Home

Halacha: Joodse Wet

Wat is eigenlijk Halacha?

Jodendom is niet alleen maar geloven in G-d, de mens en het universum. Jodendom is een allesomvattende manier van leven, gevuld met regels en gebruiken dat ieder aspect van het dagelijks leven betrefen: wat je doet als je ’s ochtends opstaat, wat je wel en wat je niet kunt eten, welke kleren je wel en welke je niet kunt dragen, hoe je je uiterlijk verzorgd, hoe je je zaken voert, hoe men Sjabbat en feestdagen viert en natuurlijk ook hoe je je gedraagt tegenover G-d en misschien nog het belangrijkste: hoe je je gedraagt tegen je mede­mens en tegen dieren. Dit geheel van regels en gebruiken staatbekend als Halacha.

Het woord ‘halacha’ wordt gewoonlijk vertaald met ‘Joodse wet’, maar een meer letterlijke vertaling (en meer toepasselijk) is ‘de weg die men wandelt.’ Het woord is afgeleid van de Hebreeuwse stam Hee-Lamed-Chaf, hetgeen ‘lopen’ of ‘wandelen’ betekent.

Sommige niet-Joden en niet-behoudende Joden bekritiseren dit wettische aspect van tradioneel Jodendom. Zij zeggen dat het de godsdienst reduceert tot een serioe rituelen, gespeend van geestelijke inhoud. Hoewel er zeker Joden zijn, die de halacha op deze manier in acht nemen, is dat niet de bedoeling van de halacha, en het is zelfs niet de juiste manier om de halacha in acht te nemen.

In tegendeel, wanneer op de juiste manier toegepast, verhoogd halacha de geestelijke inhoud in iemands leven, omdat het de meest triviale, wereldse handelingen, zoals eten en zich kleden, omzet in handelingen van religeuse betekenis. Wanneer mensen vragen hoe zij dichter bij G-d kunnen komen en hoe zij meer geeselijke inhoud aan hun leven kunnen geven, dan is het enige denkbare antwoord: neem de halacha meer in acht. Houdt kasjroet, steek Sjabbatkaarsen aan, zeg het dankgebed na de maaltijd. Wanneer je deze dingen doet, wordt je voortdurend herinnerd aan je relatie met het G-ddelijke en dan wordt het een integraal onderdeel van je hele bestaan.

Zijn deze wetten soms niet ongeriefelijk? Ja, natuurlijk. Maar als iemand om wie je geeft – bijvoorbeeld je vader of moeder of je echtgeno(o)t(e) je vraagt om iets ongeriefelijk of onplezierig te doen, iets wat je niet leuk vindt om te doen, zou je dat dan niet doen? Het is een erg oppervlakkige vorm van liefde zonder inhoud wanneer je niet af en toe iets onplezierig of ongemakkelijk wilt doen voor een ander. Hoeveel te meer zou je bereid moeten zijn om af en toe een ongemakkelijke of onplezierige opdracht uit te voeren die onze Schepper ons heeft opgedragen en Die deze taken uitsluitend voor ons eigen bestwil heeft ingesteld.

Bronnen van de Halacha

Het hart van de halacha zijn de onveranderbare 613 mitswot die G-d het Joodse volk in de Tora (de eerste vijf boeken van de Bijbel) gegeven heeft. Het woord ‘mitswa’ (meervoud: mitswot) betekent ‘gebod’. In de meest strikte betekenis heeft het betrekking op de geboden die in Tora genoemd worden; het woord wordt echter doorgaans gebruikt in een meer algemene betekenis, waarbij het alle wetten, gewoonten en praktijken van de halacha omvat, en vaak wordt het gebruikt in een zelfs nog lossere betekenis en dan bedoelt men er een goede daad mee. Vanwege dit dagelijkse gebruik maakt men er bij wijsgerige discussies zorgvuldig onderscheid tussen mitswot d’Oraita (een Aramees woord dat ‘van de Tora’ betekent) en mitswot d’Rabbanan (Aramees voor ‘van de rabbijnen’).

Sommige mitswot d’Oraita zijn duidelijk, expliciete geboden in de tekst van de Tora (je mag niet moorden; je moet deze woorden van Tora op de deurposten van je huis schrijven), andere zijn meer impliciet (de mitswa om een dankgebed na de maaltijd te zeggen, hetgeen wordt afgeleid van: „en je zult eten en verzadigd worden en de Eeuwige je G-d danken”), en sommige kunnen alleen maar door deductief redeneren worden afgeleid (dat een man geen incest met zijn dochter zal plegen, hetgeen wordt afgeleid van het gebod om geen incest te plegen met de dochter van zijn dochter).

Sommige mitswot overlappen elkaar, bijvoorbeeld: het is een positief gebod om te rusten op Sjabbat en een negatief gebod (een verbod dus) om geen werk te verrichten op Sjabbat.

Hoewel er geen 100% overeenstemming is over de preciese lijst van 613 mitswot (er zijn een paar kleine ver­schillen in de manier waarop sommige lijsten verwante of elkaar overlappende mitswot verdelen), is er volledig overeenstemming dat er 613 mitswot zijn. Dit getal is belangrijk: het is de numerieke waarde van het woord Tora (Tav = 400 + Wav = 6 + Reesj = 200 +Hee = 5) plus 2 voor de mitswot die al bestonden vóór Tora: „Ik ben de Eeuwige, je G-d” en „Je zult geen andere goden voor Mij hebben.” Er is ook volledige overeenstemming dat deze 613 mitswot te verdelen zijn in 248 geboden (een voor ieder botje en orgaan in het mannenlichaam, volgens de Talmoed) en 365 verboden (een voor iedere dag van het zonnejaar).

De meest geaccepteerde lijst is die met de 613 mitswot van Rambam in zijn Misjne Tora. In de inleiding tot zijn eerste boek van de Misjne Tora somt Rambam alle positieve en negatieve mitswot op. Daarna gaat hij verder en deelt ze in naar onderwerp.

Vele van deze 613 mitswot kunnen niet meer gehouden worden in deze tijd om verschillende redenen. Bijvoorbeeld, een groot aantal van de voorschriften hebben betrekking op de offers, die alleen maar in de Tempel gebracht kunnen worden en de Tempel bestaat niet meer. Sommige van de wetten hebben betrekking op een theocratische staat Israël, zijn koning, zijn opperste gerechtshof en zijn rechtsysteem en die kunnen niet nageleefd worden omdat er vandaag de dag geen theocratische staat Israël bestaat. Bovendien gelden sommige wetten niet voor alle mensen of op alle plaatsen. Landbouwwetten gelden alleen voor het Land Israël en andere wetten gelden alleen voor Kohaniem (priesters) en Levieten. De 19e/20e eeuwse geleerde Rabbi Israël Meïr Kagan, algemeen bekend als de Chafets Chaim, telt 77 geboden en 194 verboden die ook vandaag nog buiten Israël kunnen worden nageleefd.

Mitswot d’Rabbanan: Wetten, ingesteld door de Rabbijnen

Bovenop de wetten die rechtstreeks uit Tora komen (d’oraita) houdt de halacha ook wetten in, die werden ingesteld door de rabbijnen (d’rabbanan). Deze rabbijnse wetten worden ook mitswot (geboden) genoemd, hoewel zij geen deel uitmaken van de 613 mitswot d’oraita. Mitswot d’rabbanan worden even bindend beschouwd als de Tora-wetten, maar er bestaan verschillen in de manier waarop wetten d’oraita worden toegepast en wetten die d’rabbanan zijn.

Mitswot d’rabbanan worden doorgaans in drie categorieën ingedeeld: gezera, takkana en minhag.

Een gezera is een wet die is ingesteld door de rabbijnen, om te voorkomen dat de mensen per ongeluk een mitswa van Tora zouden overtreden. We noemen een gezera in het algemeen een „omheining” rondom Tora. Bijvoorbeeld: de Tora gebiedt ons niet te werken op Sjabbat, maar een gezera verbiedt ons zelfs een voorwerp te hanteren dat gebruikt wordt om een door Tora verboden handeling te verrichten (zoals een pen, geld en een hamer), want iemand die een dergelijk voorwerp vasthoudt, zou kunnen vergeten dat het Sjabbat was en er het verboden werk mee doen. Het woord is afgeleid van de stam Gimmel-Zajin-Reesj, hetgeen afsnijden of afscheiden betekent.

Een takkana is een regeling die geen verband houdt met een bijbelse wet, maar die is ingesteld door de rabbijnen voor het nut van het algemeen. Bijvoorbeeld: de gewoonte om iedere maandag en donderdag in het openbaar (in de synagogen) uit de Tora te lezen. Dit is een takkana, die is ingesteld door Ezra. De „mitswa” om kaarsen aan te steken op Chanoeka, een na-bijbelse feestdag, is ook een takkana. Het woord is afgeleid van de Hebreeuwse stam Tav-Kof-Noen, en betekent vastleggen, repareren, herstellen. Het heeft dezelfde stam als tikkoen olam”, reparatie van de wereld, of m.a.w., de wereld een betere plaats maken om te leven – een belangrijk begrip in alle takken van Jodendom.

Sommige takkanot verschillen van de ene gemeenschap tot de andere of van gebied tot gebied. Bijvoorbeeld, omstreeks het jaar 1000 G.J. stelde Rabbeinoe Gersjom Meör HaGola een takkana in, waarin polygamie  (veel wijverij) verboden werd, iets wat duidelijk door de Tora en de Talmoed is toegestaan. Deze takkana werd door alle Asjkenazische Joden, die in Christelijke landen woonden, waar polygamie verboden is, geac­cepteerd, maar het werd niet geaccepteerd door Sefardische Joden, die in Islamitsiche landen woonden, waar het is toegestaan dat men tot vier vrouwen heeft.

Een minhag is een gewoonte die ontstaan is om religieuze redenen en die lang genoeg bestaat om een bindende religieuze praktijk te worden. Bijvoorbeeld, de tweede, extra feestdag werd oorspronkelijk ingesteld als een gezera, zodat mensen die buiten Israël woonden en daardoor niet zeker waren op welke dag een feestdag viel, niet per ongeluk de mitswot van de feestdag zouden overtreden door die op de verkeerde dag te vieren. Nadat de wiskundig berekende kalender werd ingevoerd en er geen twijfel meer bestond over de dagen, was de tweede feestdag niet meer nodig. De rabbijnen overwogen destijds deze gewoonte te beëindigen, maar besloten die te handhaven als een minhag.

Het is belangrijk om op te merken dat deze „gewoonten” een bindend onderdeel vormen van de halacha, net zoals een mitswa, een takkana of een gezera.

Het woord „minhag” wordt ook wel in een lossere betekenis gebruikt, om aan te duiden dat een gemeente of een individu een bepaalde gewoonte heeft om sommige religieuze dingen te doen. Bijvoorbeeld kan het zijn dat het de minhag van de ene synagoge is om te staan bij bepaalde gebeds-onderdelen, terwijl het de minhag in een andere synagoge is om daarbij te blijven zitten. Ook in deze lossere betekenis is het in het algemeen gewenst dat iemand zijn eigen minhag volgt, zelfs als hij een andere synagoge bezoekt.

Het verschil tussen Tora-wet en Rabbijnse wetten

Zoals we gezien hebben omvat de Joodse wet zowel wetten die direct van Tora afkomstig zijn (zowel expliciet, impliciet als afgeleid) en wetten die werden ingesteld door de rabbijnen. In zeker zin echter zijn zelfs de wetten die door rabbijnen zijn ingesteld te beschouwen als Tora-wetten: de Tora geeft aan de rabbijnen de bevoegdheid om te onderwijzen en om te oordelen over de wetten en die te interpreteren en om nieuwe wetten te maken (Dewariem 17:11), zodat deze rabbijnse wetten niet nonchalant opzij geschoven kunnen worden omdat zij alleen maar „door mensen gemaakte wetten” zouden zijn (in tegenstelling tot G-ddelijke wetten). Rabbijnse wetten worden even bindend beschouwd als Tora-wetten, maar er zijn verschillen in de manier waarop we Tora-wetten en Rabbijnse wetten toepassen.

Het eerste belangrijke verschil is de kwestie van prioriteit: d’Oraita (van Tora) heeft voorrang boven d’Rabbanan. Wanneer twee d’Oraita-voorschriften met elkaar in conflict komen, dan zijn er regels van prioriteit die toegepast worden om vast te stellen welk voorschrift gevolgd moet worden; echter, wanneer een d’Oraita voorschrift in conflict komt met een d’Rabbanan voorschrift, dan heeft het d’Oraita voorschrift – het Tora-voorschrift – altijd voorrang. Vasten we op Jom Kippoer wanneer dat op Sjabbat valt? Tora schrijft voor dat we moeten vasten op Jom Kippoer en het is een Tora-verbod om op Sjabbat te vasten. Dus wat doen we in dat geval? Specifieke regels hebben voorrang boven algemene regels, dus het specifieke voorschrift om te vasten op Jom Kippoer heeft voorrang boven het algemene voorschrift om het aangenaam te hebben op Sjabbat en dus vasten we als Jom Kippoer op Sjabbat valt. Echter alle andere vastendagen op de Joodse kalender werden ingesteld door de rabbijnen en daar heeft dus het Tora-voorschrift om ons op Sjabbat te verheugen, voorrang en als een dergelijke vastendag op Sjabbat valt, wordt die vastendag verschoven naar een andere dag.

Het tweede belangrijke verschil is de striktheid van de navolging van de voorschriften. Als er twijfel (in Hebreeuws: safeek) bestaat of een bepaald voorschrift wel of niet gedaan moet worden, dan nemen we een strikt standpunt in (in Hebreeuws: machmier) betreffende dat voorschrift. Wanneer er echter een safeek is betreffende een Rabbijns voorschrift, dan nemen we een soepel standpunt in (in Hebreeuws: mekel). In het Hebeeuws zegen we dan de volgende algemene regel geldt: safeek d’Oraita leChoemra, safeek d’Rabbanan lekoele, d.w.z., bijeen Tora-voorschrift zijn we streng, bij een Rabbijns voorschrift soepel. Dit is makkelijk te begrijpen met een voorbeeld. Veronderstel dat je de ochtendgebeden zegt en je kunt je niet meer herinneren of je alle Psoekei d’Zimra en Sjema (twee belangrijke gebeden) gelezen hebt. Je bent in twijfel, safeek. Het lezen van Sjema in de ochtend is een mitswa d’Oraita, een Bijbels voorschrift (Dew. 6:7), dus je moet machmier zijn, en je moet het alsnog zeggen. Het lezen van de Psoekei d’Zimra daarentegen is een mitswa d’Rabbanan, dus daarvor mag je mekel zijn en je hoeft niet terug te gaan om het te zeggen als je niet zeker bent of je het gezegd hebt. Maar wanneer je zeker bent dat je ze geen van tweeën gezegd hebt, dan moet je teruggaan en ze allebei alsnog zeggen. Er is nu geen twijfel en dus is er geen plaats voor soepelheid.