Index

Home

בס"ד

HET JOODSE GEZINSLEVEN

 

Aflevering 13                            DE ZEVEN SCHONE DAGEN                                  

 

Nadat de hefsek tahara (hierna afgekort h.t.) op tenminste de 5e dag na aanvang van de bloeding voor de sjekie’a gelukt is, kan de vrouw de dag erop beginnen met het tellen van de zeven schone dagen (sjiw’a neki-iem ). Zoals er in de Tora geschreven staat (Wajikra 15:28): ,,En als haar vloeiing gestopt is, telt ze voor zichzelf zeven dagen en daarna zal ze rein zijn.”

Er zijn bepaalde getallen in het Jodendom die een speciale betekenis hebben. Zo sym­boliseert zes het materiaal, het aardse. Op aarde kent men zes oriëntaties te weten: de vier windrichtingen, boven en onder. Het getal zeven symboliseert het spirituele in het aardse wezen, de heiligheid in de natuur. Zo hebben we de zes werkdagen van de week en de zevende dag, de heilige dag, de sjabbat.

Een ander voorbeeld: de zes jaren dat men het land bewerkt en in het zevende jaar, het sjmita jaar, moet men het land braak laten liggen en krijgt men daardoor de gele­gen­heid om zich meer aan de Torastudie te wijden.

Am Jisraeel telde zeven weken en ontving toen de Tora. Het tellen van zeven is een voorbereiding op kedoesja (heiligheid).

Zo bereidt een vrouw zich voor op kedoesja en tahara (reinheid) door middel van het tellen van zeven, n.l. de zeven schone dagen.

 Net als bij de h.t. is ook hier de vraag hoe de vrouw weet dat ze schoon is? Hillel zegt (misjna Nida): ,,Vanaf de laatste bedieka.”  Hillel zegt dit m.b.t. de vrouwen die zich bezig houden met het bereiden van de taharot (de gerechten die in reinheid gegeten werden). Deze vrouwen moeten uiteraard rein zijn. Om daar zeker van te zijn moeten zij zich dagelijks twee maal onderzoeken. Een keer ’s ochtends en een keer in de na­middag. Als de bediekot ’s ochtends schoon zijn, dan weten ze dat ze de hele nacht door schoon zijn geweest, en als de bediekot in de namiddag schoon zijn, dan weten ze dat ze de hele dag schoon waren.

Dit principe wordt ook toegepast bij de sjiw’a neki-iem. Op ieder van deze dagen doet de vrouw twee bediekot. Een wanneer ze ’s ochtends opstaat (na zonsopgang) en een voor de sjekie’a.

 

Dit lijkt misschien een belasting en een moeilijke opdracht, maar het ligt aan de manier waarop men tegen de mitswa aankijkt, hoe die uitgevoerd wordt. Doet men de mitswa met vreugde? De vreugde is een deel van de mitswa en geeft haar een diepere dimensie. Iets dat men met vreugde doet gaat men gemakkelijk af.

Verder kan men het zich makkelijk maken door een zakje met ediem (onderzoek­doekjes) op het toilet te leggen en een zakje in de handtas te doen.

De meeste mensen hebben ’s ochtends bij het opstaan een natuurlijke drang om hun blaas te legen. Die bedieka gaat dan in dezelfde moeite door. En ’s middags waar men ook is, is het zakje ediem bij de hand dus kan men zich snel even terug trekken.

Met iedere bedieka komt men dichter bij het doel, de tahara en de hereniging met de echtgenoot als op de dag van de choepa. Deze gedachte op zich kan vreugde toevoe­gen bij het doen van de mitswa.

Verder moet men zich realiseren dat iedere bedieka een mitswa is. Dus iedere maand kan men zonder veel moeite 16 mitswot verdienen (hefsek tahara, mog dagoek, en 14 bediekot van de sjiw’a neki-iem).

Iedere mitswa die iemand doet, schept een engel die de persoon verdedigt in een G’ddelijke rechtzaak. De Chafeets Chaim (een van de grote geleerden en geestelijke leiders van de 19e en 20e eeuw) legt uit dat een mitswa die uitgevoerd is met bijge­dachten, zoals trots of eerzucht, een onvolmaakte engel schept maar een mitswa die uitgevoerd is louter en alleen om G’d te dienen, schept een volmaakte engel die de persoon goed kan verdedigen.

Welnu, aan de mitswa van de bediekot is geen enkele eer te behalen. Bijgedachten van trots zijn hier niet van toepassing. De bediekot worden in stilte zonder dat iemand er van af weet louter ter wille van G’d uitgevoerd. Daardoor schept iedere bedieka een volmaakte engel. De gedachte dat men in een week 16 verdedigers kan scheppen kan een grote vreugde bezorgen en aanmoedigen om geen enkele bedieka over te slaan.

Een vrouw die deel nam aan een les over taharat hamisjpacha hoorde over het belang van de bediekot tijdens de sjiw’a neki-iem. Aan het einde van de les nam de vrouw zich voor om de mitswa in volledigheid te vervullen en in het vervolg geen enkele bedieka meer over te slaan. Na een paar maanden nam ze deel aan een 4-daags seminarium van de organisatie Arachiem. Iedere dag was gevuld met lezingen over allerlei onderwerpen in het Jodendom. Bij een van de lezingen riep de docent met enthousiasme, opgaande in zijn verhaal (dat niets met taharat hamisjpacha te maken had): ,,Waar is het onderzoek!?” De vrouw bedacht zich opeens dat het bijna zons­ondergang was en dat ze de bedieka nog niet had gedaan. Ze ervoer dit voorval als een teken uit de hemel en een bewijs van het belang van de bediekot.

 

Onze geleerden onderwijzen ons de volgende regel: Haba litaheer mesajien bejado.

Dat wil zeggen dat als iemand oprecht met heel z’n hart een mitswa wil doen, dan komt G’d hem tegemoet en helpt. Dat zagen we dus in bovenstaande voorbeeld. Deze regel gaat op bij elk gebied waarin men zichzelf wil sterken en hogerop wil klimmen op de spirituele ladder. B.v. meer Tora leren, meer letten op het niet kwaadspreken

(lashon hara), dawwenen met meer aandacht enz. Belangrijk is, de intentie te hebben en de eerste stappen te zetten en verder zich te wenden tot G’d en met heel het hart verzoeken om steun en kracht om de ingezette weg voort te zetten.

*

We zagen al eerder, dat op dezelfde dag van de week dat een vrouw h.t. heeft gedaan, ze de week erop naar het mikwa gaat. Dus als ze bijv. op woensdag h.t. heeft gedaan, dan gaat ze de volgende week woensdagavond na nacht naar het mikwa.

Er zijn drie bediekot zonder welke men niet naar het mikwa kan gaan, die men dus absoluut niet mag vergeten, te weten: de hefsek tahara, ten minste 1 bedieka op de eerste dag, en ten minste 1 bedieka op de zevende dag. Maar als ze de zevende dag heeft vergeten om te onderzoeken dan wordt het mikwa een dag uitgesteld. Ze moet dan de achtste dag onderzoeken en kan dan ’s avonds, na de achtste dag dus, naar het mikwa.

En als een vrouw geen h.t. heeft gedaan maar wel alle zeven dagen heeft geteld en onderzocht, dan geldt de eerste van de zeven schone dagen als h.t. en telt ze nog een dag langer (achtste dag) en gaat dan ’s avonds naar het mikwa.

 

*

Het kan gebeuren dat zich op een van de bediekot een vraag voor doet. Ze moet dan zo snel mogelijk een rabbijn deze vraag voorleggen het liefst nog diezelfde dag b.v. maandag, om te weten of ze door kan gaan met tellen of dat ze opnieuw moet begin­nen.

Als het niet lukt om diezelfde dag nog naar een rabbijn te gaan, dan gaat ze gewoon door met tellen, maar doet de bedieka van de namiddag vlak voor de sjekie’a en legt een mog dagoek in. Dit is voor het geval de bedieka onrein blijkt te zijn en ze dus opnieuw moest beginnen met tellen. De bedieka van maandagmiddag geldt in dat geval als hefsek tahara en dinsdag wordt de eerste dag van de sjiw’a neki-iem.

Wat belangrijk is, is om niet te denken als zich een vraag voor doet : ,,Oh de bedieka zal vast onrein zijn en ik zal opnieuw moeten beginnen.” In dat geval is de aandacht van de telling afgeleid (hesech da’at) en is het een vraag hoe ze verder moet tellen als de bedieka toch rein blijkt te zijn.

Wanneer zich meerdere bediekot met een vraag voordoen voordat men de gelegenheid heeft om een rabbijn te vragen, dan is het aan te raden om iedere bedieka afzon­der­lijk in een envelope te doen en er op te schrijven van welke dag van de telling ze is, en of het van de ochtend of van de namiddag is.

Gedurende alle zeven schone dagen draagt men op vlekken gecontroleerd wit onder­goed en gebruikt men schone lakens. Deze hoeven niet perse wit te zijn maar het is een mooi gebruik om wel witte lakens te spreiden. De kleur wit brengt de mens in een sfeer van tahara (reinheid) (zoals b.v. op de Hoge Feestdagen de sjoel wit is aange­kleed en ook de sjoelgangers witte kleding dragen.)  Dus als de echtlieden de witte lakens zien brengt hen dat in de sfeer van reinheid, wat bijdraagt aan de geestelijke voorbereiding voor het mikwa.

 

Samenvatting van de halachot.

  1. De ochtend na de hefsek tahara begint men met het tellen van de zeven schone dagen.
  2. Iedere dag onderzoekt men zich twee maal met een eed-bedieka, een keer ’s ochtends en een keer voor zonsondergang.
  3. Drie bediekot mogen absoluut niet vergeten worden: hefsek tahara, ten minste 1 bedieka op de eerste dag en ten minste 1 bedieka op de zevende dag.
  4. Als zich een vraag voordoet, raadplege men zo snel mogelijk een rabbijn.
  5. Men moet er op letten niet de aandacht van de telling af te leiden. (hesech da’at)
  6. Gedurende de zeven dagen draagt men schoon wit ondergoed.
  7. Op de zelfde dag van de week waarop men de hefsek tahara doet, gaat men de week daarop naar het mikwa.