Index

Home

בס"ד

HET JOODSE GEZINSLEVEN

 

 

Aflevering 14      VOORBEREIDINGEN VOOR HET MIKWA  (1)  CHATSITSA

 

De grote geleerde Rambam (Rabbi Moshe ben Maimon) uit de 12e  eeuw leert dat overal waar in de Tora staat dat men het lichaam en kleding moet wassen om rein te worden, de Tora onderdompeling in een mikwa bedoelt (hilchot mikwa-ot 1, halacha 2).

 

Voordat men onderdompelt in het mikwa moet men er voor zorgen dat er niets is dat scheidt tussen het lichaam en het water (chotseets). We leren chatsitsa uit de pasoek (Wajikra 15:16) ,,En hij zal zijn hele lichaam in water wassen = werachats bamajim et kol besaro”. De pasoek zegt: ,,zijn hele lichaam”: Het water moet op elke plek van het lichaam kunnen komen, dus alles wat scheidt tussen het lichaam en het water (chatsitsa) moet worden verwijderd.

Verder staat er in de pasoek: ,,et kol besaro”. Het woordje et op zich heeft geen betekenis, maaar het wordt vaak verklaard als een toevoeging van een bepaalde zaak. In dit geval verklaren de geleerden dat et “het haar” dat ondergeschikt is aan het lichaam, komt toevoegen. D.w.z. dat niet alleen het lichaam zonder chatsitsa moet zijn bij de tewiela (onderdompeling) maar ook het haar.

 

Rabbi Chija bar Asji in naam van Rav zegt in de gemara (eroevien 4a) dat de halachot van chatsitsa“halacha lemoshe miSinai” zijn. D.w.z. dat ze vanaf Moshe rabenoe mondeling aan ons zijn overgeleverd zonder dat er in de schriftelijke leer een bron voor is. De gemara-geleerden verbazen zich hierover want er is wel degelijk een pasoek in de Tora waaruit men de chatsitsa-wetten leert. N.l. de pasoek die wij ook genoemd hebben. Na uitgebreide discussie komt men overeen dat het chatsitsa-principe inderdaad uit de pasoek geleerd wordt, maar dat de chatsitsa-details halacha lemoshe miSinai zijn.

 

Deze details zijn:

1.         meerder- en minderheid (roebo en mi’oeto).

2.         waar men precies mee is (waar men op let), en wat men niet veel kan schelen. (makpied, resp.  sje’eeno makpied).

 

Ad 1.   Roebo wil zeggen dat het merendeel van het lichaam of het haar bedekt is met viezigheid, b.v. modder of verf.

Mi’oeto wil zeggen dat maar een klein deel van het lichaam bedekt is met viezigheid of iets anders dat niet bij het lichaam hoort, b.v make up of contactlenzen.

 

Ad 2.   Makpied wil zeggen: waar men precies mee is. B.v. men zorgt ervoor de viezigheid zo snel mogelijk te verwijderen want deze is storend, b.v. vieze handen van het kneden van deeg, deze zal men zo snel mogelijk willen wassen. Of  b.v. een vrouw zal er op letten (zal makpied zijn) om niet met een diamanten ring om de vloer te gaan dweilen.

Met het begrip makpied bedoelt de Tora dat waar de meeste mensen op letten. B.v. de meeste mensen lopen niet rond met inkt op hun handen. Maar omdat het woord in enkelvoud gezegd wordt, wordt ook rekening gehouden met waar de persoon zelf op let. B.v. een vrouw die niet naar een feest zal, gaan zonder dat haar wenkbrauwen ge-epileerd zijn, voor haar zijn de overtollige haren chatsitsa en zal ze zich voor de tewiela moeten epileren.

Sje’eeno makpied wil dan zeggen: men let er niet op, de zaak is niet storend. B.v. een klein beetje deeg dat onder een nagel is blijven zitten.

 

Hoe worden deze vier begrippen nu toegepast bij de chatsitsa?

 

Rabbi Jitschak zegt (ter plekke): ,,Roebo oemakpied – chotseets”: Als beide zich voordoen (zowel roebo als makpied) is er sprake van chatsitsa. Echter, sje’eeno makpied – eeno chotseets: Als men er niet makpied op is, dan is er geen sprake van chatsitsa. Dit is de halacha leMoshe miSinai.

De geleerden hebben echter ingesteld dat ook als slechts 1 van beide voorwaarden zich voordoet (dus of roebo of makpied) er ook al sprake is van chatsitsa, en men deze moet verwijderen. Dit is om verwarring te voorkomen.

De Rama is magmier en zegt in een opmerking bij de sjoelchan aroech (joree de’a siman 198 a) dat men a priori geen tewiela moet doen met een chatsitsa op het lichaam ook al voldoet deze aan geen van beide voorwaarden, dus met een mi’oet sje’eeno makpied.

Vandaag de dag wordt er volgens deze opmerking gehandeld, en vrouwen ontdoen zich zorgvuldig van elke mogelijke chatsitsa, klein of groot, voordat ze naar het mikwa gaan.  

Echter, mocht het voor komen dat een vrouw de tewiela heeft gedaan met een chatsitsa op zich, b.v. ze heeft vergeten om haar ketting af te doen, dan moet ze een rabbijn vragen of haar tewiela geldig is. In bepaalde gevallen zal de rabbijn de tewiela geldig verklaren en in andere gevallen zal ze de tewiela opnieuw moeten doen.

 

We kunnen de soorten chatsitsa verdelen in:

1.         Zaken van buitenaf die duidelijk niet bij het lichaam horen, zoals: sieraden, nagellak, verf, deeg, make-up, contactlenzen enz.

2.         Zaken die van het lichaam zelf zijn zoals: lange nagels, gedroogde korstjes van wondjes, opgedroogde afscheiding in de neus, knopen in het haar, velletjes langs de nagelriemen enz.

 

Het verwijderen van elke chatsitsa voor het mikwa - o.a. d.m.v.uitgebreid wassen - wordt chafifa genoemd. Met G’ds hulp daarover de volgende keer.