Vorige blad

Index Noachidische Geboden

Volgende blad

De zeven Noachidische Geboden

Les 5: De eerlijkheid van de mens.

        Blad 33

De mens, die zo leeft in zijn dagelijks leven, gericht op alle aardse plezier en fysiek genot, heeft er alle belang bij om te zeggen “Hij bestaat niet” (G’d behoede).

Zo verklaart Koning David tot drie maal toe in de Psalmen:

1. 14:1 “De onwaardige zegt in zijn hart ‘G’d bestaat niet’.

2.53:2 In deze Psalm herhaalt hij dit nog een keer en dan voegt hij er nog aan toe ‘dat staat hem (de onwaardige) toe om zich verderfelijk te gedragen en op een verfoeilijke en walgelijke manier onrecht te doen en uiteindelijk (absoluut) geen goed te doen’.

3.74: 18 ‘Een onwaardig volk beschaamt (en krenkt) Jouw Naam.’

Tot drie keer toe benadrukt Koning David de achtergrond en de aanleiding waarom iemand zou zeggen dat Hij niet bestaat (G’d behoede).

Het verhaal van Maimonides met het schilderij is daar een sprekend voorbeeld van. Noch het ontstaan van de Schepping, noch het bestaan van de Schepper vormen het onderwerp van welk probleem dan ook.

Het probleem is de mens met al zijn titels en al zijn gezond verstand erbij. Zou iemand een wiskundig probleem of wat dan ook voorleggen aan iemand die dronken is?

In verband met dit vraagstuk over de Schepping, is de grootste meerderheid van de mensen dronken.

Ja, bedronken door hun begeertes, driften en instincten. Één van de grootste geesten aller tijden, Aristoteles, schreef, tegen iedere logica in, een absoluut bestaan toe aan de materie. De verklaring hoe zo iemand met dit soort absurditeiten voor de dag kan komen, is de regel in de Tora over het aannemen van steekpenningen. Daaraan kan zelfs een wijsgeer zoals Aristoteles zich niet onttrekken en daar werden veel, erg veel, grote titeldragers het slachtoffer van. Zo is het de rechter ook verboden om een rechtszitting te doen waar zijn eigen familieleden als partij bij betrokken zijn. De rechter is dan gevoelsmatig betrokken bij deze zaak en mag deze niet behandelen, omdat hij dan niet bij machte zou zijn om de zaak op een eerlijke en objectieve manier te behandelen.

Descartes schrijft ook over de voorwaarden om zeker te zijn dat iemand een bepaald probleem op een objectieve manier kan oplossen. Er zijn, volgens hem, twee voorwaarden waar niemand aan kan ontkomen:

Ten eerste moet men onderzoeken of men bij dit probleem niet gevoelsmatig of op wat voor manier dan ook, door een zeker belang, betrokken is.

Ten tweede moet men zich wel zekerheid verschaffen dat men beschikt over de kennis van alle gegevens van het probleem.

Wanneer het gaat over de Schepping en het bestaan van G’d, vallen alle grote titeldragers zo door de mand als ze getoetst worden met deze twee regels.

Indertijd is er een boek verschenen van een theoloog, professor aan de Universiteit te Utrecht, dr. Vriese, met als titel ‘De Godsdienst van Israël’.