Vorige blad

Index Noachidische Geboden

Volgende blad

De zeven Noachidische Geboden

Les 1: Status van de Wet

Blad 8

Rabbijn S.R. Hirsch zaliger stelt daar een erg belangrijke en merkwaardige vraag. Eerst en vooral stelt hij dat het bekend is dat Egypte een sterk gestructureerd land was met een zekere cultuur. Deze cultuur kunnen we nog steeds bewonderen in verschillende gebieden. Zij hadden een codex, dus het ethische principe van recht en rechtvaardigheid werd daar toegepast. Daar werd geregeerd en het volksleven was goed georganiseerd. En dan stelt S.R. Hirsch zaliger, de volgende vraag: “Hoe is het te verklaren dat een volk, een regering, die het ethische en het morele principe van recht en rechtvaardigheid accepteert en toepast, alleszins in eigen kring, diezelfde ethiek en moraal met de voeten treedt en teniet doet in het geval van een minoriteit. Hoe kun je het principe van recht en rechtvaardigheid met twee maten meten. Hoe kun je tegelijkertijd rechtvaardig optreden tegen de ene en op de meest afschuwelijke, wrede, onrechtvaardige manier handelen tegenover de andere. Je mag hun kinderen verdrinken, je mag ze doodmaken, tot slaaf maken en hun hebben en houden in beslag nemen.”

Deze vraag eist een duidelijk en logisch antwoord.

Rabbijn S.R. Hirsch zaliger geeft daar een vlijmscherp antwoord op.

Het burgerlijk wetboek, zoals men dat noemt, is het product van de mens. Mensen hebben het gemaakt en samengesteld. Dat maakt dat het opperste gezag in de samenleving is gegeven aan de mens. Juist omdat de Codex en ook de Ethica en de moraal het product zijn van de mens, daarom kan hij - de mens - te allen tijde beslissen wanneer hij het wel of niet toepast. De mens die het hoogste gezag voert, beslist ook wie wel en wie niet zal mogen genieten van zijn product, van deze rechten.

De mens is heer en meester over het wetboek net zoals hij heer en meester is over alle andere producten die hij produceert met zijn grondstoffen in zijn fabrieken. Precies zoals hij beschikt en beslist over zijn materiële producten, zo bedeelt de mens zichzelf het recht toe om te beschikken en te beslissen over zijn geestelijke en culturele producten.

Het gevaar ligt precies in de burgerlijke status van de wet. Dit is de verklaring van Rabbijn S.R. Hirsch zaliger.

Deze verklaring gaf mij de sleutel tot de verklaring van mijn probleem met Maimonides en het probleem in de Midrash.

Een Noachied die de zeven regels toepast, maar dat doet omdat hij het logisch vindt, is op het niveau van burgerlijke wetten.

Deze regels zijn het product van zijn logica en hij is heer en meester over deze regels. Hij heeft dan ook het recht om er zelf over te beslissen wanneer en in welke omstandigheden hij ze wel of niet zal toepassen.

Juist daarom verklaart de Rambam dat hij dan zeker niet de titel verwerft van ‘de Vrome onder de volkeren’. Hij is helemaal niet vroom want hij ontkent de G’ddelijke status van de regels die Hij de mensen voorgeschreven heeft.

Dit is ook de oplossing van het verhaal in de Midrash. Hetgeen alle volkeren toen geweigerd hebben is niet het verbod zelf over de menselijke verhoudingen. Hetgeen ze weigeren dat is de G’ddelijke status van hetgeen zij de burgerlijke wetten noemen.