Vorige blad

Index Noachidische Geboden

Volgende blad

De zeven Noachidische Geboden

Les 2: Het verbod op afgoderij

Blad 14

Het absolute ontkennen van het bestaan zelf van G-d en  iedere vorm van G-ddelijkheid  Deze regel is de ergste overtreding. Men schrijft alle bestaan toe aan het toeval en aan de ‘big bang’. Deze gedachte is gewoon irrationeel en überhaupt de grootste absurditeit die men zich kan indenken. En dit gebeurt in de ‘moderne, beschaafde maatschappij’ die boogt op wetenschap en logica. Deze gedachte wordt tegenwoordig onderricht op de lagere scholen, in het voortgezet onderwijs en zelfs ook nog op de universiteit.

Men is wat deze laatste regel betreft er heel erg op achteruit gegaan in vergelijking met de oudheid en de middeleeuwen.

En op dat punt zijn de ‘onbeschaafde’ volksstammen in Centraal Australië, Centraal Afrika en in de Oost Aziatische gebieden er veel en veel beter aan toe.

In onze moderne tijd kan iemand een erg belangrijke titel dragen en bekleed zijn met een heel belangrijke functie, en zich toch vergrijpen aan het meest primitieve heidendom.

Deze mensen, hun titel, hun kennis en hun functie ten spijt, ontkennen het meest evidente, logische principe, dat niets zomaar uit zichzelf kan ontstaan.

Men vertelt van de Rambam (Maimonides 1135-1205), dat hij regelmatig uitgedaagd werd door zekere wijsgeren en filosofen om te discussiëren over het bestaan van G’d.

Daarbij bleven deze wijsgeren hardnekkig op hun standpunt staan dat de materie een absoluut bestaan leidt en dat dit Heelal aan de willekeur van het toeval toe te schrijven was.

Uiteindelijk praatten ze langs elkaar heen. Ten einde raad kwam de Rambam op een zekere dag naar hun toe met een prachtig schilderij en zette het voor hen neer om het ze te laten bewonderen. Toen ze informeerden wie het gemaakt had, beweerde de Rambam met stelligheid dat er geen mensen hand mee gemoeid was. Hij, de Rambam, had heel toevallig dit doek in zijn huis liggen. Op een tafel rond het doek stonden heel toevallig wat potjes verf. Toen stootte iemand, ook toevallig, tegen de tafel waarbij de potjes verf omvielen en op die manier ontstond dit kunstwerk.

Het spreekt vanzelf dat niemand van deze geleerden geloof hechtte aan zijn verhaal.

Toen zei de Rambam: Dat dit schilderij toevallig en uit zichzelf zou kunnen ontstaan, geloven jullie in geen geval. Dit nu is een dode materie, een doek en wat verf en toch zal, en kan ook niemand accepteren dat het uit zichzelf is ontstaan en terecht.

Maar wat betreft deze hoogste volmaakte en springlevende Schepping durven jullie stellig te beweren ervan overtuigd te zijn dat ze zo maar toevallig uit zichzelf ontstaan is.”

Het blijkt duidelijk dat het probleem niet de Schepping of de Schepper is, het probleem is de mens. Hoe is het te verklaren dat mensen, die op sommige gebieden bewijzen in het bezit te zijn van een doelmatig functionerend en gezond verstand, voor de dag komen met de meest onvoorstelbare absurditeit als het bestaan van G’d of het ontstaan van de wereld ter sprake komt ?

Maar daarover een andere keer en dan zullen we ook het begrip van de heidense mentaliteit behandelen.

Ook die leeft voort in onze samenleving en wel op de meest scherpe manier.