Vorige blad

Index Noachidische Geboden

Volgende blad

De zeven Noachidische Geboden

Les 3: De G’ddelijkheid van het Recht

Blad 18

Uit het verhaal van Adam en Eva blijkt ook hoeveel belang Hij hecht aan de gewone menselijke verhoudingen.

Hij, de Onbegrensde, de Almachtige, houdt zich met de meest gewone menselijke dingen bezig.

Hij bezorgt een vrouw aan Adam en Hij zegent hun huwelijk in met de wens dat ze vruchtbaar zullen zijn en zich zullen vermenigvuldigen.

Dat maakt juist de grootheid van de Schepper, dat Zijn allereerste belangstelling gericht is op wat er hier op aarde gebeurt en hoe de mensen zich gedragen. De meeste mensen denken dat het hun eigen zaken zijn waarover zij het liefst zelf beslissen en daarom loopt juist alles verkeerd.

Het meest flagrante voorbeeld is de rechtspraak zoals die in Rusland beoefend werd.

Mensen werden gewoon op de meest brutale manier op valse beschuldigingen gevangen gezet, gemarteld en ter dood veroordeeld.

Arthur Koestler vertelt in zijn boek ‘Le zéro et l’infini’ over een oude revolutiestrijder die ook naar aanleiding van een willekeurige valse beschuldiging gearresteerd werd. Deze oud-strijder stelde tijdens het zogenaamde proces de volgende vraag aan de rechtbank: “Wat heeft deze rechtspraak nog met recht te maken?  Waar halen jullie het recht en het gezag vandaan om mensen zo maar af te slachten en dan nog onder het mom van ‘justitie’?”

Hijj kreeg het volgende antwoord: “Er zijn zoveel natuurrampen waarbij enorm veel mensen om het leven komen, zomaar, zonder reden, doelloos. Dat soort dingen wordt normaal gevonden. Wat wij hier doen is doelbewust bedoeld als experiment om een betere maatschappij te scheppen. Dan mogen wij toch zeker optreden met een absoluut gezag en beslissen over leven en dood van de burgers in het belang van de maatschappij?”

Dat kan alleen maar gebeuren wanneer het opperste gezag aan de mens toegekend wordt.

In zijn analyse van de bovengenoemde Midrash verklaart de Maharal de structuur van de zeven Noachidische regels. Hij verdeelt ze in twee groepen:

a. drie wetten die de houding van de mens tegenover G’d bepalen, i.e. ontucht afgoderij, het vloeken van G’d.

b. Drie wetten die de verhouding van de mens met z’n medemens regelen: diefstal, rechtspraak, moord.

Hij verklaart verder dat G’d de sterkste band heeft gesmeed met de aardse wereld en in het bijzonder met de mens.

Deze intieme band met G’d heeft de mens op drie niveaus gekregen.

Op het fysieke niveau, op het geestelijke niveau en op het niveau waar de synthese tussen het lichamelijke en het geestelijke wezen in de mens plaatsvindt.

G’d heeft de mens anders geschapen dan alle andere schepselen. Bij het scheppen van de dieren staat er geschreven (Genesis 1: 24): “En de aarde zal levende wezens voort-brengen.” Deze worden meteen geschapen als levende materie. Bij het scheppen van de mens was dat niet het geval. Daar staat geschreven en wordt ook toegelicht hoe het ge-gaan is (Genesis 2): “Toen schiep G’d de mens, stof uit de aarde en dan achteraf blies Hij hem, door zijn neusgaten, een levende ziel in en toen werd de mens een levend wezen.”