Index

aanmelden

Home


HET JOODSE GEZINSLEVEN
Door: Orli ben-Perach (Evers)-Weyel

Aflevering 28                          Hoge’ach togie’ach et amitega – kritiek

 

Ieder mens streeft er naar om volmaakt te zijn. Zowel in eigen ogen als in de ogen van de omgeving. Dit streven naar volmaaktheid betreft o.a. zijn karakter en uiterlijk. Dat is de reden dat iemand die het huis verlaat nog een laatste blik in de spiegel zal werpen om te zien of alles in orde is en hij zelf er schoon en netjes uitziet.

 

Wanneer nu mevrouw Cohen b.v. in de wachtkamer van de dokter mevrouw Polak er op attent maakt dat zij een vlek op haar jas heeft, of zelfs voor mevrouw Polak een viezigheid van haar jas klopt, zal mevrouw Polak haar waarschijnlijk dankbaar zijn want ze wil er niet onverzorgd bij lopen; mevrouw Cohen heeft haar deze schaamte bespaard.

Zo ook zal Ron Ja’akov dankbaar zijn als deze hem er op attent maakt dat de Rozenstraat precies de andere kant op is dan in de richting waar Ron gaat. Ja’akov heeft Ron tijd, moeite en ergenis bespaard.

 

Daartegenover - vreemd genoeg - als mensen gewezen worden op een oneffenheid in gedrag of op het immateriële vlak, kunnen ze dat meestal niet verdragen. Degene die terechtgewezen wordt kan zelfs de kritiekgever gaan haten. Zoals koning Sjlomo in Misjlee [9:8] het noemt: “Wijs een dwaas niet terecht, opdat hij je niet zal haten”.

Er zijn maar weinig mensen die kritiek met dezelfde liefde kunnen accepteren als ze een compliment of cadeau in ontvangst nemen. Ondanks het feit dat het grootste cadeau dat je iemand eigenlijk kan geven is: verbetering van zijn persoonlijkheid. Koning Sjlomo noemt iemand die bereid is kritiek te ontvangen “wijze”. Volgens koning Sjlomo zal deze wijze zelfs van de kritiekgever gaan houden omdat deze de wijze geholpen heeft vooruit te komen op de ladder van het verbeteren van z’n eigenschappen. “Wijs een wijze terecht, en hij zal van je houden” [misjlee 9:8].

 

“Hoge’ach togie’ach et amitega” – Je zal je medemens terecht wijzen [wajikra 19:17].

 

Ondanks het belang van kritiek hebben op een ander voor z’n eigen bestwil, is het een hele kunst om opbouwende kritiek te geven. D.w.z. op zo’n manier de kritiek te geven dat deze z’n doel bereikt, en dat de ontvanger niet gekwetst is. Alleen in dat geval wordt voldaan aan de mitswa van terechtwijzing.

Op vele plaatsen in de verklaringen op de Talmoed wordt de omschrijving van een echte vriend gegeven: Iemand die terecht wijst en de ander verbetert, en die negatieve gedragingen en eigenschappen niet steunt of goed praat of ze negeert.

 

Waarom vindt men het dan toch zo moeilijk om kritiek te accepteren?

We geven hier drie antwoorden op:

 

a.   Eer en concurrentie.

Datgene wat een persoon het meest na aan het hart staat is zijn eer. Kritiek wijst op een onvolmaaktheid, een zwakte van de bekritiseerde. Een eventuele zwakte of een falen tast zijn eer aan en daarom verzet men zich tegen kritiek en ziet ook meestal niet z’n eigen fouten.

Doordat de bekritiseerde in z’n eer is aangetast maakt dat, dat de ontmoeting tussen hem en de kritiekgever een concurerend karakter krijgt. De bekritiseerde heeft het gevoel van: “Als jij vindt dat er iets in mijn gedrag mankeert, dan wil dat zeggen dat jij volmaakter bent dan ik. Dat gevoel kan ik niet verdragen.” Daarom is een veel voorkomende reactie op kritiek: “Jij bent wel volmaakt?! Jij hebt laatst zo en zo gedaan.”

 

Voorbeelden:

*          Rivka klaagde over haar man dat hij haar ouders niet genoeg eerde. Zijn antwoord was: “Houd jij je zo precies aan alle mitswot tussen mens en medemens?”

*          David zei tegen z’n vrouw dat ze niet strikt genoeg was met haar hoofdbedekking. Daarop antwoordde zij, dat hij ook niet strikt genoeg was met het dawwenen in minjan.

 

We zien hier dat het antwoord op kritiek vaak helemaal niet ingaat op hetgeen in de kritiek wordt beweerd, maar een uiting is van concurrentie die wil zeggen dat de kritiekgever ook z’n fouten heeft en niet alleen de bekritiseerde.

 

b.   Het veranderen van gewoontes.

Wanneer iemand gewezen wordt op een bepaald punt dat verandering behoeft, dan vat diegene dat vaak op als een aanval op z’n persoonlijkheid. Als reactie zegt hij dan: “Zo ben ik nou eenmaal, punt uit.” Kritiek accepteren betekent dat men de punten van kritiek zal moeten veranderen. Mensen hebben grote moeite om gewoontes te veranderen. Daarom zal men liever ontkennen dat de punten van kritiek juist en gegrond zijn.

 

Voorbeelden:

*          Roken. Alle rokers weten dat roken de gezondheid schaadt, het leven kan bekorten en een groot deel van de maandelijkse inkomsten verkwitst. Maar het is een gewoonte geworden. Het lichaam is aan de nicotine gewend geraakt en niet minder: de vingers zijn gewend om een sigaret vast te houden. Daarom hebben rokers grote moeite te stoppen.

*          Kinderen rond de 7 jaar die duimen. Ze weten dat het heel kinderachtig staat, en waarschijnlijk is hen ook uitgelegd dat het slecht is voor het gebit, maar toch, die duim gaat automatisch naar de mond.

*          Rav Simcha Cohen geeft een voorbeeld van een gesprek tussen Mosje en Chaim. Mosje is niet religieus praktiserend.

Ch:  Mosje, ga je vanavond mee naar een lezing over het Joodse gezin?

M:  Dat klinkt interessant, ik kom. Wie geeft de lazing?

Ch:  Rav J Shim’oni, hij is gespecialiseerd in dit onderwerp.

M:  Nee ik kom niet.

Ch:  Waarom niet, je vindt het toch interessant?

M:  Nee ik heb geen zin. Ik ben bang dat ik overtuigd wordt.”

 

Waarom vind Mosje het zo erg om overtuigd te worden van de waarheid van de Tora? Als Mosje zou weten dat de Tora G’ddelijk is en de echte waarheid voor het leven bevat, dan zou hij eerlijkheidshalve de Tora moeten volgen. Dat betekent dat hij z’n hele levenswandel zou moeten veranderen. Dit wil of kan Mosje niet.

 

Volgens de midrasj is de reden dat de andere volkeren de Tora niet wilden ontvangen, hun weigering om slechte gewoontes af te leren. G’d vroeg aan de Ismaelieten of zij de Tora wilden ontvangen. Zij vroegen wat er in staat: “Je mag niet stelen.” Nee zo’n Tora wilden ze niet want ze waren gewend om te stelen. Het nageslacht van Esav wilde de Tora niet omdat er in staat dat je niet mag moorden en zij waren gewend te moorden.

 

De Rambam zegt: Het is moeilijker om een eigenschap te veranderen dan om de hele Talmoed te leren.

De moeite om gedrag en/of eigenschappen te veranderen komt voort uit het feit dat het verbeteren van eigenschappen de levenstaak van de mens is. Hiervoor komt hij op de wereld. De geleerden zeggen dat op het vlak waar men moeite heeft met het dienen van G’d, daar ligt zijn taak in het leven om aan te werken.

 

c.   De manier waarop.

Waarschijnlijk is de belangrijkste reden dat men kritiek niet accepteert: de manier waarop de kritiek geleverd wordt. Vaak op harde toon met een boos gezicht. Wanneer de kritiek op zo’n manier gezegd wordt, dan is het duidelijk dat deze niet gezegd wordt uit liefde voor de bekritiseerde en uit zorg voor zijn nesjomme, maar uit ergenis over iets dat de bekritiseerde heeft gedaan. Daarentegen, we zien dat als mensen zich niet aangevallen voelen, ze open staan voor verbetering. 

 

Voorbeeld:

Iedere keer als Malka iets van kritiek op Joel heeft, spaart ze dat op, en zegt het niet. Dit om de goede sfeer niet te verpesten. Maar op een gegeven moment ploft Malka en gooit alle kritiek er uit die ze al lang had willen zeggen. De snelheid en de toon van het spreken en de boze uitdrukking op Malka’s gezicht veroorzaken dat Joel een gevoel van bedreiging krijgt en daardoor zich afschermt voor wat er gezegd wordt. Het gevolg is dat hij de hele inhoud van de kritiek niet hoort of niet tot zich door laat dringen.

Wanneer Malka zonder boos te worden gezegd zou hebben wat ze op het hart had, was er grote kans geweest dat Joel zou luisteren en zelfs een manier zou bedenken om een en ander te verbeteren.

 

Stel, iemand leest in een tijdschrift een psychologische verhandeling over een bepaalde karaktereigenschap. De schrijver van het artikel keurt de eigenschap sterk af en legt uit waarom. Ook moedigt hij aan deze eigenschap te verbeteren. De lezer realiseert zich dat hij zelf die slechte eigenschap heeft. Desondanks zal hij het tijdschrift niet woedend in een hoek gooien en zal ook z’n abonnement niet opzeggen. Er bestaat een grote kans, dat hij het artikel een paar keer zal herlezen en proberen te begrijpen waarom die eigenschap negatief is. Bovenstaande is mogelijk omdat het artikel niet persoonlijk op de lezer gericht is, maar de lezer projecteert de kritiek op zichzelf.

 

G’d Zelf leert ons in bamidbar hoofdstuk 12 hoe men kritiek moet geven.

“Mirjam sprak met Aharon kwaad over Mosje in verband met de Ethiopische vrouw waarmee hij getrouwd was … De Eeuwige hoorde het … En Hij zei: Luister nu eens naar Mijn woorden (Sjim’oe na dewaraj) … De Eeuwige was buitengewoon woedend op hen en ging heen. Zodra de wolk van de tent geweken was, bleek Mirjam zo wit als sneeuw te zijn door de huidziekte Tsara’at…”  

 

G’d is zo boos dat Mirjam met melaatsheid gestraft wordt. Desondanks, G’d legt hen op een rustige manier hun fout uit: G’d spreekt Aharon en Mirjam eerst op een vriendelijke en geduldige manier toe. Dat zien we aan het woordje “na”. Rasji legt uit dat het woordje “na” altijd een verzoek aanduidt. In dit stadium geeft G’d geen uiting aan zijn boosheid hoewel Hij ongetwijfeld al kwaad moet zijn geweest ten tijde van het gesprek van Mirjam en Aharon. Maar zelfs voor grootheden als Aharon en Mirjam geldt dat als de kritiek in boosheid was gezegd, ze zich misschien zouden hebben afgesloten, en de inhoud zou niet tot hen zijn doorgedrongen. Pas toen ze hadden begrepen waar het om ging liet G’d Zijn boosheid zien.

 

In de volgende aflevering zullen we m.G.h. zien hoe men als het nodig is opbouwende kritiek kan geven. Op een manier dat die ook inderdaad het doel bereikt.

 

 

(Vertaling en bewerking van het boek “Habajit hajehoedie” van Rav Simcha Cohen, hoofdstuk “kritiek”, blz.101 t/m 109.)