Hilchot chanoeka

De vervolging door de Grieken

1. Gedurende de periode van de tweede Tempel vaardigde de Griek­se regering allerlei decreten uit tegen het Joodse volk in een poging om hun godsdienst uit te wissen. Zo verboden zij hen zich met Tora en haar mitswot bezig te houden. Ook staken zij hun handen uit naar de bezittingen van de Joden en ook naar hun dochters. De Grieken gingen de Tempel binnen en haalden er alles overhoop en verontreinigden al wat rein was.

De Joden werden zwaar onderdrukt en hadden veel van de Grieken te lijden. Tot de G-d van hun voorvaderen medelijden met hen kreeg en hen verloste uit hun handen en hen redde. De zonen van de Chasmoneeërs, de Hoge Priesters, overweldigden de Griekse overheersers, versloegen hen en verlosten de Joden uit hun handen. Zij benoemden één van de priesters tot koning en zo werd de soevereiniteit van Israël voor een periode van meer dan tweehonderd jaar hersteld, tot aan de vernietiging van Tweede Tempel.

De 25ste Kislev

De dag dat de Joden hun vijanden overmeesterden en vernietigden was op de 25ste Kislev. Op die dag gingen zij het Heiligdom binnen, maar zij konden niet meer dan één kruikje zuivere olie vinden met daarop het ongeschonden zegel van de Hoge Priester. Dat kruikje bevatte genoeg olie om de grote kandelaar in het Heiligdom precies één dag te laten branden. Maar Hasjem beloonde hen met een won­der, en zij konden de Menora gedurende acht dagen aansteken. In die acht dagen hadden zij tijd gehad om nieuwe zuivere olie te produ­ceren uit geperste olijven.

Om die reden bepaalden de geleerden van die generatie, dat men voortaan ieder jaar gedurende acht dagen, te beginnen op de 25ste Kislev, dit heuglijke feit zou vieren en Hasjem daarvoor zou prijzen. Lichten worden iedere avond aangestoken bij de in­gang van de woningen, zodat het wonder aan iedereen wordt bekendgemaakt.

Deze dagen werden voortaan  „Chanoeka” genoemd. Dat woord heeft twee betekenissen. Men kan het verdelen in twee woorden: Chanoe en KaH. Chanoe betekent in het Hebreeuws: zij rustten, terwijl KaH in het Hebreeuws wordt geschreven als Chaf-Hee hetgeen 25 betekent, dus zij [de Chasmoneeërs] rustten van hun vijanden op de 25ste. De tweede betekenis is „inwijding”, want op die dag werd de Tempel opnieuw ingewijd, nadat hij door de vijanden was ontwijd.

Daarom zeggen sommige geleerden dat men op deze dagen een beetje[1] meer feest moet vieren dan op andere dagen van het jaar. Een andere reden om extra feest te vieren is, dat de bouw van het Misjkan in de woestijn ook gedurende deze dagen gereed kwam, hoewel het pas in Niesan werd ingewijd.

Het hoofd van het huisgezin hoort aan zijn kinderen de geschiedenis te vertellen van het wonder dat onze voorvaderen overkwam in die da­gen. Maar alleen een feestmaaltijd is niet voldoende om de mitswa uit te voeren[2]; men moet ook lofprijzingen (Halleel) voor Hasjem zingen.[3]

Het is de gewoonte om royaal aan tsadaka te geven gedurende Chanoeka, want dat is een uitgelezen gelegenheid om onze tekortkomingen te verbeteren.[4] Deze tsadaka dient met name gericht te zijn op de ondersteuning van arme Tora-geleerden.

Aantekeningen § 3

[1]. En sommigen zeggen dat het ook een beetje een mitswa is om wat uitgebreider te eten, omdat op die dagen ook het altaar werd ingewijd (Rama 670:2).

[2]. De Rasjal schrijft dat ieder die een feestmaal bereidt om daarmee de Alomtegenwoordige te loven of om daarmee het wonder bekendheid te geven,  seoeda mitswa (M.B. 670:9)maakt.

[3].  In de responsa van de Maharsjal, hfdst. 85, staat dat het gewenst is dat de vreugde gepaard gaat en vermengd wordt met de vreugde over Tora en dat men geen vastgestelde tijd voor het Tora-leren moet voorbij laten gaan om feest te vieren. Tot zover diens woorden. En door onze grote zonden zijn er mensen die, nadat zij Halleel en andere geschikte lofliederen gezongen hebben voor Hasjem voor de wonderen die Hij voor ons gedaan heeft, zich te buiten gaan aan kaartspelletjes. De sifrei kodesji spreken hier heel slecht over en wie zijn ziel zuiver wil houden, houdt zich hier verre van (Béoer Halacha 670, beg.w. Wenohagiem lomar.)

[4]. Het is gewoonte dat de armen op die dagen langs de deuren gaan (M.B. 670:1).

2. Men vast niet op Chanoeka. Maar op de dag ervoor en erna mag men vasten en treurredenen houden.[5]

Aantekeningen bij § 2

[5]. Men houdt ook geen treurredenen op Chanoeka, behalve voor een geleerde (Sj.A. 670:3).

Volgens  de Bach is het de dag voor Chanoeka verboden te vasten (maar een treurrede houden is ook volgens hem dan toegestaan), en dat is ook de mening van de Prie Chadasj. En sommigen hebben de minhag om de dag voor Chanoeka te vasten, in plaats van op de dag voor Rosj Chodesj [Jom Kippoer Katan] en hun minhag moet men niet veranderen. Maar a priori moet met niet met zo’n gewoonte beginnen. En in ieder geval is het verboden om op die dag [vóór Chanoeka] een publieke vastendag uit te roepen. En ook op de dag na Chanoeka geldt, dat hoewel een individu wel mag vasten, men geen publieke vastendag mag uitroepen.

3. Het is toegestaan om te werken gedurende Chanoeka. Vrouwen volgen echter de gewoonte[6] om geen werk te verrichten gedurende de tijd dat de Chanoeka-lichtjes bij hun thuis branden[7]. Men moet zich aan deze minhag houden en er niet van af wijken.[8]

De reden dat vrouwen hierin strenger zijn dan mannen, is omdat de Griekse decreten speciaal voor de vrouwen erg hard waren. Zij had­den bepaald dat ieder meisje dat ging trouwen eerst met de gouver­neur mee naar bed moest.

Het wonder was ook tot stand gebracht door toedoen van een vrouw. Jehudith, de dochter van Jochanan de Hoge Priester, was heel erg knap. De vijandelijke regeerder had haar voorgesteld om met hem naar bed te gaan. Zij stemde daarin toe. Toen zij bij hem in zijn tent kwam, bereidde zij hem allerlei kaasgerechten, die hem erg dorstig maakten, waardoor hij veel wijn dronk. Hij werd daar slaperig van en toen hij eenmaal in diepe slaap was, sneed zij zijn hoofd af en bracht dat naar Jeruzalem.

Toen de legerleiders zagen dat hun aanvoerder verslagen was, vlucht­te het leger. Ter herinnering aan dit wonder hebben sommigen de ge­woon­te om melkkost[9] te eten op Chanoeka.

Aantekeningen bij § 3

[6]. Er zijn plaatsen waar ook de mannen hierin streng zijn [en ook geen werk verrichten] (M.B. 670:3).

[7]. Om te laten zien dat men geen gebruik mag maken van de Chanoeka- licht­jes, en dat geldt gedurende het eerste half uur (M.B. 670:4).

[8]. Maar daar waar het minhag is om de hele dag niet te werken, moet men dat verbieden, want dat is een overtreding die leidt tot verveling (M.B. 670:5).

[9]. Sommigen zeggen dat men kaas moet eten op Chanoeka, omdat Jehudith hem dat te eten gaf (Rama 670:2).

 

4. Iedere soort olie mag gebruikt worden met Chanoeka. Maar men voert de mitswa het mooiste uit indien men olijfolie gebruikt, omdat ook het wonder in Jeruzalem gebeurde met olijfolie.

Wanneer er geen olijfolie beschikbaar is, mag men ook andere lichte en zuivere olie gebruiken. En anders gebruikt men kaarsen van bijenwas[10], want die geven ook een zuivere vlam.

Men moet geen twee pitten bij elkaar doen, want dan krijgt men een soort fakkel. Een enkele pit moet men gebruiken. Men mag geen bij­en­was van kerken of tempels gebruiken, want dat is iets afschuwe­lijks.

De pitten voor de Chanoeka-kaarsen mogen ook van alle soorten ma­te­riaal gemaakt zijn. Maar de beste manier om de mitswa uit te voe­ren is door pitten te gebruiken die zijn gemaakt van katoen[11]. Het is niet nodig iedere avond nieuwe pitten te gebruiken. Men mag pitten die men de vorige avond al gebruikt heeft, nogmaals aansteken, tot­dat zij zijn opgebrand.

Aantekeningen bij § 4

[10]. Maar men doet de mitswa het beste als men olie gebruikt, want daarmee geschiedde het wonder (M.B. 673:4).

[11]. Of van vlas [volgens de Chajei Adam ](M.B. 673:2) .

5. Wanneer men een lamp van aardewerk gebruikt heeft op een avond, dan wordt die beschouwd als iets ouds en mag niet meer ge­bruikt worden, dat is iets afschuwelijks. Het is het beste wanneer men een mooie, metalen menora heeft.[12] Wie het zich kan permit­teren gebruikt een zilveren menora, ten einde de mitswa op een uitgelezen manier te kunnen vervullen.

Aantekeningen bij § 5

[12]. Een menora van glas of van aardewerk, maar met metaal overtrokken, heeft dezelfde din als een van metaal (Sj.A. 673:3, M.B. 673:30).

6. Het is in deze landen algemeen gebruikelijk om de chanoeka- lamp aan te steken op een wijze die mehadrin min hamehadrin is, dat wil zeggen zoals diegenen doen die heel precies zijn in de uitvoering van de mitswot. Dit houdt het volgende in:

a) Ieder lid van het huisgezin[13] steekt zijn eigen menora aan. [In vele gemeenschappen is het de gewoonte dat alleen de mannen en jon­gens de kaarsen aansteken. Ook jonge kinderen doen deze mits­wa.]

b) Iedere avond steekt men een kaars extra aan. Dus op de eerste avond steekt men één kaarsje aan, de tweede avond twee kaarsjes, enz. tot de achtste avond, wanneer men acht kaarsjes aansteekt.

Men moet er wel voor oppassen dat ieder zijn menora zodanig plaatst dat duidelijk alle kaarsjes van iedereen te zien zijn.[14] Boven­dien moet men de kandelaar niet zetten op een plaats waar ook gedurende de rest van het jaar een kandelaar wordt aangestoken, zodat het dui­de­lijk is dat de kaarsjes speciaal zijn aangestoken voor Chanoeka.

Aantekeningen bij § 6

[13]. Behalve de echtgenote, want die is één met haar man (M.B. 671:9).

[14]. En volgens de Mageen Awraham moet men daar ook de eerste avond zorgvuldig in zijn, om geen verschil te maken (Béoer Halacha 671, beg.w. kedei sjejehé hekeer, wechoe').

 7. Het is een mitswa om de chanoekalichtjes in de deuropening te zetten, welke opent naar openbaar terrein,[15] om zo het wonder pu­bliek te maken. Dit was de gewoonte in de tijd van de Misjna en de Gemara.

Tegenwoordig leven wij tussen de niet-Joden, en dan steekt men bin­nenshuis aan. Wanneer men een raam heeft dat op de openbare weg uitkijkt, dan plaatst men daar de menora. En anders plaatst men hem in een deuropening binnen het huis.[16]

Het is een mitswa om de kaarsjes te plaatsen op een afstand van min­der dan een handbreedte van de ingang aan de linker kant, zodat de mezoeza rechts van de ingang zit en de chanoekia links. Zo is men omringd met mitswot.[17] Het ver­dient de voorkeur dat men de me­no­ra in de deuropening zelf zet.[18]

Aantekeningen bij § 7

[15]. Wanneer het huis een deur heeft die toegang geeft tot de openbare straat, dan zet men het bij die deuropening. Wanneer de huisdeur op een binnenplaats uitkomt, zet men het bij de toegang [van de straat] tot de binnenplaats (Sj.A. 671:5). En de binnenplaatsen in die tijd kwamen uit op de openbare straat (M.B. 671:22).

[16]. Maar als er vele gezinsleden zijn die een menora aansteken, dan is het beter als ieder het op een speciale plaats doet (Rama 671:7).

[17]. Wanneer er geen mezoeza aan de ingang is, zet men de menora rechts (Sj.A. 671:7).

[18]. En men zet haar op de linkerhelft [van de de deuropening] (Sj.A. 671:7), opdat men gebruik kan maken van beide kanten naast de chanoekia. Maar volgens de Taz is het beter om de nerot wat naar links te plaatsen, meer naar achteren, dicht bij de muur (M.B. 671:36).

 

8. Het is een mitswa om de chanoekia hoger dan drie hand­breedtes boven de grond te plaatsen[19] maar lager dan tien hand­breed­tes [boven de grond][20]. Als men de lichtjes daarboven geplaatst heeft, heeft men toch aan zijn plicht voldaan. Maar wie het meer dan 20 el boven de grond zet heeft niet aan zijn plicht voldaan, want iets wat hoger dan 20 el staat, valt niet meer op.

Wie op de tweede verdieping van een gebouw woont, mag het in het raamkozijn zetten, hoewel dat meer dan tien handbreedten boven de grond is. Maar wanneer dat raam meer dan 20 el boven het straat­niveau is, dan zullen voorbijgangers het niet opmerken. Dan kan men het beter in een deuropening binnen het huis plaatsen.

Aantekeningen bij § 8

[19]. Want lager dan drie handbreedtes, dan is het alsof de menora op de grond staat, en als men iets bekend wil maken, zet men het niet op de grond. Maar wanneer men het lager geplaatst heeft, is het a posteriori in orde (M.B. 671:26. Zie ook paragraaf 13 verderop in de K.Sj.A.).

[20]. Maar het is de gewoonte dat de menora in de synagoge op een verhoging staat (M.B. 671:27).

 

9. De kaarsjes moeten in één rechte lijn staan[21] en op dezelfde hoogte; het mag niet zo zijn dat de een hoger staat dan de ander. Er moet voldoende ruimte zijn tussen de kaarsen onderling,[22] zodat de vlam­metjes elkaar niet raken, en zo de indruk van een fakkel zouden wek­ken. Wanneer men (bijen-) waskaarsen gebruikt, moet men ze vol­doende uit elkaar zetten,  zodat ze niet door elkanders hitte smel­ten.

Wanneer men een bord gebruikt en dat vult met olie en daar rondom pitten op legt en men dekt vervolgens dat bord af, dan wordt dat geheel als één enkele kaars beschouwd.[23] Maar als men het bord niet heeft afgedekt, dan is het zelfs geen één enkel licht, maar het lijkt op een fakkel. Een lamp die twee of meer openingen heeft, moet niet door meer dan één persoon gebruikt worden, zelfs niet op de eerste avond,[24] want het is dan niet duidelijk hoeveel lichtjes ieder aansteekt.[25]

Aantekeningen bij § 9

[21]. En niet in een [halve] cirkel, want anders lijkt het op een fakkel (Rama 671:4).

[22]. Op een onderlinge afstand van ongeveer een vingerbreedte (M.B. 671:18).

[23]. Dit geldt met name wanneer men het eerst afdekte en daarna aanstak. Maar wanneer men het eerst aanstak en daarna afdekte, moet men het eerst doven, daarna afdekken en dan opnieuw aansteken (M.B. 671:13).

[24]. In geval van nood mag men zich verlaten op de soepele poskiem (Sjaär Hatsioen 671:16).

[25]. Dit geldt met name voor een kandelaar met slechts 2 bakjes, maar bij de menorot die wij gebruiken, en waaraan acht bakjes [voor acht lichtjes] zitten, is het toegestaan dat de één aan de ene kant en de ander aan de andere kant aansteekt, want dan is het duidelijk twee mensen hebben aangestoken. Immers één persoon steekt de lichtjes naast elkaar aan (M.B. 671:12).

10. De tijd voor het aansteken van de chanoekalichtjes is onmid­dellijk na het uitkomen van de sterren,[26] en niet later. Het is verboden enige andere activiteit te beoefenen, of zelfs Tora te leren, voordat men ze heeft aangestoken. Echter men moet eerst ma’ariv dawwenen en pas daarna steekt men aan.[27]

Voordat men de lichtjes aansteekt, moet men al de leden van zijn ge­zin verzamelen, zodat zij erbij aanwezig zijn. Men moet voldoende olie in de chanoekia doen, zodat deze minstens een half uur brandt.[28]

Wanneer men niet onmiddellijk na nacht de lichtjes heeft aange­sto­ken, dan mag men dat ook nog later doen en daarover van te voren de berachot zeggen, zolang als de leden van het gezin nog wakker zijn,[29] maar wanneer die reeds slapen, dan verspreidt men het wonder niet meer. Daarom steekt men in zo’n geval aan zonder berachot.[30]

Wie niet in staat is om de lichtjes ’s avonds aan te steken, mag dat voor nacht al doen, op ieder tijdstip na plag hamincha. Dat is een uur en vijftien minuten voor het uitkomen van de sterren.[31] [Het is in vele gemeenschappen de gewoonte om vanaf plag hamincha  de lichtjes al aan te steken]. Deze periode wordt gemeten volgens het systeem van de „tijds-uren”, die berekend worden volgens de lengte van de dag. Met Chanoeka zijn de dagen kort, ongeveer tien uur, zodat plag hamincha  ongeveer een uur en 2½ minuut duurt. Ook wanneer men de chanoekalichtjes vóór nacht aansteekt, moet men ervoor zorgen dat er voldoende olie in de kandelaar zit, zodat de lichtjes blijven branden tot minstens een half uur na het uitkomen van de sterren.[32] Wanneer zij niet zolang kunnen branden, heeft men zijn plicht niet gedaan[33].

Aantekeningen bij § 10

[26]. Dat wil zeggen: aan het einde van de skia, want dan komen de mensen voorbij en is de familie thuis, en zo maakt men het wonder bekend. Maar op vrijdagavond steekt men vroeger aan. En de samensteller van de [Kitsoer] Sjoelchan Aroech begrijpt uit de woorden van de Gemara, waar staat dat de tijd voor het aansteken van de chanoekalichtjes is vanaf het moment dat de zon ondergaat, dat dat het einde van de zonsondergang is [als al het zonlicht verdwenen is]. Maar er zijn vele poskiem die van mening zijn dat de Gemara bedoelt vanaf het begin van de skia, dat is ongeveer een kwartier eerder. En de mensen die de minhag hebben om maäriv op z’n tijd te dawwenen, dat wil dus zeggen na tseet hakochaviem – het uitkomen van de sterren – die doen er goed aan eerst de lichtjes aan te steken, vóór maäriv. Men moet dan wel voldoende olie in de bakjes doen, opdat de lichtjes minstens een halfuur na het uitkomen van de sterren branden (M.B. 672:1).

[27]. Men moet de menora klaarmaken voordat men maäriv dawwent, opdat men onmiddellijk na het dawwenen kan aansteken, want in principe is de tijd voor het aansteken het eerste half uur na het uitkomen van de sterren (M.B.672:1).

[28]. Wanneer men niet voldoende olie voor een half uur heeft, steekt men aan zonder beracha (Béoer Halacha 672:2, beg.w. kazé hasjioer).

[29]. Tot het eerste ochtendlicht.

[30]. Want men zegt alleen een beracha als men het wonder bekend maakt voor anderen. Het is beter om ze dan wakker te maken, zodat men de beracha kan zeggen. (M.B. 672:11).

[31]. En men zegt dan de berachot (M.B. 672:3). Maar wanneer men vóór plag hamincha heeft aangestoken, moet men ze weer uitdoven en na plag hamincha opnieuw aansteken (Sjaär hatsioen 672:4).

[32]. Wanneer men er in zo’n geval slechts olie in heeft gedaan voor een half uur, dan moet men er later olie bij doen en opnieuw aansteken, maar men zegt de beracha niet nog eens (M.B. 672:4).

[33]. Wanneer de lichtjes op een werkdag zijn uitgegaan vóór het uitkomen van de sterren, moet men ze opnieuw aansteken, maar zonder beracha, want in zo’n geval vertrouwen wij op diegenen die zeggen dat de tijd van de mitswa al is begonnen vanaf plag hamincha (Béoer Halacha 672:2, beg.w. Oevilvad.)

 

11. De volgorde voor het aansteken van de lichtjes is als volgt:

Men steekt de eerste avond het meest rechtse kaarsje aan, ook als de menora voor het raam staat, gezien van binnen uit (zie diagam 1). De tweede avond plaatst men eerst het meest rechtse kaarsje, en daarna links daarvan het nieuwe kaarsje (zie diagram 2), en zo verder iedere avond. Men begint het aansteken links (nadat de sjamasj is aangestoken en vervolgt naar rechts (zie diagram 3).


              diagram 1                             diagram 2                             diagram 3

12. Op de eerste avond zegt men, voordat men begint met  het aan­ste­ken, drie berachot: men begint met: Lehadlik ner (sjel) Chanoeka; daarna zegt men: Sjè’asa nissiem leavoeteinoe, en tenslotte Sjèhèchejanoe. Op de volgende avonden laat men de beracha Sjèhè­chejanoe weg.[34]

Wanneer men alle vereiste berachot gezegd heeft, steekt men het eerste lichtje aan. Dan vervolgt men met Hanerot halaloe,  terwijl men de overige lichtjes aansteekt[35]. Een Geer zegt: Sjè’asa nissiem leJisraël[36] maar wanneer hij leavoteinoe gezegd heeft, heeft hij zijn plicht gedaan.

Voor een oneen [dat is iemand die een naaste familielid heeft verlo­ren, welke nog niet begraven is] geldt het volgende: Wanneer er ie­mand anders aanwezig is, steekt die de lichtjes aan met een beracha[37], en de oneen antwoord met amein.[38] Is er niemand anders aanwezig, dan steekt hijzelf de lichtjes aan zonder beracha.

Aantekeningen bij § 12

[34]. Wanneer men de eerste avond geen sjèhèchejanoe gezegd heeft, zegt men dat op de tweede avond, of op de avond waarop men zich dat realiseert (Sj.A. 676:1).

[35]. In de siddoer van de Ba’al HaTanya staat dat het de gewoonte is om dit pas te zeggen wanneer men alle lichtjes heeft aangestoken. De Misjna Broerah 676:8 noemt beide meningen.

[36]. Ook iemand die van een ander geloof tot het het Jodendom is overge­gaan, mag de woorden Sjè’asa nissiem leavoeteinoe zeggen [M.B. 675:14].

[37]. Zijn vrouw steekt de lichtjes aan (M.B. 670:12).

[38]. Volgens sommige poskiem zegt hij geen amein, volgens anderen wel (M.B. 670:12).

 

13. Wij gaan er vanuit dat het aansteken van de chanoekalichtjes de mitswa vormt. Daarom moeten ze, op het moment dat men ze aansteekt, op de juiste plaats staan en voldoende olie hebben. Wan­neer zij te laag, beneden drie handbreedtes,[39] of te hoog, boven 20 el stonden op het moment van aansteken en men verplaatst hen daarna, dan heeft men niet de mitswa gedaan.

Zo ook, wanneer er bij het aansteken niet voldoende olie in zat om een half uur te branden, en men doet er dan nog wat olie bij, dan heeft men niet de mitswa gedaan.[40]  Wan­neer men de kandelaar op een winderige plaats heeft gezet, zodat hij waarschijnlijk zal uitwaaien,[41] dan heeft men niet zijn plicht gedaan en moet men hem opnieuw aansteken. Maar men zegt niet een tweede keer de berachot.

Als men daarentegen de kandelaar op een geschikte plaats gezet heeft en de lichtjes gaan toch onverwachts uit, dan heeft men zijn plicht gedaan.[42] Maar het is de gewoonte dat men ze dan toch nog eens aansteekt.[43]

Men steekt niet het ene chanoekalichtje aan met het andere, maar men gebruikt daarvoor de sjammasj of een andere gewone kaars.

Aantekeningen bij § 13

[39]. A posteriori heeft hij zijn plicht gedaan (M.B. 670:26).

[40]. Men moet de lichtjes dan eerst doven, daarna de olie bijvoegen en vervolgens opnieuw aansteken, maar zonder beracha (M.B. 675:8).

[41]. Of als men ziet dat de pit het vlammetje niet pakt (M.B. 673:25).

[42]. Maar als men ze met opzet heeft gedoofd, moet men ze opnieuw aansteken (Sjaär Hatsioen 673:32).

[43]. Wanneer dit gebeurt op vrijdagavond, nadat men de Sjabbat heeft geaccepteerd, steekt men niet meer aan. Maar wanneer er nog tijd is voor iemand anders, die nog niet de Sjabbat heeft gaccepteerd, en de Sjabbat is nog niet ingegaan, dan mag men die ander vragen ze nog eens aan te steken voor hem (M.B. 673:27).

 

14. Het is verboden om gebruik te maken van de chanoekalichtjes gedurende de gehele tijd dat zij verplicht zijn te branden, dat wil dus zeggen: gedurende een half uur na nacht.[44] Daarom is het de gewoonte om de sjammasj [de extra kaars die gebruikt wordt om de lichtjes aan te steken] naast of voor de lichtjes te plaatsen[45]. Wanneer men dan eni­ge activiteit verricht vlak bij de chanoekalichtjes, dan maakt men op deze manier gebruik van het licht van de sjammasj.

De sjammasj moet iets hoger geplaatst worden dan de andere lichtjes, zodat het duidelijk is dat het niet één van de chanoeka-lichtjes is.[46]

Aantekeningen bij § 14

[44]. Sommigen verzwaren en maken gedurende de gehele tijd dat zij branden geen gebruik van het licht, omdat degene die dat ziet geen verschil ziet tussen het eerste half uur en daarna (M.B. 672:8).

[45]. D.w.z. behalve de kaarsen die men iedere dag van het jaar aansteekt. En hoewel men behalve de sjammasj volgens de wet geen ander licht hoeft aan te steken (Sj.A. 671:5), is het een goede gewoonte dat wel te doen (M.B. 673:14; Béoer Halacha 671:5 beg.w. We tsariech neer).

[46]. En ook omdat, wanneer men [per ongeluk] toch gebruik maakt van de chanoekalichtjes, gebruikt men eerst het licht van de sjammasj en daarom moet men dat lichtje ook wat groter maken (Rama 673:1).

 

15. De chanoekalichtjes horen ook in sjoel te worden aangestoken, tussen mincha en ma’ariv, om het wonder openbaar bekend te ma­ken. Men zegt daarbij ook de berachot wanneer men aansteekt. Men hoort ze te plaatsen tegen de zuidelijke muur van de sjoel [ter herin­nering aan het Heiligdom, waar de Menora tegen de zuidelijke muur stond].[47] Men steekt aan tussen mincha en maäriv. Echter, men kan zijn verplichtingen niet uitvoeren door het aansteken in sjoel, maar men moet ook thuis aansteken[48].

Wie in de rouw is[49] steekt niet de eerste avond de lichtjes in sjoel aan, zodat hij niet de beracha sjèhèchejanoe in het openbaar hoeft te zeg­gen, maar hij mag hem wel thuis zeggen.

Aantekeningen bij § 15

[47]. En men stelt de kaarsen op van het oosten naar het westen (Rama 671:7). En degene die ze aansteekt, staat erachter, aan de zuidkant, met zijn gezicht naar het noorden, en hij begint [de eerste dag] het opstellen van de lichtjes aan zijn rechter kant, dat wil zeggen met het lichtje dat het dichtst bij de Aron Hakodesj staat. Daarna [de volgende dag] voegt hij er een links aan toe, en steekt dat linkse lichtje eerst aan en vervolgt dan naar rechts (M.B. 671:43).

[48]. Degene die in sjoel de lichtjes de eerste dag heeft aangestoken, zegt, als hij ze thuis opnieuw aansteekt, niet nog eens de beracha sjèhèchejanoe, tenzij hij die beracha voor andere leden van zijn huishouding moet zeggen. Echter, de overige berachot zegt hij wel (M.B. 671:45).

[49]. 12 maanden voor zijn vader of moeder en 30 dagen voor andere familie­leden (Sjaär Hatsioen 671:50).

 

16. Ook vrouwen hebben de mitswa om de chanoekalichtjes aan te steken[50]; zij hadden immers ook een aandeel in het wonder. Dus een vrouw mag aansteken voor haar hele huisgezin. Een kind dat de leef­tijd heeft bereikt dat het leert om mitswot te doen, is ook verplicht om lichtjes aan te steken.[51]

Een blinde kan het beste met iemand samen aansteken, door een aan­deel in de kaarsjes van een ander te kopen (een symbolisch bedrag is voldoende). Als hij getrouwd is moet zijn vrouw voor hem aanste­ken. Wanneer hij ongetrouwd is en alleen woont, dan moet hij zelf de lichtjes aansteken, met behulp van een ander.

Aantekeningen bij § 16

[50]. Maar een vrouw, wier man thuis is, hoeft niet aan te steken, want zij is met haar man als één lichaam. Maar wanneer zij wil aansteken, mag zij dat doen met een beracha. En als haar man niet thuis is, steekt zij aan voor het gezin en niet een minderjarige (M.B. 675:9).

[51]. Maar een jong kind hoeft niet te verzwaren en mag volstaan met één kaarsje per avond (M.B. 675:14).

 

17. Op vrijdagmiddag moet men de chanoekalichtjes aansteken vóór de Sjabbat-kaarsen.[52] Men moet ze aansteken ná plag hamincha. Men zegt eerst mincha.

Men moet zorgen dat er genoeg olie in de menora is, zodat de licht­jes zullen blijven branden tot een half uur na het uitkomen van de ster­ren.[53] Indien men daar niet voor gezorgd heeft, worden de berachot, die men gezegd heeft, beschouwd als nodeloos gezegd.[54] Wanneer men de menora in de deuropening geplaatst heeft, moet men iets tussen de menora en de deur zetten, zodat de wind de licht­jes niet kan uitblazen wanneer men de deur open of dicht doet.[55]

Aantekeningen bij § 17

[52]. Dit is volgens diegenen die menen dat men met het aansteken van de sjabbatkaarsen de Sjabbat geaccepteerd heeft en wanneer men dan daarna nog de chanoekalichtjes zou aansteken, zou men een verboden melacha op Sjabbat doen. Maar de meeste poskiem zijn het hier niet mee eens, maar menen dat het accepteren van de Sjabbat niet afhankelijk is van het aansteken van de sjabbatkaarsen, en daarom geldt, dat wanneer men de sjabbatkaarsen heeft aangestoken maar daarbij niet in gedachte had de Sjabbat de accepteren, men daarna de chanoekalichtjes kan aansteken. Dit alles geldt alleen voor een man die de sjabbatkaarsen aansteekt. Maar voor een vrouw geldt, dat men er in het algemeen vanuit gaat, dat wanneer zij de sjabbatkaarsen aansteekt, zij automatisch de Sjabbat accepteert (zie K.Sj.A. 75:4,6). Daarom steekt een vrouw niet de chanoekalichtjes aan, nadat zij de sjabbatkaarsen heeft aangestoken. In dat geval vraagt zij een ander voor haar aan te steken en die zegt ook voor haar de beracha Asjèr kiddesjanoe bemitswotav enz. Maar de beracha  Sjèasa nissiem  enz., en op de eerste avond ook de beracha sjèhèchejanoe mag zij zelf zeggen (M.B. 679:1 (En volgens de Taz geldt voor mannen, die ongetrouwd zijn en alleen wonen, de zelfde regeling als voor vrouwen (Sjaär Hatsioen 679:2).

[53]. Wanneer men niet voldoende olie heeft, opdat al de lichtjes zolang branden of indien de kaarsen niet groot genoeg zijn, dan probeert men er­voor te zorgen dat op zijn minst een lichtje lang genoeg brandt (M.B.679:2).

[54]. Men moet dan de lichtjes doven, er vervolgens olie bijvoegen en opnieuw aansteken, zonder beracha (M.B. 672:4).

[55]. Men moet er steeds voor oppassen dat men de menora niet ergens plaatst waar veel wind is en dit geldt nog meer voor Sjabbat, wanneer men de licht­jes niet opnieuw kan aansteken, wanneer zij zijn uitgewaaid (M.B.679:1)

 

18. Op zaterdagavond, motsei sjabbat, zegt men eerst hafdala en pas daarna steekt men de chanoekalichtjes aan.[56] In sjoel steekt men de chanoekalichtjes aan voordat men wejiteen lecha zegt.[57]

Aantekeningen bij § 18

[56]. In de synagoge steekt men de chanoekalichtjes aan voordat men hafdala maakt, en als men thuiskomt, steekt men eerst aan en daarna zegt men hafdala, want men heeft al hafdala gezegd in de Beit Knesset (Sj.A. en Rama 681:1).

[57]. Wanneer men vergeten is Ata chonantanoe te zeggen, zegt men baroech hamavdiel bein kodesj lechol en daarna steekt men de lichtjes aan. Daarna zegt men Wejiteen lecha en zegt de hafdala.

19. Voor iemand die niet thuis is [op het Chanoekafeest] geldt het volgende: wanneer hij weet dat zijn vrouw thuis de lichtjes aansteekt, dan steekt hij de lichtjes ook aan, daar waar hij zich bevindt, maar zonder beracha.[58] Bij voorkeur luistert hij naar de beracha van iemand anders, die ook de lichtjes aansteekt, en hij moet daarbij dan bedenken dat het zijn bedoeling is dat hij daarmee aan zijn ver­plich­tingen voldoet, en na de beracha zegt hij amein en daarna steekt hijzelf de lichtjes aan zonder beracha.

Iemand, wiens vrouw thuis de chanoekalichtjes niet aansteekt, en dat­zelfde geldt voor ongetrouwde jongelui die niet thuis wonen, maar [op kamers of] in een internaat[59] [of iets dergelijks], die steken zelf de lichtjes aan met berachot. Een andere mogelijkheid voor hen is om een aandeel te kopen in de olie, pitten of kaarsen van de hoofdbewoner, door hem daarvoor een paar centen [of meer] te geven.[60] De hoofdbewoner doet dan wat extra olie in het bakje voor de deelnemer.[61] Maar ieder moet proberen ook zelf zijn eigen chanoekia aan te steken.

Wie wel in de stad is, waar hij woont, maar niet thuis is op het tijd­stip dat men de chanoekalichtjes moet aansteken, die moet naar huis gaan en daar aansteken.[62]

Aantekeningen bij § 19

[58]. De Rama schrijft [in Orach Chaim 677:3] dat zo iemand de nadrukkelijke bedoeling moet hebben niet de mitswa te vervullen middels de lichtjes die zijn vrouw aansteekt, en dat hij zelf wèl de berachot moet zeggen voordat hij de lichtjes aansteekt. Vele andere autoriteiten accepteren deze redenering (zie ook de Misjna Broera 677:15-16).

[59]. Dit geldt met name voor een jongen die alleen eet, maar wanneer hij dicht bij de tafel van de baäl habait eet, dan wordt hij gerekend tot de leden van het huisgezin. En ditzelfde geldt voor bedienden. Zij allen hoeven niet zelf aan te steken, tenzij ze voor zichzelf willen verzwaren (M.B. 677:1).

[60]. Sommige poskiem zeggen dat dit alles alleen gold voor de tijd van de Gemara, toen men in de deuropeningen en op de binnenplaatsen aanstak. Maar tegenwoordig in onze streken, waar iedereen binnenshuis aansteekt, en ook  iedere gast, zelfs als hij getrouwd is, zelf aansteekt, geldt dat men in een internaat niet weet wie er thuis een vrouw heeft die voor hem aansteekt. En zo kan het gebeuren dat men verdenkingen krijgt. En tegenwoordig steekt iedereen zelf een menora aan. Maar de Mageen Awraham schrijft dat men hierin niet hoeft te verzwaren, maar dat alleen diegenen die alleen op een kamer wonen zelf moeten aansteken en anderen kunnen zich aansluiten bij de hoofdbewoner. En sommigen zeggen dat wanneer iemand vertrouwt op de leden van zijn gezin die thuis aansteken, dat hij dan toch een beracha moet zeggen als hij zelf een menora ziet, en weer anderen zeggen dat het goed is om op zijn minst zelf één lichtje aan te steken (M.B. 677:7-8).

[61]. Dit is omdat de gast geen vast lid van het huisgezin is (M.B.677:4).

[62]. En als hij niet weg kan van waar hij zich bevindt, moet hij zijn vrouw opdracht geven uit zijn naam aan te steken, want het is beter als zij zijn sjeliachi is (M.B. 677:12).

20. De olie die na Chanoeka in de menora is achtergebleven[63], en hetzelfde geldt voor de pitten, moet men verbranden,[64] omdat zij beschouwd worden als moektse – opzij gezet – te zijn speciaal voor de mitswa. Daarom is het verboden ze voor iets anders te gebruiken, tenzij men van begin af aan heeft bepaald, dat datgene wat overblijft niet als moektse voor de mitswa zal worden beschouwd.

Aantekeningen bij § 20

[63]. Dit geldt voor het geval dat men precies voor een half uur olie in de bakjes heeft gedaan, maar de lichtjes zijn halverwege uitgegaan en men heeft ze niet opnieuw aangestoken. Dan is de olie speciaal bestemd geweest voor de mitswa en is daarom moektse en men mag het niet voor iets anders gebruiken. Maar wanneer men meer olie in de bakjes heeft gedaan dan nodig is, en er blijft olie over dan mag men dat a priori gebruiken. Echter sommige poskiem zijn van mening, dat wanneer men zo maar wat olie in de bakjes heeft gedaan, zonder te bepalen wat voor de mitswa is en wat extra is, dan is alles van overblijft moektse (M.B. 677:18).

[64]. En men mag ze niet bewaren tot het volgende jaar (M.B. 677:19).

 

21. Alle acht dagen Chanoeka zegt men tijdens het Sjemoné Esré-gebed Al hanissiem. Wanneer men dat is vergeten geldt het volgen­de: Wanneer met zich de omissie realiseert voordat men de Sjeem Hasjem van de afsluitende beracha hatov simcha heeft uitgesproken, dan zegt men de beracha vanaf het begin opnieuw. Maar wanneer men zich de weglating pas realiseert nadat men de Sjeem Hasjem van die beracha al gezegd heeft, maakt men de beracha af en herhaalt niet.[65] (Voor de voorschriften voor Al hanissiem in het dankgebed na de maaltijd, zie hoofdstuk 44:16).

Aantekeningen bij § 21

[65]. Met moet echter Al hanissiem zeggen na de passage Elokai netsor, vóór [de laatste] jihejoe leratson als een verzoek. Dat wil zeggen, men begint met Taäsé lanoe nissiem… (M.B. 682:4)

22. Alle acht dagen Chanoeka zegt men heel Halleel, zegt geen tachanoen, en ook geen Keel erech apajim, geen lamenatséach en geen Tsidkatecha tsèdek. (Voor de regelingen voor Halleel in het huis van een rouwende, G-d verhoede, zie verderop, hfdst. 207:6.)

23. Iedere dag roept men drie mannen op voor de Tora-lezing over de offers van de vorsten in parasjat Naso [Bamidbar 7:1]. Op de eerste dag begint men voor de Cohen met Wajehi bejom kalot Mosjé te lezen, tot lachanoekat hamizbeach. Voor de Levi leest men: Wajehi hammakriev bajjom harisjon enz.  tot melea ketoret. En voor de Jisraël leest men: Par echad, enz. tot Ben Aminadav.

Op de tweede dag[66] leest men voor de Cohen  en de Levi de afdeling Bajjom Hasjlisjie, enz. En zo verder, iedere dag: voor de Cohen en de Levi leest men de afdeling van die dag, en voor de Jisraël leest men de afdeling die hoort bij de volgende dag.

Aantekeningen bij § 23

[66]. Hoewel men uit dezelfde afdelingen van Tora leest, zijn er zowel binnen als buiten Israël verschillende minhagiem voor het lezen op Chanoeka.

24. Op Sjabbat Chanoeka haalt men twee Tora-rollen uit de Ark. Uit de eerste leest men[67] de parasjat hasjawoea,[68] en uit de tweede leest men voor de maftier de afdeling van Chanoeka van die dag. Als Haftara wordt Rani wesimchi (Zecharja 2:14) gelezen. Wanneer er nog een Sjabbat in de Chanoeka-week valt, leest men als Haftara op die tweede Sjabbat uit I Koningen (7:40) over de Menora [in de Tempel van Koning] Salomo.

 Wanneer Rosj Chodesj Tewet op een werkdag valt, neemt men twee Tora-rollen [uit de Ark]. Voor de eerste roept men drie mannen op en leest voor hen de afdeling van Rosj Chodesj. Voor de vierde leest men uit het twee sefer  de afdeling van Chanoeka van die dag. [Deze volgorde is zo vastgesteld] omdat Rosj Chodesj vaker voorkomt dan Chanoeka en als regel geldt dat wat vaker voorkomt voorgaat. Daarom wordt de afdeling van Rosj Chodesj eerst gelezen.

Wanneer men zich vergist heeft en met de afdeling van Chanoeka is begonnen te lezen, dan hoeft men niet af te breken, maar men leest verder voor de opgeroepene, zelfs wanneer men nog niet begonnen is met lezen, maar de opgeroepene alleen nog maar de voorberacha gezegd heeft.[69] Voor de volgende opgeroepenen leest men dan de afdeling van Rosj Chodesj.

Wanneer men voor de eerste opgeroepene, zoals het hoort, de afdeling van Rosj Chodesj heeft gelezen, maar bij de vierde vergist men zich en roept die ook op voor Rosj Chodesj, dan geldt het volgende: Wanneer men slechts één Sefer Tora uit de Ark heeft gehaald, hoeft men niet verder te lezen. Dit geldt zelfs wanneer er al een beracha werd gezegd. Wanneer er echter twee Tora-rollen uit de Ark zijn gehaald, dan wordt een vijfde persoon opgeroepen en voor hem wordt uit het tweede Sefer de afdeling van Chanoeka gelezen, opdat men niet zal denken dat het tweede Sefer passoel – onbruikbaar – is. Na de vijfde voorlezing zegt men half-Kaddiesj.[70]

Aantekeningen bij § 24

[67]. Voor minstens zeven opgeroepenen (M.B. 684:5).

[68]. En daarna zegt men half Kaddiesj (M.B. 684:5).

[69]. Dat wil zeggen dat hij Baroech Ata Hasjem gezegd heeft [want zonder de Sjeem Hasjem is het geen beracha]. Maar wanneer hij de voorberacha nog niet gezegd heeft rolt men het sefer op en leest men eerst uit het sefer dat voor Rosj Chodesj bestemd is en dan zijn wij niet bevreesd dat dit een belediging is voor dit sefer, want daar wordt naderhand uit gelezen (zie Béoer Halacha 684:3, beg.w. Weïem taä wehitchiel).

[70]. Wanneer na de vierde afdeling kaddiesj is gezegd, wordt het niet nog eens gezegd na de vijfde (M.B. 684:16).

25. Wanneer Rosj Chodesj Tewet op Sjabbat valt, neemt men drie Sifrei Tora uit de Ark. Uit het eerste Sefer leest men voor zes opge­roepenen de parasjat hasjawoea; uit het tweede leest men voor de zevende opgeroepene de afdeling van Rosj Chodesj, waarbij men begint met: Oewejom hasjabbat (zie hoofdstuk 78:1 en 79:1), waarna men half-Kaddiesj zegt. En uit het derde Sefer leest men voor de Maftier de afdeling van Chanoeka van die dag. Als Haftara leest men Rani wesimchi.

Ondanks de regel dat de meest frequente voorgaat, hetgeen bij het Tora-lezen wordt toegepast, geldt dat niet voor de Haftara-lezing, omdat er slechts één Haftara gelezen wordt. Zodoende verdringt de Haftara van Chanoeka die van Rosj Chodesj, om het wonder van Chanoeka bekendheid te geven.