Archief

Bo

DE ACHTSTE PLAAG

Reeds zeven zware rampen had Par’o en zijn volk over zich heen gekregen. Maar zelfs na de zevende plaag, de plaag van de hagel, weigerde Par’o nog steeds het volk Israël te laten vertrekken uit Egypte.

HaKadosj Baroech Hoe verscheen nu opnieuw aan Mosjé en zei tegen hem: „Je moet weten, Mosjé, dat Ik het hart van Par’o en van zijn raadslieden heb hard­gemaakt, zodat zij blijven weigeren om Mijn kinderen uit Egypte te laten vertrekken. Want het is Mijn bedoeling om Par’o en zijn volk zwaar te straffen met tien plagen, omdat zij het joodse volk zo hebben onderdrukt en hun zulke zware slavenarbeid hebben opgelegd. En nu, Mosjé, ga naar Par’o en waarschuw hem dat als hij het joodse volk niet laat gaan, Ik nog een zware plaag op hem afstuur.”

Mosjé en Aharon kwamen in het paleis van Par’o en zeiden: „Koning van Egypte, aldus heeft Hasjem gesproken: Wanneer u blijft weigeren om het volk Israël uit Egypte weg te sturen, zult u door een nieuwe plaag getroffen worden, de sprink­hanen­plaag. Miljoe­nen sprinkhanen zullen naar Egypte komen, zij zullen de hemel verduisteren en het gehele oppervlak van de aarde bedekken, zodat niemand die meer kan zien. Maar niet alleen dat, maar het kleine beetje planten dat nog is overgebleven van de vroegere plagen, zullen zij geheel kaalvreten.”

 Nadat zij dit gezegd hadden, verlieten Mosjé en Aharon weer het paleis van de koning. Nauwelijks waren zij het paleis uit, of reeds wendden de raadslieden van de koning zich tot Par’o: „Onze Heer Koning, Majesteit, hoe lang nog zullen wij ge­dwongen worden om die rampen te moeten verdragen, die de G-d van Israël op ons afstuurt. Ziet de koning dan niet hoe ons mooie land wordt verwoest? Daarom, o Heer Koning, verzoeken wij u om het volk Israël weg te sturen naar de woestijn zodat zij daar hun G-d kunnen dienen. Dan houdt ons lijden eindelijk op. Want als u dat niet doet dan zal er nog een ergere ramp over ons komen.”

Par’o zond nu bedienden uit om Mosjé en Aharon bij zich te laten roepen. Toen zij voor hem stonden zei Par’o tegen hen: „Vertellen jullie mij eens, wie van jullie volk wil er naar de woestijn gaan?”

„Allemaal,” antwoordde Mosjé, „mannen, vrouw­en, kleine kinderen, bejaarden, jongeren en wij nemen ons klein- en rundvee mee!”

„Onmogelijk,” riep Par’o uit, „alleen de mannen laat ik uit Egypte gaan, en verdwijn nu uit mijn paleis!”

Mosjé en Aharon gingen het paleis uit en opnieuw verscheen HaKadosj Baroech Hoe aan Mosjé en sprak tegen hem: „Mosjé, strek je hand uit naar de hemel.” Mosjé deed wat Hasjem hem gezegd had en plotseling stak er een oosten wind op en die wind bracht honderdduizenden kleine beestjes met zich mee, de sprinkhanenplaag. De aarde werd er helemaal mee bedekt en de hemel was niet meer te zien, zodat het donker werd in heel Egypte, zoveel sprinkhanen waren er. En het kleine beetje gewas, dat nog was over gebleven van de vorige plagen, werd nu opgegeten door de sprinkhanen. Maar de Joden in het land Gosjen hadden helemaal geen last van de sprinkhanen.

Toen Par’o zag wat een ellende zijn land opnieuw getroffen had, riep hij Mosjé en Aharon weer bij zich en zei tegen hen: „Snel, bidt tot Hasjem jullie G-d, dat hij deze plaag van mij en van mijn volk afwendt. Ik weet dat ik gezondigd heb tegen jullie G-d maar ik beloof jullie dat ik Zijn volk nu zal laten gaan, zodra deze plaag is opge­houden.

Mosjé en Aharon verlieten het paleis en de stad en daar baden zij tot Hasjem en vroegen Hem om de sprinkhanenplaag te doen stoppen. Onmiddellijk stak er een sterke westen wind op, die de sprinkhanen mee voerde, Egypte uit. [i]En zelfs de dode sprinkhanen, die de Egyptenaren wilden opeten, werden door de wind meegenomen, omdat Hasjem niet wilde dat de Egyptenaren nog enig voordeel van de sprinkhanen zouden hebben.

En zo eindigde de de achtste plaag, de sprinkhanenplaag.

BRONNEN VAN DE MIDRASJ

De tien plagen (vervolg)

[i].   Sjemot Rabbah 13:6