Vorige blad

Index Noachidische Geboden

Volgende blad

De zeven Noachidische Geboden

Les 1: Status van de Wet

Blad 3

Ik wil hier even een passage vermelden uit de Talmoed en zodoende komen we eigenlijk naar de essentie van het onderwerp dat ik vanavond wilde behandelen als inleiding tot de volgende avonden over de Zeven Noachidische Wetten.

De Talmoed vertelt in de Midrash dat Hij, de Schepper van Hemel en aarde, oorspronkelijk woonde hier op aarde.

De meeste mensen vergissen zich daarover, want als men denkt aan G’d, dan denkt men automatisch aan de Hemel. De Tora vertelt dat het helemaal niet zo is. Zijn woonstede was bedoeld hier op aarde en niet in de Hemel

Met de eerste zonde van de mens vertrekt de G’ddelijke eer uit deze wereld op naar de eerste hemel.

Met de tweede overtreding: Kaïn vermoordt zijn broer naar de tweede hemel.

Met de derde: Enoch, hij vergrijpt zich aan afgoderij, naar de derde hemel.

Het geslacht van de zondvloed vergrijpt zich aan diefstal. Hij vertrekt naar de vierde hemel.

Achteraf komt de Toren van Babel en Hij gaat naar de vijfde hemel.

Sodom en Gomorra vergrijpen zich aan het invoeren van onrechtvaardig-heid. Gevolg Hij trekt zich terug naar de zesde hemel.

Vervolgens het geval met Sarah in Egypte waaruit blijkt dat men zich daar zonder meer vergreep aan overspel. Toen vertrok Hij naar de zevende hemel, op de verste afstand van deze aarde.

Toen kwamen er zeven rechtvaardigen. Die hebben de G’ddelijke eer hier op aarde teruggebracht. Deze rechtvaardigen waren: Abraham, Jitschak, Ja’akov, Levie, Kehos,  Amrom en Moshe.

Inderdaad met het verhaal over de Openbaring (Exodus 19) vinden we in de tekst dat G’d is neergedaald op de berg Sinaï. De volgende zin vertelt dat Moshe is opgestegen naar G’d toe. Dus de verbinding G’d - mens - G’d - aarde is op dat moment hersteld.

De Maharal was één van de grootste Joodse wetsgeleerden uit de 16e eeuw (1515-1609). Rabbijn in Praag in een verschrikkelijke tijd voor het Jodendom. Hij heeft erg veel werken nagelaten. In één van zijn boeken doet hij een onderzoek naar de zeven vergrijpen van Adam, Kaïn, Enoch, de zondvloed, de Toren van Babel, Sodom en Egypte. Hij komt tot de conclusie dat zij zich vergrepen hebben aan de zeven Noachidische Wetten.

De zevende heb ik nog niet toegelicht. Dat is gewoon wreedheid. In de teksten wordt dit vergrijp vermeld met het geval waar iemand vlees of bloed tapt van een levend dier.

De Maharal onderzoek wat de drijfveer kan zijn van een mens om zo iets te doen.

Hij licht het toe op die manier: er komt een man van het veld en heeft een verschrikkelijke honger. Hij heeft een schaap en dat moet hij slachten, stropen en schoonmaken. Daar zal hij - voor zijn honger alleszins - lang mee bezig zijn voordat hij rosbief op tafel heeft. Zolang kan hij - wil hij - niet wachten. Hij beslist meteen van het levende diertje ergens een stuk vlees af te snijden en te braden. De Maharal schrijft deze overtreding toe aan onbeheerstheid. De mens die zijn driften niet kan - wil - beheersen. De eis die G’d stelt en die centraal staat voor alle zeven Noachidische Wetten is het beheersen van de driften en begeertes. Dat principe wordt op de meest concrete manier benadrukt met dit zevende verbod.

Voor Adam had het verbod om vlees of bloed te tappen van een levend dier geen inhoud. Hij mocht helemaal geen vlees eten, hij moest vegetarisch eten.

Maar het principe om zijn begeerte te beheersen gold ook voor hem. De tekst vertelt inderdaad dat hij de vrucht van de boom van de kennis van goed en kwaad begeerde. De Maharal legt een verband tussen het verbod om vlees van een levend dier te snijden en het geval van Adam. Hij brengt ze allebei onder één en dezelfde noemer: onbeheerstheid. Hij kan, of beter gezegd, wil zijn begeerten niet beheersen.

 

Een jaar of tien geleden, toen ik op de Amsterdamse Academie voor Jodendom doceerde kwam er een bejaarde man met me mee uit Antwerpen om de cursus te volgen. Op zo’n cursus over het Jodendom waar zekere teksten behandeld worden uit de Tora, valt men regelmatig terug op de principiële eis om z’n begeerten te beheersen.

Deze man, een zekere meneer Wenger, kwam iedere week met het verhaal dat volgens hem de mensen helemaal niet de kracht en de bekwaamheid hebben om hun instincten en hun driften te beheersen. Iemand van de cursisten vroeg hem wat hij dan eigenlijk hier kwam doen en wat voor belang hij dan hechtte aan deze cursus.

Het antwoord was: “Ik vind die cursus prachtig. Ik vind het allemaal heel erg mooi en bewonderenswaardig, maar het is en blijft voor mij een zuiver theoretische zaak die praktisch niet uitvoerbaar is.”

Ik moet zeggen, dat ik mij gewoon onmachtig voelde tegen deze beweringen. Hoe kun je de mensen bewijzen dat het wel kan; dat ieder mens in principe zijn begeertes en zelfs zijn instincten kan beheersen.

Dit idee streelt veel mensen. Dan zijn ze vrij want het kan gewoon niet en dan ga je je gang maar. In Holland zeggen ze: “Doe maar, joh”.

Een zekere keer schoot mij een verhaal te binnen dat hij zelf in een krant had gepubliceerd over zijn persoonlijke ervaringen in Auschwitz. Toen zei ik tegen deze meneer: “Uit uw eigen levenservaring kan ik u bewijzen dat het wel kan.” Toen keek hij me zo aan en vroeg: “Hoe zou u dat doen ?”

Ik zei: “U weet destijds heeft u in de ‘Centrale’ in Antwerpen een tijd artikelen gepubliceerd over uw ervaringen in Auschwitz. Achteraf hebt u ze mij mondeling verteld met nog veel meer details.”

Het verhaal was zo dat deze man verantwoordelijk gesteld werd over een groep van 12 mensen. Hem werd duidelijk gesteld, dat in geval iemand uit de groep zou vluchten uit het kamp, hij dat zou bekopen met zijn leven. Men zou hem dan op staande voet ophangen. Hij kon - want hij mocht gewoonweg - niet nee zeggen. Hij moest het natuurlijk doen !  Op een zekere dag was het gebeurd. Een man uit deze groep was gevlucht. De hele groep moest de hele nacht in een verschrikkelijke kou - het was winter - op appèl staan. De volgende ochtend kwam de beslissing: “De hele groep zou opgehangen worden.” Toen is deze meneer, tegen alle regels in, uit de groep naar voren getreden met opgeheven wijsvinger. De regel was dat als iemand het durfde te wagen met één voet uit de rij te treden hij dan zo afgemaakt werd en dit meestal met stokslagen of gewoon met de kolf van een geweer.

Toch heeft deze man dit risico genomen en heeft hij dit toch gedaan. De SS-er trok meteen zijn wapen en vroeg hem wat hij daar deed. Toen zei hij: “Ik heb wat te vertellen.” Het antwoord luidde “Ga je gang maar, want we zijn benieuwd wat jij hier nog überhaupt te vertellen hebt.”

Hij zei toen heel erg rustig: “U weet toch dat jullie mij hier verantwoordelijk gesteld hebben in geval iemand zou vluchten. Nu is het gebeurd. Hangen jullie mij op. Ik zie niet wat deze mensen daarmee te maken hebben.” De SS-ers kwamen heel erg onder de indruk van de opofferingsgeest en de moed die deze man aan de dag gelegd had. De reactie daarop was een bevel aan de groep om terug naar hun barak te gaan om een nieuwe beslissing af te wachten. Zij moesten er nog eens over nadenken. De volgende ochtend werd uiteindelijk niemand opgehangen. Er werd hun een heel harde disciplinaire strafgymnastiek opgelegd waarbij overigens een man het leven liet.

Ik zei toen tegen deze meneer: “U weet erg goed dat er geen sterker instinct bestaat dan het instinct tot zelfbehoud. U hebt toch bewezen dat u in staat en bij machte bent om het allersterkste instinct in de mens te beheersen. Ik zou dan graag willen weten welk instinct u dan niet zou kunnen beheersen.

Het punt is dat dit allemaal afhangt van de wil. Hetgeen iemand echt wil, dat beheerst hij, want de sterkste kracht in de mens is de wil.”

De man bleef stil zwijgen. Ja, hij zweeg zich dood; de zaak was glashelder.

Op deze regel dat de mens zijn begeerten kan beheersen, berusten de eisen van de Schepper die Hij stelt aan de mens.

In een van de eerste publicaties van de Joodse codex, geschreven door Maimonides, worden natuurlijk ook de zeven Noachidische Wetten behandeld. Hij verklaart daar o.a. in dit verband:

“Niet-Joden of gewoonweg de Noachieden genaamd, die zich houden aan de zeven regels, verdienen de titel ‘de Vromen onder de volkeren’. Ze hebben daardoor ook een aandeel aan de toekomende wereld en verwerven het eeuwige leven. Daar is wel een voorwaarde aan verbonden, namelijk dat zij de zeven regels zullen uitvoeren omdat Hij, de Schepper van Hemel en aarde, het hun opgelegd heeft.