Index Noachidische Geboden

Volgende blad

De zeven Noachidische Geboden

Les 1: Status van de Wet

Blad 1

Ik denk dat het hier vanavond een historisch gebeuren is. Voor ons eigenlijk een gewoon en natuurlijk gebeuren.

De tekst schrijft voor bij het veroveren van het land Kana’an in Deuteronomium 20: 10: „Als je ooit zult vechten, tegen wie dan ook, dan moet je beginnen met vrede aan te bieden.” 

De Talmoed vertelt ons wat deze vrede inhoudt: „Je moet vragen dat de mensen zich zullen houden aan en gedragen naar de Noachidische Wetten. Als ze zich bereid verklaren om deze te accepteren, dan mag je hun geen haar op hun hoofd krenken.”

Het blijkt inderdaad dat ze dat geweigerd hebben en in feite komt het erop neer, en de meeste mensen weten dat helemaal niet, dat de Sinaï, de Openbaring, daar niet zo maar voor het Joodse Volk was. Die was er voor alle mensen, want de Tora - dus in het algemeen de Bijbel, de Vijf Boeken van Moshe - is een benaming. Voor ons is het gewoon de Tora, letterlijk vertaald ‘de instructie of de instructies’ voor de mensen. Wij krijgen ook een instructieboekje als we een machine of een wagen kopen.

Ook Hij, de Schepper van Hemel en aarde, toen Hij klaar was met Zijn zaak, heeft Hij ons dat instructieboekje in handen gegeven, hoe het allemaal moet gebeuren. Dat is eigenlijk de letterlijke vertaling van het woord Tora. Het stamwoord van Tora, ‘hora’a’ betekent ook gewoon ‘onderwijzen en onderrichten’ hoe men zich praktisch zal gedragen.

Daar zijn dus 613 regels of wetsbepalingen gericht tot en opgelegd aan het Joodse Volk.

In dezelfde Tora worden zeven regels voorgeschreven en opgelegd aan alle andere mensen. Dus de Tora is gericht tot alle volkeren.

Wat vertellen die zeven regels ?

We krijgen zes verboden:

1. moord

2. diefstal

3. wreedheid ook jegens dieren

4. G’d vloeken

5. afgoderij

6.ontucht algemeen en in het bijzonder overspel en incest

en één gebod:

7. het invoeren van een rechtvaardige rechtspraak.

We merken dat drie van de zeven regels onze relatie met de medemens bepalen: doden, stelen en rechtspraak en drie regels bepalen onze verhouding met G’d:

het verbod op afgoderij, om G’d te vloeken en op ontucht en incest.

De meeste mensen in onze tijd denken i.v.m. partnerschap dat zij daar zelf over mogen beslissen. Dit is een verschrikkelijke vergissing. Daar beslist alleen Hij over.

Jouw lichaam is Zijn Bezit. Hij heeft aan de mens het recht op zelfbeschikking toegekend alleen maar en uitsluitend op materiële waarden zoals goederen en geld. Over deze dingen heeft de mens het eigendomsrecht gekregen. De mens heeft in geen geval eigendomsrecht gekregen over zijn lichaam. Dit zou het menselijke lichaam en uiteindelijk de hele menselijke persoonlijkheid, herleiden en vernederen tot de status van materiële goederen. Het lichaam van de mens is G’d zij dank het bezit van Hem en daar beschikt Hij over en Hij beslist met wie en op welke manier en in welke omstandigheden je met iemand wel of geen verhouding mag hebben.

In de zeven Noachidische wetten treedt heel erg opmerkelijk de G’ddelijke opdracht naar voren, zowel in verband met onze relatie met de medemens als in onze relatie met G’d zelf. Deze zelfde principiële regel constateren we ook in de tien geboden gericht tot het Joodse Volk. De stenen tafels waren verdeeld in twee kanten.

Op de ene kant waren vijf regels ingegraveerd in verband met de medemens en langs de rechterkant vijf regels in verband met G’d.

Het komt er duidelijk op neer dat ieder vergrijp tegen de mens meteen een vergrijp betekent tegen G’d.

Straks kom ik nog terug op dit levensbelangrijke principe.

Even tussendoor nog een woordje over het feit dat G’d in de Tora bijzondere regels voorschrijft voor het Joodse Volk en andere regels aan alle andere volkeren. Dit heeft in essentie te maken met het begrip ‘Shalom’ of Harmonie.

Want Harmonie impliceert verscheidenheid. Nemen we even een voorbeeld van hetgeen men een filharmonie of een filharmonisch orkest noemt. Het is alom bekend dat daarmee bedoeld wordt een groep musici met verschillende soorten muziekinstrumenten. Iedereen gebruikt daarbij zijn eigen instrument. Een voorwaarde is dat de hele groep geleid wordt door één en dezelfde dirigent en ook dezelfde partituur speelt. Moesten ze allemaal hetzelfde instrument gebruiken, dan is dat geen harmonie.

We leren dat principe van de ‘Menora’, de zevenarmige kandelaar. De Wet schrijft voor dat de kandelaar uit één stuk gesmeed moest worden. Het was verboden om eerst de onderdelen te maken en deze dan achteraf samen te stellen tot één kandelaar.