Vorige blad

Index Noachidische Geboden

Volgende blad

De zeven Noachidische Geboden

Les 3: De G’ddelijkheid van het Recht

Blad 16

Als we nu weer naar de tekst kijken in het licht van deze korte toelichting over Zijn namen, dan zien we het volgende: want HaShem - dus de permanente Schepper, de Onbegrensde, de Almachtige, de Absolute - Hij is het Die de structuren bepaalt en de opdrachten van alle G’ddelijke wezens, de engelen.

Hij is de Heer over alle heren (met heren wordt bedoeld alle gezagvoerende krachten waaronder ook de natuur).

Ze functioneren allemaal als instrumenten in Zijn handen.

Deze machtige, deze grote en sterke en meest ontzagwekkende G’d, Hij is niet omkoopbaar. Daarmee wil Hij, op een vlijmscherpe manier, ingaan tegen de praktijken van de meeste volkeren.

Praktijken die eruit bestaan om veel eer aan Hem te betuigen, om mooie, ontzagwekkende, religieuze gebouwen op te richten, religieuze ceremoniën en rituelen in te voeren, enz.

Waarbij men zichzelf het recht voorbehoudt om te beslissen over de verhoudingen met de medemens. Men zegt (stilzwijgend) tegen de Schepper “Jij bent Heer en Meester over de Hemel, maar hier op aarde hebben wij het voor het zeggen. Hier zijn wij de baas.”

Men huldigt Hem in daartoe dienende gebouwen en ook op vastgestelde tijdstippen. Mensen zijn best bereid om aan deze dingen veel geld en energie te besteden. Al deze zaken zijn de mooie cadeautjes en steekpenningen die men Hem denkt aan te bieden. Juist vanwege deze tendensen en dit soort praktijken zegt Hij dat Hij niemand bevoordeelt en dat Hij niet omkoopbaar is. Maar wat Hij het belangrijkst vindt, zegt Hij in de volgende zin (Deuteronomium 10: 18): “Die het recht beoefent voor wees en weduwe, de vreemdeling bemint en hem brood en kleren schenkt.”

En in zin 19: “Bemint dus de vreemdeling, want gij zijt ook vreemdelingen geweest in het land van Egypte”.

In de volgende zinnen (Deuteronomium 10 en 11 t/m zin 25) bedoelt Hij: “Jullie hebben het aan den lijve ondervonden dat Ik in Egypte ingegrepen heb voor het onrecht dat jullie werd aangedaan. Daarom stel Ik de onvoorwaardelijke eis dat jullie Mijn regels ook wat betreft het recht, de rechtspraak en de rechtvaardigheid letterlijk zullen toepassen. Jullie hebben de ervaring opgedaan bij de uittocht uit Egypte dat de regels van het menselijk recht een G’ddelijke zaak zijn, het zijn G’ddelijke regels.

Het is inderdaad zo dat de Tora helemaal geen civiele wetten erkent. Er bestaat een heel nauw verband tussen de heidense gedachte enerzijds dat de natuur los staat van G’d en zelfstandig functioneert en anderzijds het recht dat de mens zich toeëigent om zelf de principes van recht, moraal en ethiek vast te leggen, te bepalen.

Heidendom en afgoderij werden voornamelijk om deze redenen ingevoerd. De mens wilde hier op aarde het opperste gezag voeren en in het verleden heeft deze ambitie geleid tot de meest primitieve vorm van afgoderij.

In deze moderne tijd in de beschaafde wereld, heeft diezelfde ambitie geleid tot een gecamoufleerde en geraffineerde vorm van afgoderij.

Men heeft de oude afgod van zijn voetstuk gehaald en vervangen door een moderne afgod.

Men heeft de oude afgod van zijn voetstuk gehaald en vervangen door een moderne afgod.