Index Joods denken

Home

Hebben wij alle antwoorden?

Door Tzvi Freeman

Hoe besluit G-d wat ‘goed’ en wat ‘slecht’ is?

Vraag:

De vraag: „Hoe besluit G-d wat goed en wat slecht is” heeft voor mij (tot dusvere) bewezen een onover­ko­melijk obstakel te zijn om mij volledig aan de Joodse voorschriften te houden – inderdaad, om volledig te geloven. Het begrip van een schepper is makkelijk genoeg te begrijpen, want het is logisch. De volgende stap echter, het accepteren van een geïnteresseerde schepper, die doceert wat wel en wat niet moreel verant­woord is, vind ik moeilijker te accepteren. Mijn onvermogen om deze horde te nemen, verhindert me de laatste stap te nemen, namelijk het begrip te accepteren van een schepper die Joodse wetten maakt, die ik als Jood moet volgen. (Met dit in gedachte wil ik wel duidelijk maken dat ik mij, ondanks mijn scepticisme, bewust ben van mijn Joodse identiteit, kasjroet houd en voortdurend worstel met deze en soortgelijke vragen, in de hoop daarmee tot nu toe gesloten deuren naar geloof te openen.)

Gegeven deze conceptuele problemen, heb ik het moeilijk het antwoord van de Rabbijnen aan Jeremiahoe (in Joma 69b) te accepteren. Het is één ding om stil te blijven in het gezicht van de individuele uitoefening van de vrije wil, maar iets totaal anders om passief te blijven bij het zien van monsterachtig kwaad.1 Beschouw bijvoorbeeld het voor de hand liggende voorbeeld uit onze tijd – de Holocaust – of, voor wat dat betreft, ieder ander geval waarbij de kwaadaardige vrije keuze van mensen leidt tot ongekend lijden van andere mensen. Hoe onthult de goddelijke inactiviteit in zulke gevallen Zijn ontzagwekkendheid? Hoe kan men Jehoeda Bauers sardonische logica weerleggen dat „als G-d afwist van de Holocaust, hij het had kunnen stoppen, en het feit dat Hij dat niet gedaan heeft bewijst dat Hij een sadist is en ik wil niets met Hem te maken hebben.”?2

Antwoord:

Uw veronderstelling is dat er overal een antwoord op bestaat, totdat uiteindelijk alles beantwoord is.

Ik weet niet of dit noodzakelijk waar is. De Ba’al Sjem Tov was gewoon te zeggen dat hij voor ieder antwoord een andere vraag kon vinden. Ten slotte, wie zegt dat in het hart van de realiteit een gigantisch uitroepteken staat, een oplossing voor alle dingen? Misschien vinden wij, als we tot de essentiële kern van de kosmos konden graven, daar een vraagteken? Misschien ontdekken wij daar dat G-d over dezelfde vragen nadenkt als wij, maar dan op een of andere abstracte manier. Of zelfs in heel reële betekenis. En uit al die vragen schiep Hij de wereld.

U schrijft dat u het begrip van een Schepper logisch vindt. Ja, ons verstand wordt gedwongen dit idee te accepteren. Het alternatief is absurd. En vandaag de dag wijzen alle empirische bewijzen naar de conclusie dat de wereld inderdaad een begin heeft. Maar is het mogelijk dat iets gemaakt kan zijn uit niets? Past een absoluut begin werkelijk in ons begrip?

We hebben geen parallel in al onze realiteit voor een dergelijk fenomeen, geen handgreep om het aan vast te pakken. Ons overleven zelf is erop gebaseerd om van alles de oorzaak op te sporen en om van die oorzaak weer de oorzaak te zoeken. Deze relatie tussen verleden, heden en toekomst is de basis-construcite van onze wereld. En hier zeggen we dat heel deze wereld begonnen is zonder enig precedent, zonder enige reden dat hij er zou zijn en dat hij moest zijn zoals hij is en niet anders, geen enkele andere reden waarom iets, wat dan ook zou moeten zijn, alleen maar omdat „zijn Schepper dat zo wenste.” Wanneer het komt tot schepping, dan kunnen we niets anders doen dan verbijsterd achterover leunen en erkennen: hier is een wereld, die volgens zijn eigen regels er niet hoort te zijn. Hoe zorgvuldiger we deze wereld onderzoeken, des te meer verbijsterd we worden.

Toen Schrodinger3, Einstein, Planck4, Bohr5 en anderen oorspronkelijk met hun wiskundige modellen kwamen voor de structuur van het atoom, gaven zij toe dat het in werkelijkheid geen zin had om de tastbare materie onder hun voeten op deze manier te beschrijven. Het dualistische model van golven en deeltjes in het bijzonder had geen plaats binnen de rationele geest. Zij veronderstelden dat deze modellen incompleet waren en dat uiteindelijk de „verborgen variabelen” wel zouden worden ingevuld. Deze ontbrekende factoren zij nog steeds niet ontdekt. En praktisch alle natuurkundigen zijn gestop er naar te zoeken. Niemand verwacht nog iets zinnigs te kunen zeggen over de structuur van de materie. We kunnen alleen de resultaten die wij zien beschrijven – of zij logisch zijn of niet.

Voor wat het probleem van het kwaad betreft, met al onze antwoorden – sommige daarvan waren diepzinnig en verheven – het zijn alle antwoorden zolang het kwaad in een andere kamer zit. Maar zodra wij het kwaad in het gezicht zien, springen alle antwoorden uit het raam. En gelukkig maar, want zo niet, wie zou het kwaad bestrijden? Wie zou verontwaardigd zijn over iets dat keurig past in ons rationele schema van hoe de dingen horen te werken? Dus als G-d wil dat wij het kwaad bestrijden, waarom zou Hij dan willen dat wij het begrijjpen? En wanneer heeft Hij ooit beloofd dat Hij ons alles wat we willen zou laten begrijpen?

Hij wilde een wereld. Een transparante wereld is geen wereld. Wanneer wij overal waar wij kijken in ieder ding de hand van de Schepper openlijk zouden zien, waar zou dan de realiteit liggen die dit als een wereld definiëert? Wanneer de poppenkastspelers transparante poppen gebruiken, waar is dan de poppenshow? Dit is een fundamentele les van het Chabad-Chassidisme: De wereld (“Olam”) wordt gedefiniëerd door verhulling („helem” is van dezelfde ethymologie).

Dit gezegd te hebben, vertel mij eens, wat heeft het voor zin om hier te zitten en te weigeren nog een stap voorwaarts te zetten totdat alles is verklaard? Verklaard en comfortabel zitten binnen de geest van dit individu op dit moment en onder deze omstandigheden binnen een model waar hij momenteel bekend mee is? Wanneer heeft G-d een contract ondertekend dat Hij in iedere doos die wij voor Hem ontwerpen moet passen? Wie zegt dat Hij in wat voor doos dan ook moet passen?

Reden zelf houdt in dat er een grens is aan reden. Inderdaad, het doel van al het zwoegen van de mens in deze wereld is om hoger te reiken dan iemands eigen geest, hoger dan alle geesten. Niet tot een plaats waar de geest wordt genegeerd, maar tot zijn essentie, een essentie die trancedeert boven alle realiteit en waarvan­daan alle gedachten en realiteiten komen. En in alle ideeën en gedachten en in iedere dialoog  en filosofie van de wereld kan die essentie niet gevonden worden, maar alleen in het leven zelf, door het te leven en door de dingen te doen die je hier en nu moet doen.

En nu kom ik tot de kern van de zaak – en als ik erg bot klink, komt dat omdat het zo belangrijk is: wanneer je werkelijk met afschuw vervuld bent van wat er met ons volk in de afgelopen eeuw gebeurd is en van het huidige spectrum van kwaad in onze wereld van vandaag, hoe kun je dan blijven zitten filosoferen? Wie profiteert van je overpeinzingen en je gepieker? Hoe wordt de wereld daardoor veranderd? Hoe zal het Joodse volk weer aangevuld worden en de wereld met goedheid gevuld worden, zodat een dergelijke gruweldaad nimmer meer kan voorkomen?

Nog een antwoord en nog een antwoord zullen de wereld niet kunnen veranderen. Geloof kan het. Geloof dat G-d goed is en dat al zijn werken goed zijn. Geloof en vertrouwen dat we dat goede kunnen ontdekken en daarmee het gezicht van de wereld kunnen veranderen. Een geloof dat sterk genoeg is, zodat we de Bauers en andere cynici kunnen antwoorden en zeggen: „Ja, G-d wist af van de holocaust en Hij had het kunnen stoppen. Hij gaf het leven aan iedere nazi en blies Zijn ziel in ieder vernietigingskamp. En Hij kent het lijden en sterven van kinderen en Hij telt de tranen van de mishandelde vrouwen en Hij voelt de pijn van iedere man – en ik begrijp niet hoe dat kan en waarom dat zo is. Maar ik heb vertrouwen dat G-d goed is. Want zonder dat vertrouwen is er geen doel en dat is iets dat ik niet kan en niet wil accepteren.”

Met dat geloof en vertrouwen zullen we de wereld veranderen. Onze ogen zullen geopend worden en alle schepselen zullen zien dat alles goed is, ook achteraf bezien. Moge het heel spoedig zijn.

–––––––––––––––––––––––––––––––

1. In Traktaat Joma 69b wordt gevraagd: Waarom werden zij de „Mannen van de Grote Vergadering” genoemd?

De Gemara antwoordt: Zij herstelden de kroon van G-ds glorie. Mosjé zei (Dewariem 10:17): „De grote, de machtige, de ontzag­wekkende G-d.” Jeremiahoe zag de soldaten van Newoechadnetsar in de Tempel en vroeg: „Waar is G-ds ontzagwekkendheid?” Hij liet dat woord daarom weg in zijn gebed. Toen Daniël zag hoe het Joodse volk in Babylonië als slaven behandeld werd, vroeg hij: „Waar is G-ds macht?” En hij liet dat woord weg uit zijn gebeden. De Mannen van de Grote vergadering voerden weer in dat men moest zeggen: „HaE-l HaGadol HaGibor weHaNora – de Grote, machtige en ontzagwekkende G-d.”

Moeten wij dat nu ook nog zeggen, nu G-d Zijn gezicht voor ons verborgen heeft, de vreemde volken ons Huis verwoest hebben en ons onderdrukken?

De Rabbijnen zeggen dat het antwoord juist het tegendeel is. Dat het G-ds kracht en ontzagwekkende macht is, waarmee Hij Zijn woede beheerst, en die Hem weerhoudt, om de booswichten, die Israël onderdrukken, onmiddellijk te vernietigen. En zonder dat zou Israël niet hebben kunnen bestaan tussen de zeventig volken.

2. Zie o.a.: http://en.wikipedia.org/wiki/Yehuda_Bauer#Holocaust

3. Zie o.a. http://nl.wikipedia.org/wiki/Erwin_Schr%C3%B6dinger

4. Zie o.a. http://nl.wikipedia.org/wiki/Max_Planck

5. Zie o.a. http://nl.wikipedia.org/wiki/Niels_Bohr