Vorige blad

Index Noachidische Geboden

Volgende blad

De zeven Noachidische Geboden

Les 3: De Gddelijkheid van het Recht

Blad 20

Het zevende gebod heb ik toegelicht in een vorige les. Het betreft het feit dat de mens à priori het principe moet accepteren dat hij begaafd is met de mogelijkheid zijn begeerten en ook zijn instincten te beheersen. Deze regel wordt ook in de laatste van de tien geboden naar voren gebracht. (Exodus 20:24).

Overal in de Tora vinden we teksten terug waaruit de betrokkenheid van Gd met het aardse leven blijkt: Koning David  Psalm 136 een lof- en danklied gericht tot Gd.

In deze Psalm bezingt de psalmist de grootheid van de Schepper als Heer en Meester over alle krachten, als Schepper van Hemel en aarde met alle hemellichamen, Zijn activiteiten en Zijn bovennatuurlijk historisch ingrijpen bij de uittocht van het Joodse Volk uit Egypte; hoe Hij het Volk door de woestijn leidt en daar iedereen liquideert die zich tegen Zijn Volk verzet; hoe Hij achteraf het gebied van diezelfde mensen overdraagt aan Zijn Volk; hoe Hij ons altijd verlost heeft van onze verdrukkers en eindigt en besluit met de grootste lof aan Gd, omdat Hij persoonlijk voorziet in de behoefte aan voedsel en brood voor alle schepselen die van vlees en bloed gemaakt zijn.

De Tora vertelt ook dat toen Eva een kindje kreeg, ze hem Kaïn noemde. Want, zo zei ze ik heb een kindje verworven samen met Gd. In het Hebreeuws is het woord Kaïn afgeleid van kinjan = verwerven of zich eigen maken.

Bij het verwekken van een kind zijn er drie compagnons - dit vertelt de Talmoed in toelichting op deze zin in Genesis 4:1: de vader, de moeder en Gd.

Het meest belangrijke krijgt het kindje van Hem: de ziel.

Als de mens overlijdt neemt Gd Zijn deel terug en hetgeen overblijft is van de ouders. Het meest essentiële en het meest waardevolle in de mens krijgt hij van Gd.

Als de mensen met liefde bezig zijn, denken ze aan alles behalve aan Hem. Maar Chava (Eva), de vrouw van Adam, wist het wel en zij was Hem daar heel erg dankbaar voor.

Waar het uiteindelijk op neer komt met de zeven Noachidische geboden, is dat men moet erkennen en inzien hoe zeer Hij betrokken is bij alle gewone aardse dingen, bij alles hier op aarde en in de natuur.

Het is zo dat in de Schepping alles geschiedt naar de wil en onder het gezag van Hem Die het allemaal geschapen heeft.

Alles functioneert in Zijn handen als een instrument zoals de bijl in de handen van de houtakker. Van de mens, het enige schepsel dat vrij is om te beslissen, wordt verwacht dat hij dat zal inzien en erkennen en de regels zal toepassen in zijn dagelijks leven. Op die manier functioneert de mens en leeft hij in dienst van Gd. Maar dat geschiedt dan vrijwillig met hart en ziel.