Home

Beknopte samenvatting van het boek Chafeets Chajiem

HOE MEN DE VERLOSSING KAN VERHAASTEN

Voorwoord (beknopt)

Klal Jisraël heeft het unieke voorrecht om door de Schepper van het heelal te zijn uitverkoren om Zijn Tora in ontvangst te mogen nemen. Dit was een onvergelijkbaar privilege, maar tegelijkertijd een formidabele verantwoordelijkheid. Omdat Klal Jisraël zondigde, werd het Beit Hamikdasj vernietigd en werden wij verbannen uit Erets Jisraël. Deze ballingschap duurt voort tot op deze dag. Het is passend om te vragen: welke overtreding is de hoofdoorzaak van onze voortdurende ballingschap?

Om een aantal redenen blijkt dat de hoofdoorzaak lasjon hara [kwaadsprekerij] is. Lasjon hara is de bron van veel haat, ruzie en zelfs bloedvergieten. De Talmoed (Joma 9b; Gittin 57b en Rasji t.p.) noemen lasjon hara als de oorzaak van de ballingschap. Daarom zullen wij niet verlost worden voordat wij dit euvel verholpen hebben.

Tora en Talmoed benadrukken beide de ernst van lasjon hara. De Tora (Dewariem 27:24, Rasji) spreekt een vloek uit over degenen die kwaadspreken over anderen, terwijl de Talmoed (Arechin 15b) lasjon hara vergelijkt met goddeloosheid. Behalve de inherente ernst van lasjon hara, wordt het nog verzwaard door de herhaling: iemand die niet zorgvuldig is met wat hij zegt, zal het verbod duizenden malen overtreden. Daarom zullen wij G-ds zegen absoluut niet waardig zijn, totdat wij zijn opgehouden met lasjon hara te spreken.

Na zorgvuldige observatie ben ik tot de conclusie gekomen dat het grote publiek zich er niet van bewust is dat zelfs een correcte negatieve verklaring over iemand lasjon hara is. Zelfs degenen die bekend zijn met de basisprincipes hebben een neiging om een excuus te vinden voor hun lasjon hara door verschillende bronnen verkeerd te citeren of verkeerd te interpreteren. Omgekeerd, gebrek aan kennis kan iemand misleiden en hem ertoe brengen te denken dat men zich alleen scrupuleus en in alle details aan deze mitswa kan houden wanneer men als een kluizenaar leeft. Deze en andere vergissingen hebben een toestand veroorzaakt, waarin slechts weinigen  zich weerhouden van het spreken van lasjon hara.

Tot nu toe was het voor iemand die zich wilde verdiepen in de talrijke wetten en voorschriften van lasjon hara, bijzonder moeilijk, omdat ze nimmer waren samengebracht in een enkel werk. Ik heb, met G-ds hulp alle wetten uit de Talmoed, Rambam, Sjaarei Tesjoeva, Sefer Mitswot Hagadol (Smag) en andere halachische bronnen verzameld in een enkel boekwerk.

Wanneer men deze wetten zorgvuldig bestudeert, zal men geleidelijk aan in staat zijn de gewoonte van lasjon hara om te buigen. Wanneer wij gezegend zullen zijn met deze verdienste, zullen wij de uiteindelijke verlossing verhaasten. Amein.

*  *  *

Ik realiseer mij dat sommige mensen het belang van de bestudering van dit boek zullen onderschatten, op grond van de volgende woorden van de geleerden: Het heeft de voorkeur dat iemand zondigt zonder dat hij weet dat hij iets doet dat verboden is, dan dat hij de overtreding begaat en zich dat realiseert (Sjabbat 148b). Zij vergissen zich. Dit principe geldt niet voor mitswot die expliciet in Tora genoemd worden (zie Orach Chajiem 608:2), zoals het geval is met lasjon hara en rechiloet. Bovendien spoort Tora ons aan om voortdurend te denken aan de straf die Miriam kreeg toen zij lasjon hara over Mosjé sprak. Volgens hen zou het de voorkeur hebben om daar niet meer aan te denken In werkelijkheid zal iemand een verandering in zijn spreekgewoonte bespeuren, wanneer hij deze wetten voortdurend bestudeert.

Er zijn mensen wier neiging om over anderen te roddelen zo sterk is, dat zij ten onrechte dit boek zullen gebruiken om hun lasjon hara te rechtvaardigen. Zij zullen wetten uit hun context rukken en er zich op baseren, zonder al de noodzakelijke voorwaarden. Over een soortgelijke aangelegenheid hebben onze geleerden (Bawa Batra 89b) het volgende vers geciteerd: De wegen van G-d zijn recht (zonder valkuilen); de rechtvaardige zal daarover wandelen en de zondaar zal er struikelen (Hosjaja 14:10). Ieder die de waarheid zoekt, zal haar vinden.

31 Ge- en verboden die betrekking hebben op lasjon hara kwaadsprekerij

volgens de Chafeets Chajiem

De Chafeets Chajiem noemt 31 ge- en verboden op die in Tora genoemd worden en die men kan overtreden wanneer men lasjon hara spreekt of daar naar luistert. Het aantal overtredingen zal van de omstandigheden afhangen, maar in ieder geval zal men iedere keer dat men lasjon hara spreekt, een aantal geboden overtreden. Ieder die deze lijst leest, zal zien dat het vermijden van lasjon hara niet slechts verdienstelijk is, maar een verplichting van de hoogste orde.

17  VERBODEN

1. Ga niet onder je volk rond als een roddelaar (Wajjikra 19:16).

Dit is het verbod dat speciaal gaat over lasjon hara en rechiloet. Lasjon hara is de uitdrukking die gebruikt wordt voor afbrekende of schadelijke uitlatingen. Rechiloet is de uitdrukking die gebruikt wordt voor een bericht over iets wat iemand gezegd of gedaan heeft. Beide zijn verboden, zelfs als het waar is. Net zoals een venter ( rocheel) met zijn waar van deur tot deur leurt, zo ook gaat een roddelaar van de ene persoon naar de andere om kletspraatjes op te pikken en bij anderen achter te laten (zie Rasji).

2. Verspreid geen vals gerucht (Sjemot 32:1)

Dit vers wordt ook wel weergegeven als: Neem geen vals gerucht aan (Pesachiem 118a). Dit verbod bant het spreken van en luisteren naar lasjon hara uit.

3. Neem u in acht voor de plaag van tsaraat (Dewariem 24:8).

Sifri legt uit dat dit vers over lasjon hara handelt, dat strafbaar is met tsaraat.

4. Leg geen struikelblok voor een blinde (Wajjikra 19:14).

Dit vers verbiedt ons een figuurlijk struikelblok op iemands pad te leggen. Wanneer iemand er de oorzaak van is dat een ander een overtreding begaat, overtreedt hijzelf dit verbod (Rambam, Sefer Hamitswot, verbod 298; Smag, verbod 168). Wanneer men lasjon hara spreekt of daarnaar luistert, begaat men niet alleen zelf de overtreding maar men veroorzaakt ook dat anderen zondigen. Wie lasjon hara spreekt veroorzaakt dat de luisteraar zondigt en wie luistert naar lasjon hara stelt de spreker in staat zijn overtreding te begaan.

5. Pas op dat je Hasjem, je G-d niet vergeet (Dewariem 8:11).

Dit is het verbod tegen verwaandheid (Sota 5a). Wie anderen belachelijk maakt, wordt in het algemeen gedreven door gevoelens van superioriteit. Wanneer hij zijn eigen fouten zou kennen, zou hij anderen zeker niet omlaag halen. De Talmoed (ibid) vergelijkt arrogantie met afgoderij en zegt dat wie deze eigenschap heeft, niet de wederopstanding bij de techiat hametiem zal meemaken.

De ernst van deze overtreding wordt nog versterkt als de spreker zijn eigen eer tracht te verhogen door die van een ander te verlagen. Onze Geleerden zl (Jeroesjalmi Chagiga 2:1) hebben verklaard dat zo iemand zijn aandeel in de olam haba de komende wereld verliest.

6. En je zult Mijn heilige Naam niet ontheiligen (Wajjikra 22:32)

Wij worden gewaarschuwd geen chiloel Hasjem te veroorzaken. Er zit een aantal aspecten aan dit verbod (zie Rambam, Sefer Hamitswot 63). Wanneer iemand een overtreding begaat, zonder daar fysiek genot van te hebben, dan wordt dat beschouwd als een opstand tegen Hasjem Jitbarach en een chiloel Hasjem. Het spreken van lasjon hara hoort thuis in deze categorie.

Een ander aspect van chiloel Hasjem met betrekking tot lasjon hara is de laksheid die betoond wordt ten opzichte van deze mitswa. Wanneer iemand per ongeluk varkensvlees gegeten heeft en een vriend zou hem daarop wijzen, dan zou hij dat onmiddellijk uitspugen. Wanneer iemand vermaand wordt dat hij lasjon hara spreekt, heeft hij echter duizend excuses en verklaringen. Hij zal zeggen dat wat dat hij gezegd heeft geen lasjon hara was en dat degene over wie hij gesproken heeft tot de categorie behoort over wie men mag praten. Niet alleen zal hij niet naar de vermaning luisteren, maar hij zal zich aangespoord voelen nog meer lasjon hara te praten. Deze totale veronachtzaamheid van één van G-ds geboden is een chiloel Hasjem.

Nog een ander aspect van chiloel Hasjem is dat een geacht persoon hierin overtreedt en anderen hem daarin volgen. Daarom, wie Tora studeert, heeft een nog grotere verplichting om op te letten op wat hij zegt.

7. Je zult je broeder niet in je hart haten (Wajjikra 19:17).

Wanneer je iemand in zijn aanwezigheid vriendelijk bejegent maar achter zijn rug om kwaad over hem spreekt, dan overtreed je dit verbod. Dit verbod heeft het alleen over verborgen haat (Sifra). Wanneer je openlijk aan iemand vertelt dat je een hekel aan hem hebt, overtreed je dit verbod niet, maar maak je je schuldig aan aan overtreding van de mitswa om je mede-Jood lief te hebben.

8-9. Je zult je niet wreken, noch enige wrok koesteren tegen de leden van je volk (Wajjikra 19:18).

Wanneer je kwaad bent op iemand omdat hij geweigerd heeft je een of andere gunst te bewijzen en je spreekt vervolgens lasjon hara over hem, dan heb je deze twee verboden overtreden, behalve dat je ook lasjon hara gesproken hebt. Want doordat je verteld hebt dat de persoon in kwestie geweigerd heeft je te helpen, heb je je schuldig gemaakt aan het koesteren van een wrok. En door over hem kwaad te spreken heb je je schuldig gemaakt aan wraakneming. Je bent verplicht het hele incident te vergeten.

Om de strekking van deze twee verboden te illustreren, vertelde een geleerde eens het volgende verhaal:

Verloren en verdwaald in de woestijn, ontdekte Gavrial eindelijk een man die een kudde kamelen leidde. Halfgek van dorst kroop Gavrial naar de man en smeekte hem om wat water. De kameeldrijver weigerde echter en liet Gavrial aan zijn lot over. Gavrial slaagde er uiteindelijk op wonderbaarlijke wijze in terug te keren naar de bewoonde wereld en werd spoedig zeer rijk. Op een dag kondigde de secretaresse van Gavrial aan dat een kameelhandelaar om een lening van hem wilde vragen om zijn kudde uit te breiden. Toen de man binnenkwam in Gavrials kantoor, herkende Gavrial hem onmiddellijk. Het was dezelfde man die hem in de woestijn, in zijn uur van nood geweigerd had te helpen.

Gavrial is verplicht de lening te verstrekken, zonder het incident in de woestijn zelfs in herinnering en ter tafel te brengen. Dit is een ware en moeilijke test voor de kracht van Gavrials karakter, maar het wordt van hem vereist door deze twee mitswot.

10. Eén getuige zal niet opstaan tegen een man voor enige misdaad of voor enige zonde (Dewariem 19:15).

Wanneer een enkele getuige zijn verklaring aflegt voor een Beit Din in een niet-financiële zaak, dan overtreedt hij dit verbod, behalve dat hij zich schuldig maakt aan lasjon hara. Bij financiële aangelegenheden heeft de verklaring van een enkel getuige wel praktische betekenis (het kan iemand tot een eed dwingen). Maar in niet-financiële aangelegenheden kan een Beit Din de verklaring van een enkele getuige niet accepteren. Dus de verklaring die hij aflegt, maakt slechts de reputatie van de persoon over wie hij spreekt, zwart, zonder dat het iets oplevert.

11. Volg niet een menigte om kwaad te doen (Sjemot 23:2).

Wanneer je je aansluit bij een groep om lasjon hara te spreken, dan overtreed je dit verbod (zie Sjaarei Tesjoeva 3:50).

12. Word niet als Korach en zijn aanhang (Bamidbar 17:5).

Dit vers verbiedt ons ruzie te maken (Sanhedrin 110a). Wanneer je er de oorzaak van bent dat een ruzie voortduurt, dan overtreed  je dit verbod.

13.   Je zult je naaste niet benadelen (Wajjikra 25:17)

Dit verbiedt ons iets te zeggen dat een ander beledigt of hem kwaad maakt (Bawa Metsia 58b). Sommige voorbeelden hiervan zouden kunnen zijn:

1. Iemand herinneren aan zijn vroegere misdaden;

2. Iemand beschaamd maken over zijn familie achtergrond;

3. Iemand uitlachen om zijn gebrekkige Tora-kennis;

4. Iemand beledigen om zijn lage maatschappelijke status;

5. Iemand vragen hoe hij op een bepaalde vraag zou antwoorden wanneer je weet dat hij daartoe niet in staat is.

Wanneer je lasjon hara spreekt over iemand in zijn aanwezigheid, dan overtreed je ook dit verbod, behalve dat je lasjon hara spreekt.

14. (Je zult je naaste berispen) zodat je wegens hem geen zonde draagt (Wajjikra 19:17).

Dit vers verbiedt ons anderen beschaamd te maken, zelfs wanneer wij hen privé vermanen (Erchien 16b). Een vermaning moet gedaan worden op een tactvolle wijze, die geen schaamte veroorzaakt. Wanneer je lasjon hara spreekt over iemand in zijn aanwezigheid en hem schaamte veroorzaakt, dan overtreed je dit verbod.

Wanneer je iemand in het openbaar vermaant, is je misdaad zo ernstig, dat je je aandeel in de Olam haba verliest (Bawa Metsia 59a).

15. Je zult geen enkele weduwe of wees verdriet aandoen (Sjemot 22:21).

Wanneer je lasjon hara spreekt over een weduwe of over wezen in hun aanwezigheid, onafhankelijk van hun maatschappelijke of financiële positie, dan overtreed je dit verbod.

16. Vervuil het land niet waarin je je bevindt (Bamidbar 35:33).

Dit vers verbiedt je om iemand die kwaad doet te vleien (De RAM, Baal Hatosfot en RSH Ben Gabirol). Wanneer je weet dat Reoeween een hekel aan iemand heeft, dan moet je Reoeween daarover vermanen. Wanneer je over die ander tegen Reoeween lasjon hara spreekt om bij Reoeween in het gevlei te komen, dan overtreed je dit verbod. Iemand die naar dit soort lasjon hara luistert, kan dit verbod ook overtreden. Het is zeer gebruikelijk voor mensen om met hun hoofd te knikken of hardop instemming te betuigen wanneer iemand hun lasjon hara vertelt. Dit soort vleierei wordt chanifoet genoemd en is een zeer ernstige overtreding (zie Sjaarei Tesjoeva 3:187-199).

17.  Vervloek een dove niet (Wajjikra 19:14).

Dit vers verbiedt ons om anderen te vervloeken met G-ds naam. Dat geldt ook voor het vloeken van een dove, dus zoveel te meer is het ons verboden om iemand te vervloeken, die kan horen (Chosjen Misjpat 27). Wanneer je lasjon hara spreekt over iemand in je boosheid, ben je licht geneigd hem te vervloeken.

14 GEBODEN

1. ' Gedenk wat de Eeuwige je G-d, Mirjam gedaan heeft onderweg toen jullie uit Egypte trokken (Dewariem 24:9)

De Tora gebiedt ons om met onze mond de straf in herinnering te brengen die Mirjam kreeg omdat zij lasjon hara sprak over Mosjé Rabeinoe (Ramban Commentaar). Er waren talrijke factoren die de ernst van Mirjams zonde en dus haar straf hadden kunnen verlichten:

1)     Zij sprak over haar broer die zij enorm liefhad.

2)     Zij had haar leven geriskeert om Mosjé te redden toen hij een baby was.

3)     Zij had hem, toen hij een kind was, opgevoed.

4)     Zij sprak in feite niet minderwaardig over Mosjé maar verminderde alleen de omvang van zijn grootheid.

5)     Daar zij niet in Mosjés aanwezigheid sprak, veroorzaakte zij hem geen schande.

6)     Zij sprak niet over hem in het openbaar, ze sprak alleen privé tegen Aharon, haar broer.

7)     Mosjé Rabeinoe was het toonbeeld van nederigheid bij uitstek en werd niet aangetast door dat wat Miriam over hem zei.

Niettemin, ondanks haar rechtvaardigheid, werd Mirjam gestraft met tsaraat. Iedereen die lasjon hara spreekt, overtreedt het gebod om te gedenken wat Hasjem Jitbarach met Mirjam gedaan heeft.

2. Heb je naaste lief als jezelf (Wajjikra 19:18).

De Tora verplicht ons om even zorgvuldig met de eigendommen en de waardigheid van anderen om te gaan als met die van onszelf. (Rambam Deot 5:3). Door lasjon hara te spreken of ernaar te luisteren toont men aan dat men het onderwerp van gesprek niet liefheeft, en zeker niet net zo lief  als men zichzelf liefheeft. Hoewel iemand zich bewust kan zijn van zijn eigen fouten, wil hij niet dat anderen daarover praten. Als iemand over zijn fouten vertelt, hoopt hij dat anderen datgene wat zij over hem horen, zullen verwerpen. Ieder die lasjon hara spreekt of het accepteert, overtreedt dit gebod.

3. Je zult je naaste rechtvaardig beoordelen (Wajjikra 19:15).

Dit vers gebiedt ons iemand het voordeel van de twijfel te gunnen, wanneer wij zien hoe hij iets doet dat zowel in zijn voordeel als in zijn nadeel geïnterpreteerd kan worden (Rambam, Sefer Hamitswot, Gebod 177).

Wanneer de gemiddelde mens die mitswot houdt, iets zegt of doet en de kansen om dat gunstig of ongunstig te beoordelen zijn aan elkaar gelijk, dan moeten wij hem gunstig beoordelen. Wanneer de persoon in kwestie een G-dvrezend mens is, moeten wij hem gunstig beoordelen, zelfs als de ongunstige kant zwaarder weegt dan de gunstige kant. Wanneer je veronderstelt dat het gedrag van deze persoon onjuist was en je vertelt dat aan anderen, dan overtreed je dit gebod, behalve dat je het verbod van lasjon hara overtreedt.

Vaak bestaat een verhaal uit uitsluitend ware feiten, maar omdat een en ander uit zijn verband werd gelicht, ontstaat een volkomen verdraaid beeld. Vele dingen werden ook gezegd of gedaan in boosheid, die onder normale omstandigheden nooit gezegd of gedaan zouden zijn. Het is niet fair om zulke gebeurtenissen te beoordelen, zonder de omstandigheden daarbij in aanmerking te nemen.

Een duidelijk voorbeeld van het bovenstaande is het volgende ware verhaal:

Iemand benaderde eens een rabbijn met de vraag of hij misschien een fotograaf  kende voor een feestelijke gebeurtenis die hij te vieren had. De rabbijn dacht even na en beval hem Reoeween aan, die hij persoonlijk kende, een eerlijke en G-dvrezende, hardwerkende fotograaf die ook nog goede kwaliteit leverde.

O nee, zei de ander, die moet ik niet. Waarom niet, vroeg de rabbijn verbaasd. Ik heb gehoord, vertelde de ander, dat hij op het bar-mitswa feest van Sjimons zoon pas halverwege het feest kwam opdagen. Nou, zo een onbetrouwbaar iemand wil ik niet. Een fotograaf hoort aanwezig te zijn aan het begin van het feest. Daar kon de rabbijn mee instemmen. Maar het verbaasde hem zeer. Reoeween stond bekend als een zeer serieuze vakman. Hoe weet je dat, was je op dat feestje? vroeg de rabbijn. Nee, ik heb het gehoord van een bezoeker die ik goed ken en de bandleider, een vriend van me, bevestigde het ook. Vreemd, dacht de rabbijn, maar daar hij geen andere fotograaf kende, werd daarmee het gesprek beëindigd. Diezelfde dag belde de rabbijn Reoeween op en vroeg hem wat er op dat bewuste bar-mitswa feestje was voorgevallen. Ja, zei Reoeween, dat herinner ik mij nog goed. Er was een andere fotograaf voor dat feest besteld en die was helemaal niet komen opdagen. Halverwege het feest hebben ze toen mij gebeld en hoewel ik erg druk met iets anders bezig was, heb ik alles in de steek gelaten en ben onmiddellijk naar dat feest gegaan. Ik wilde ze helpen.

4. Wanneer je broeder in jouw omgeving arm wordt en zijn middelen te kort schieten, dan zal je hem steunen (Wajjikra 25:35).

De Tora verplicht ons financiële hulp te bieden aan een mede-Jood om te voorkomen dat hij verarmt. Die hulp kan bestaan uit een gift, een lening of een bron van inkomen (Rambam Matnot Aniïem 10:7). Wanneer je lasjon hara vertelt, en als gevolg daarvan verliest iemand zijn baan of inkomen, dan heb je dit gebod overtreden.

5. Wijs je naaste terecht (Wajjikra 19:17).

Wanneer iemand je lasjon hara begint te vertellen en in plaats van hem terecht te wijzen help je hem door naar zijn verhalen te luisteren, dan overtreed je dit gebod.

Het is belangrijk dat je eraan denkt dat je de ander terecht moet wijzen zodra je je realiseert dat de ander lasjon hara  vertelt. Wacht niet totdat hij is uitgespreken. Ieder woord vormt een aparte overtreding en het is je plicht de ander te stoppen met zondigen.

6. En je zult je aan Hem hechten (Dewariem 10:20).

Dit gebod vereist dat wij ons in het gezelschap van Talmidei Chachamiem begeven, zodat wij van hun voorbeeld kunnen leren (Rambam, Deot 6:1-2). Wanneer je hun gezelschap niet zoekt, om je bij het gezelschap van kwaadsprekers te voegen, dan overtreed je dit gebod.

7. Heb ontzag voor Mijn Heiligdom (Wajjikra 19:30).

Wij zijn verplicht eerbied te betrachten wanneer wij een sjoel of beit hamidrasj betreden want die worden beschouwd als een mikdasj meat een klein Beit Hamikdasj (Jeraïem 344; Misjna Beroera 151:1). Ieder die lasjon hara in sjoel spreekt of in een beit  hamidrasj, overtreedt dit gebod.

8. Voor een grijsaard moet je opstaan en een bejaarde zul je met eerbied behandelen (Wajjikra 19:32).

Dit vers gebiedt ons een Tora-geleerde met eerbied te behandelen, zelfs als hij niet bejaard is, en een bejaarde, zelfs al is hij geen Tora-geleerde (Kedosjien 32b). Wanneer iemand lasjon hara vertelt over een Talmied Chacham of een bejaarde in zijn aanwezigheid, dan overtreedt hij dit gebood.

9. Je zult hem heilig houden (Wajjikra 21:8).

Dit vers verplicht ons respect te hebben voor kohaniem leden van de priesterlijke familie. Wanneer je lasjon hara over een kohen praat in zijn aanwezigheid, overtreed je dit gebod.

10. Eer je vader en je moeder (Sjemot 20:12).

Tora gebiedt ons eerbied voor onze ouders te tonen. Wanneer je lasjon hara over je vader of moeder spreekt, overtreed je dit gebod. Het verbod van dit vers omvat ook een oudere broer (Ketoebot 103a).

11. Hasjem, je G-d zul je vrezen (Dewariem 10:200.

Wij zijn verplicht ons te realiseren dat Hasjem Jitbarach op de hoogte is van iedere beweging die wij maken, en er is vergelding voor alles wat wij verkeerd doen. Iemand die niet op zijn woorden past, overtreedt dit gebod.

12. , , , En je zult ze je kinderen inprenten en erover spreken wanneer je in je huis zit en wanneer je onderweg gaat, en wanneer je ligt en wanneer je opstaat (Dewariem 6:7).

Met ieder woord van Tora dat je leert, vervul je een mitswa (zie Sjenot Eliahoe, Pea). Omgekeerd ieder woord van lasjon hara dat je spreekt, ben je schuldig aan bitoel Tora, d.w.z. dat je tijd, die je aan Tora-studie had kunnen besteden, verspild hebt.

13. Houd je verre van een leugenachtige zaak (Sjemot 23:7).

Wanneer je onwaarheden toevoegt aan de lasjon hara die je spreekt over iemand, overtreed je dit gebod.

14. Bewandel Zijn wegen (Dewariem 28:9).

Wij zijn verplicht ons te gedragen overeenkomstig de eigenschappen van Hasjem Jitbarach. Net zoals Hij genadig en meelevend is, zo ook moeten wij genadig en meelevend zijn (Sjabbat 133b). Eén van G-ds eigenschappen is Zijn hekel aan lasjon hara.

Toen Jericho werd veroverd, werd er een ban uitgesproken om enige buit van die stad te nemen. Toen zijn leger verslagen werd bij een volgende veldslag, werd Jehosjoea door G-d verteld dan de ban was overtreden. Jehoesjoea vroeg aan G-d naar de identiteit van de overtreder, maar G-d antwoordde: Ben Ik een verrader? Verdeel loten en vindt het zelf uit (Jehosjoea 7; Sanhedrin 11a). Ieder die lasjon hara spreekt, heeft nagelaten zich als G-d te gedragen en die overtreedt dit gebod.