Vorige blad

Index Noachidische Geboden

Volgende blad

De zeven Noachidische Geboden

Les 4: Het Democratisch systeem en de G’ddelijke Waarden.

        Blad 21

In het vijfde boek van de Tora, 1:17 staat het volgende geschreven:

“Jullie zullen niemand bevoordelen bij een rechtszaak, zowel de kleine als de grote rechtszaak zullen jullie aanhoren en behandelen; jullie zullen voor geen mens bang zijn want “het recht hoort G’d toe en de moeilijkste zaken zullen jullie Mij voorleggen en Ik zal deze aanhoren en behandelen.”

Deze zin en deze opdracht worden gericht aan diegenen die bevoegd zijn om rechters te benoemen. Want als zij niet de geschikte mensen benoemen en dat betekent mensen die a) de kennis bezitten en bevoegd zijn om te berechten en b) mensen die moedig, integer en niet bang zijn voor wie dan ook. Doen we dat niet, dan worden alle afwijkingen en onrechtvaardigheden waaraan deze rechters zich vergrijpen, toegeschreven aan de gezagvoerenden die deze rechters benoemd hebben.

Zo erg kwetsbaar en delicaat is de G’ddelijkheid van de Wet die de leefregels onder de mensen bepaalt.

Deze mensen, die rechters benoemen, zijn net zo verantwoordelijk voor de rechtvaardige toepassing van de Wet als de rechters zelf die de uitspraak doen.

Zowel de gezagvoerenden, die belast zijn met het benoemen van de rechters, als de rechters zelf moeten weten dat ze optreden in dienst van de Schepper.

Want rechtspraak is een zuiver religieuze, een zuiver G’ddelijke zaak.

Onze relatie met G’d is heel erg intiem verbonden met onze relatie met de medemens. Onze relatie met G’d wordt getoetst aan onze relatie met de medemens.

 In onze samenleving heeft men het recht in handen gelegd van de mens. Hij, de mens, is heer en meester over het recht en het recht is zijn product.

Het recht is een wetenschap en is mettertijd uitgegroeid tot een groot en volumineus burgerlijk wetboek. Maar het feit dat de mens zich het recht toegeëigend heeft, bewijst op de meest frappante manier dat de mens op de verschrikkelijkste wijze in opstand is gekomen tegen G’d. Daarbij kunnen de mensen nog zoveel spreken in naam van G’d. Dit verandert verder niets aan de zaak.

 Ik denk dat we deze regel in vorige lessen erg duidelijk gemaakt hebben.

Volgens deze regel kan ook geen onderscheid gemaakt worden tussen ‘la raison d’état’ en de plichten van de gewone mens. ‘La raison d’état’ is alleen maar mogelijk omdat de staat (état) de baas is en het opperste gezag voert, ook over het wetboek en het recht.

De Tora draagt ons - ook aan de Noachieden - de wet en het recht op als opperste gezag. Dat maakt dat de staat en de enkeling dezelfde plichten en dezelfde rechten hebben. Hetgeen de individuele mens niet mag, dat mag ook de staat niet.