Vorige blad

Index Noachidische Geboden

Volgende blad

De zeven Noachidische Geboden

Les 5: De eerlijkheid van de mens.

        Blad 32

Als iemand bijv. vertelt dat hij niet gelooft dat G’d bestaat, beweert men dat deze mens niet gelovig is. Dit is een vergissing, want het is niet zo dat deze mens niet gelovig is; hij is gewoon niet eerlijk. Het is een verschrikkelijke brutaliteit om zo iets te durven vertellen. Wie zou ooit durven beweren dat men op een wetenschappelijke en op een gewoon logische manier kan bewijzen, dat Hij - G’d behoede - niet bestaat. Dit soort beweringen zijn ongegrond en berusten gewoon op een flagrante intellectuele oneerlijkheid. Een kind van hooguit zes jaar met een minimum verstand, waarmee het leert tellen van 1 tot 10 en al weet dat 2+2=4 weet en begrijpt al best dat niets zo maar uit zichzelf kan ontstaan. Een kind weet dat een brief niet uit zichzelf geschreven wordt, dat een plaatje niet uit zichzelf getekend of geschilderd wordt. De vraag is dan: “Hoe verklaart men dat mensen met grote titels voor de dag komen met het fabeltje van de ‘big bang’?”

De Tora geeft ons antwoord ook op deze vraag. In Deuteronomium 16: 19 staat: “Je zult het recht niet verbuigen, je zult (bij) een rechtspraak niemand (zoeken te) bevoordelen, je zult geen ‘steekpenningen’ aannemen, want de steekpenning verblindt de ogen van de wijzen en verdraait de woorden (de argumenten) van de rechtvaardigheid (de waarheid)!

De Tora onthult ons dit geheim en dit raadsel en verklaart op de meest eenvoudige, maar erg duidelijke manier het antwoord op onze vraag.

De Tora behandelt het probleem van rechters - dat kunnen ook grote titeldragers zijn - die knoeien met het recht.

De Tora verklaart dat de grootste geleerde, de beroemdste wijsgeer intellectueel oneerlijk en zelfs gewoon oneerlijk wordt, zodra hij een zeker belang heeft bij de uitspraak. Dit is gewoon een wet die in de mens zit, net zo en precies zoals de natuurwet. Daar kan niemand onder uit, zelfs de grootste wijsgeer niet en de titel die iemand draagt kan aan deze wet niets veranderen. De meeste mensen zijn wat hun fysieke belangen betreft betrokken bij de erkenning van de Alomtegenwoordigheid van G’d. Ze willen leven volgens hun fysieke begeertes en ze willen hun instincten niet aan banden leggen. Dit heel erg zwaar wegende belang en deze betrokkenheid bij alle prettige fysieke dingen, die deze wereld biedt, maakt ze blind en verdraait de waarheid, de vanzelfsprekendheid en de werkelijkheid. Ze zien het gewoon niet meer, ook al is het vanzelfsprekend.

De Talmoed bepaalt de minimum waarde van een cadeau dat voor de rechter verboden is, en dat was volgens het geld dat toen in omloop was, één proeta.

Maimonides licht de objectieve waarde toe van deze proeta en dat was de tegenwaarde van de helft van een gerstenkorrel fijn zilver. Als we dan bedenken hoeveel geld mensen uitgeven, en soms in één enkele nacht, voor hun fysieke plezier, dan hebben we ook gelijk begrepen waarom ze dan zo stellig voor de dag komen met het wereldbekende fabeltje van de ‘big bang’.

Deze neiging in de mens om het naar zijn zin te hebben en om vrije loop te geven aan al zijn begeertes en instincten, weegt onmetelijk veel zwaarder dan de helft van een gerstenkorreltje zilver.