Vorige blad

Index Noachidische Geboden

Volgende blad

De zeven Noachidische Geboden

Les 5: De eerlijkheid van de mens.

        Blad 29

Het begrip aalmoes en liefdadigheid in deze zin wordt niet in de Tora gebruikt.

Inderdaad is het zo dat het begrip aalmoes en liefdadigheid bedoelt dat het geen plicht is. Het is fijn om de armen een aalmoes te geven, het is weldadig. Met andere woorden: je bent er niet toe verplicht.

De Tora heeft aan het Joodse Volk erg veel plichten opgelegd in dat verband, o.a. bij de oogst. Bij het maaien moest men een deel van het graan laten staan voor de armen; die mochten het maaien. Bij het schoven binden mocht men de aren, die men toevallig liet vallen, niet meer oprapen. En bij het ophalen van de schoven mocht men niet teruglopen om een schoof op te halen die men daar toevallig vergeten was.

Deze zaak wordt zeer duidelijk verteld in het verhaal van Ruth, de Moabitische. Op die manier konden de meest onbemiddelde en arme lui direct aan eten geraken.

Het verwaarlozen of nalaten om deze resten op het veld achter te laten voor de armen wordt in de Talmoed vermeld als diefstal; men besteelt de arme lui. Dit bewijst op een ondubbelzinnige manier dat het hulp bieden aan behoeftigen een juridische plicht is.

In de Joodse wet, als iemand om eten vraagt, is het verboden om eerst een onderzoek in te stellen of dit verlangen wel terecht is. Men is verplicht om meteen eten te geven, zodra iemand dat vraagt. Iemand zou van honger om kunnen komen voordat wij klaar zijn met het onderzoek.

Vraagt iemand om een lening of om meubilair, dan mag je wel onderzoeken of daar echt behoefte aan is.

In iedere Joodse gemeenschap moeten er instellingen opgericht worden waar behoeftigen meteen kunnen eten en ook waar mensen geld kunnen lenen zonder interest.

De Talmoed vertelt dat Hij, de Schepper van Hemel en aarde, Zich bezighoudt met hulp bieden. Dit wordt bewezen uit de teksten van de Tora. In Genesis 3: 21 wordt verteld dat Gd kleren gemaakt heeft voor Adam en Eva en dit direct na de zonde.

In Genesis 18: 1 wordt verteld dat Gd na de besnijdenis, blijkbaar de derde dag, toen Abraham heel ziek was, naar hem toekwam op ziekenbezoek.

In Genesis 25: 11 wordt verteld dat Gd na het heengaan van Abraham naar zn zoon Yitschak toekwam om hem te zegenen, te troosten. Hij troost de rouwenden.

In Deuteronomium 34: 6 wordt verteld: En Hij, Gd, begroef hem (Moshe) in het dal in het land Moab, tegenover Beth Peor. En niemand kent zijn graf tot op deze dag.  Hij, Gd, begraaft de doden. Dat is het zoveelste en het meest overtuigende bewijs dat de gewone menselijke regels Gddelijk zijn. Hij Zelf gedraagt zich naar deze regels. De hele Schepping getuigt erover dat Hij dit Heelal met alle ontelbare Schepselen in het leven geroepen heeft en onderhoudt. Van het kleinste micro-organisme tot en met het grootste macro-organisme verzorgt en onderhoudt Hij alles.