Vorige blad

Index Noachidische Geboden

Volgende blad

De zeven Noachidische Geboden

Les 1: Status van de Wet

Blad 9

De Tora verbiedt te stelen, het burgerlijk wetboek verbiedt dat ook.

Alleen is er een grotere kloof en een oneindig grotere afstand tussen het verbod ‘je mag niet stelen’ in de Tora en het verbod ‘je mag niet stelen’ in het burgerlijk wetboek dan tussen hemel en aarde.

Deze leerstellingen van de Midrash en gecodificeerd door de Rambam en later door alle andere codificatoren is een heel erg ernstige en diep bewonderenswaardige benadering van de relatie van de mens met G’d. De gewone normale dagelijkse verhouding met de medemens is een puur G’ddelijke zaak. Je relatie tot G’d loopt via de medemens.

Dit is een revolutionaire visie op het begrip van godsdienst en ook tegelijkertijd op de essentiële waarde van de wet.

Wetten moeten er zijn hoe dan ook, tegen wil en dank. Dat is geen punt en daar zal iedereen, wie dan ook en waar dan ook, ook mee akkoord gaan.

Maar het meest belangrijke is niet zozeer de wet zelf, maar de status die aan de wet is toegekend.

Persoonlijk heb ik daar echt diep over nagedacht en ik ben tot de conclusie gekomen dat mensen helemaal niet bij machte zijn om echt eerlijk te zijn als ze de G’ddelijke status van de wet niet erkennen.

Het hindert en staat echte en ware eerlijkheid in de weg.

Tenslotte is dan de mens zelf heer en meester over de wet en dat sluit iedere vorm van absolute eerlijkheid definitief uit.

De mens is alleen en uitsluitend in staat om echt eerlijk te zijn, met zichzelf, met zijn medemens en met G’d, op voorwaarde dat hij de G’ddelijke status erkent van hetgeen men algemeen en ten onrechte de burgerlijke wetten noemt.

Waar het om draait is dat men dan de wet een objectieve en absolute waarde moet toekennen.  Net zoals Zijn bestaan absoluut is, zo zijn Zijn Wetten ook absoluut en G’ddelijk.

Het zou niet anders kunnen, want deze wetten, die heeft Hij voorgeschreven. Met absoluut wordt bedoeld dat Hij bestaat uit zichzelf.

Juist daarom is alles, wat dan ook, in ons bestaan afhankelijk van Hem.

Om het begrip ‘absoluut’ te illustreren geef ik meestal het voorbeeld van de warmte die het vuur uitstraalt. Als we water koken dan is dat water ook warm. Maar er is een hemelsbreed en onoverbrugbaar verschil met de warmte die van het vuur komt. Het vuur is ‘absoluut’ warm, het water niet. Met absoluut wordt bedoeld dat het vuur van zichzelf warm is. Het water wordt verwarmd en blijft warm zolang de uitstraling van het vuur op het water inwerkt. De ware toedracht van de zaak zit zo dat ook als het water kookt, ook dan is de warmte helemaal niet aan het water toe te schrijven, maar aan het vuur. In essentie is er ook dan voor het water niets veranderd.

Het begrip absoluut houdt in dat de zaak niet verwekt wordt door een element dat van buitenaf op de zaak inwerkt.

Dragen we dit principe over op het begrip ‘Bestaan’ dan komt het erop neer, dat met ‘absoluut bestaan’ bedoeld wordt ‘Hij, die bestaat uit Zichzelf’!