Vorige blad

Index Noachidische Geboden

Volgende blad

De zeven Noachidische Geboden

Les 1: Status van de Wet

Blad 2

Het principe van ‘Sjalom’ moest op die manier doordringen tot het Joodse Volk en ook tot alle andere volkeren.

De kandelaar moest uit heel veel en verscheidene onderdelen - zoals bloemen, bolvormige stukken, bekers, een voetstuk, drie pootjes en de lampjes - gemaakt worden. Het meest belangrijke onderdeel waren de lampjes, de bekertjes, waarin de olie en de pitten ingevoerd werden bij het ontsteken van de lichtjes, iedere avond.

Het meest eenvoudige element waren de drie pootjes, want die hadden de meest eenvoudige functie.

Al deze onderdelen komen te voorschijn uit één en dezelfde massa. Alle onderdelen hebben hun bijzondere taak voor één en hetzelfde doel: het ontsteken van de lichtjes in welke Hij Zijn Alomtegenwoordigheid manifesteert.

Dagelijks werd in alle zeven lampjes dezelfde hoeveelheid olie en dezelfde maat pitten ingevoerd. Zes daarvan brandden de hele nacht, tot de ochtend, maar één enkel lichtje bleef doorbranden tot de volgende avond.

Dit wonder geschiedde iedere dag in de Tempel in de woestijn en later ook in de stenen Tempel in Jeruzalem.

Inderdaad, de Talmoed stelt de vraag: waartoe diende die kandelaar? Heeft Hij behoefte dat wij voor Hem licht maken? Hij heeft voor ons licht gemaakt, 40 jaar in de woestijn. De vuurzuil om te belichten in de nacht. Moeten wij voor Hem licht maken in Zijn Huis in de Tempel?”

Het antwoord van de Talmoed is: „Het licht was er voor ons, helemaal niet voor Hem, opdat wij Zijn Alomtegenwoordigheid zullen merken in ons midden!”

Zo belangrijk was de ‘Menora’ en bij dit doel waren alle onderdelen van de kandelaar betrokken. Ieder onderdeel met z’n bijzondere en specifiek exclusieve taak.

De gedachte die bij zovele mensen, en ook bij zovele volkeren, leeft dat er maar één enkele waarheid bestaat en dat iedereen dezelfde taak heeft, is levensgevaarlijk.

De werkelijkheid spreekt dit tegen, want ieder mens is anders en exclusief. Er zijn geen twee mensen gelijk.

De Talmoed vertelt net zoals ons gelaat anders is, want iedereen heeft G’d zij dank zijn eigen gezicht, zo heeft iedereen zijn eigen karakter. Zo heeft iedereen zijn eigen verstand en zo heeft ook iedereen zijn eigen ziel. Iedereen heeft ook zijn eigen identiteit en zijn eigen ‘ik’.

De veelvuldigheid en de verscheidenheid zijn feiten. Het is de objectieve werkelijkheid zelf. Daarmee moet rekening gehouden worden.

Dat is dan ook de basis en de verklaring van deze twee bijzondere richtlijnen die de Tora voorgeschreven heeft: enerzijds voor de Noachieden en anderzijds voor de Abramieten of Israëlieten. Dit is de grondslag en het vertrekpunt voor het begrip ‘Harmonie’ of ‘Sjalom’.