekenhuis en zei dat ze niet weg zou gaan voor ze ontdekt zouden hebben wat er aan de hand was. Toen bleek dat de embryo niet meer leefde en ze zelf in levensgevaar was. G’ddank hebben de doktoren haar kunnen redden.

De G’ddelijke zegen rust niet alleen op hele grote rabbijnen waar de deur wordt plat gelopen maar ook op wijkrabbijnen en andere mensen die zich inzetten om hun mede-Joden dichter bij de Tora te brengen, en moeite doen om de Tora uit te dragen. B.v. het overkomt instructrices van taharat hamisjpacha of medewerkers van de tesjoewa-organisatie Arachiem regelmatig dat ze zichzelf dingen horen zeggen waarvan ze zelf versteld staan hoe ze op het juiste moment zo’n mooie gedachte te berde konden bren­gen. Op zo’n moment is het duidelijk dat G’d als het ware de juiste woorden in hun mond legt. Dit noemen we se’jata disjmaja – hulp uit de hemel.

Mogen ook wij allen hiermee gezegend worden.