Index

Home

De leeftijd van het universum

Door Dr. Gerald Schroeder

Overeenkomstig een mogelijke interpretatie van de manier waarop oude commentatoren G-d en de natuur beschrijven, kan de wereld tegelijkertijd jong en oud zijn.

Eén van de meest opvallende tegenstellingen tussen Tora en wetenschap is de leeftijd van het universum. Is het miljarden jaren oud, overeenkomstig de wetenschappelijke gegevens, of is het enkele duizende jaren oud, overeenkomstig de Bijbelse gegevens. Wanneer we de generaties van de Bijbel bij elkaar optellen, komen wij vandaag op 5766 jaar, terwijl de Hubble telescoop of de telescopen in Hawaii aanduiden dat het univer­sum 15 miljard jaar oud is.

Laat mij van begin af aan iets duidelijk maken: De wereld kan heel goed maar zo’n kleine 6.000 jaar oud zijn. Het is mogelijk dat G-d de fossielen in de grond gestopt heeft en wat gegoocheld heeft met het licht dat ons van veraf gelegen melkwegstelsels bereikt, opdat de wereld er miljarden jaren ouder uit zou zien dan hij in werkelijkheid is. Er is absoluut geen manier om te bewijzen dat dit niet waar is. G-d is oneindig  en kan de wereld op deze manier geschapen hebben. Er is echter ook een andere benadering die ook in overeenstem­ming is met de beschrijving van G-d en de natuur door klassieke commentatoren. De wereld kan zowel jong als oud tegelijk zijn. In het volgende wil ik deze mogelijkheid volgen.

Om dit schijnbare conflict op te lossen, is het interessant om te kijken naar de historische trend in kennis, want absolute bewijzen zijn niet te verwachten. Maar wat wel mogelijk is, is om te kijken hoe de wetenschap het beeld veranderd heeft, in vergelijking met het onveranderde beeld van de Tora. (Ik weiger om moderne Bijbel-commentaren te gebruiken, want die kennen reeds de moderne wetenschap en wordt daar altijd door beïnvloed. De neiging betaat om de Bijbel om te buigen, zodat hij bij de wetenschap past.

Dus de enige gegevens die ik gebruik als Bijbelcommentaar, zijn de klassieke commentaren. Dat betekent de tekst van de Bijbel zelf (± 3300 jaar geleden), de vertaling van Onkelos in het Aramees (100 GJ), de Talmoed (omstreeks het eind van de zesde eeuw samengesteld) en de drie belangrijkste Tora-commentatoren. Er zijn vele, vele commentaren, maar boven aan de top van de berg staan er drie die door iedereen geaccepteerd zijn: Rasji (11e eeuw, Frankrijk), die de eenvoudige verklaring van de tekst geeft, Maimonides (12de eeuw, Egyp­te) die de filosofisch aspecten beschrijft en Nachmanides (13de eeuw, Spanje), een van de vroegste kabbalis­ten.

Deze oude commentaren waren reeds lang geschreven voordat Hubble een vonkje was in de ogen van zijn grootouders. Dus er bestaat geen kans dat enige van de moderne wetenschappelijke theorieën die oude begrippen beïnvloed heeft.

Een heelal met een begin

In 1959 werd een onderzoek ingesteld  onder de leidende Amerikaanse wetenschappers. Eén van de vele vragen die gesteld werden, was: „Wat denkt u over de leeftijd van het heelal?” Wel, in 1959 was astronomie populair, maar cosmologie – de diepe fysica van het begrip van het universum – was nog maar net in ontwik­ke­ling. Het antwoord op die vraag werd niet zo lang geleden gepubliceerd in het blad Scientific American – het meest wijd verspreid gelezen wetenschappelijk tijdschrift in de wereld. Tweederde van de wetenschap­pers gaven hetzelfde antwoord: „Begin? Er was geen begin. Aristoteles en Plato leerden ons al 2400 jaar geleden dat het heelal eeuwig is. Ja, wij weten wel dat de Bijbel schrijft: „In den beginne.” Dat is een mooi verhaal, maar wij wereldwijze geleerden weten wel beter. Er was geen begin.”

Dat was 1959. In 1965 ontdekten Penzias en Wilson de echo van de Big Bang in de zwarte hemel van de nacht en het wereldmodel veranderde van een universum dat eeuwig was, in een universum dat een begin had. Na 3000 jaar discussiëren, was de wetenschap tot overeenkomst gekomen met de Tora.

Het is allemaal begonnen met Rosj Hasjana

Hoe lang geleden begon dit „begin”? Was het, zoals de Bijbel impliceert, ruim 5700 jaar geleden of zijn er 15 miljard jaar verlopen, zoals de wetenschappelijke gemeenschap beweert.

Het eerste ding dat wij moeten begrijpen is de oorsprong van de Bijbelse kalender. De Joodse jaartelling wordt gevonden door de generaties sedert Adam bij elkaar op te tellen. Bovendien zijn er nog zes dagen vóór de schepping van Adam. Deze zes dagen zijn ook belangrijk. Waar ligt punt nul? Op Rosj Hasjana, het Joodse Nieuwe Jaar, wanneer op de sjofar geblazen wordt, zeggen we: „Hajom harat Olam – vandaag is de geboortedag van de wereld.”

Dit vers lijkt te impliceren dat Rosj Hasjana de schepping van de wereld gedenkt. Maar dat is niet zo. Rosj Hasjana gedenkt de schepping van de Nesjama, de ziel van het menselijke leven. We zijn onze ruim 5700 jaar begonnen te tellen vanaf de dag dat de ziel van Adam geschapen werd.

Wij hebben een klok die begint te tikken bij Adam en de zes dagen zijn afgescheiden van die klok. De Bijbel heeft twee klokken.

Dat lijkt op een moderne rationalisatie, als het niet zo was dat de Talmoed commentataren 1500 jaar geleden deze informatie naar voren brengt. In de Midrasj (Wajjikra Rabba 29:1), een aanvulling op de Talmoed, zijn alle Geleerden het erover eens dat Rosj Hasjana de schepping van de ziel van Adam gedenkt, en dat de zes dagen van Genesis daar los van staan[1].

Waarom werden de zes dagen buiten de kalender gelaten? Omdat tijd in die Zes Dagen van Genesis anders gedefiniëerd is. „Het was avond en het werd ochtend” is een exotische, bizarre, ongewone manier van tijdbeschrijving.

Vanaf Adam wordt de tijdstroom volledig in menselijke termen uitgedrukt. Adam en Eva leefden 130 jaar voordat zij kinderen kregen! Seth leefde 105 jaar voordat hij kinderen kreeg, enz. Vanaf Adam is het tijdsbegrip volkomen menselijk. Maar daarvóór is het een abstract begrip: „Avond en ochtend.” Het is alsof je neerkijkt op gebeurtenissen vanuit een gezichtspunt dat er niet nauw mee verbonden is.

Een diepere kijk op de tekst

In een poging om het verloop van de tijd hier te begrijpen, moeten we ons wel realiseren dat deze hele Zes Dagen in 31 zinnen worden beschreven. De zes dagen van Genesis, die de mensen zoveel hoofdpijn bezorgd hebben als zij de wetenschap vis-a-vis de Bijbel trachtten te begrijpen, zijn samengevat in 31 zinnen! In MIT, in de Hayden-bibliotheek hadden wij daar 50.000 boeken over, die alleen handelden over het ontstaan van het heelal, kosmologie, chemie, thermodynamica, paleontologie, archeologie, de hoge-energie-fysica van de schepping. Op Harvard, in de Weidner bibliotheek hadden ze waarschijnlijk 200.000 boeken over deze zelfde onderwerpen. De Bijbel wijdt er 31 zinnen aan. Verwacht niet dat door deze zinnen eenvoudig te lezen, je nu ieder detail kent dat in de tekst zit opgesloten. Het ligt voor de hand dat wij dieper moeten graven om de informatie eruit te halen.

Het idee om dieper te graven is geen rationalisatie. De Talmoed (Chagiga, hfdst. 2) vertelt ons dat vanaf het openingsvers van de Bijbel, door heel hoofdstuk twee, de hele tekst is weergegeven in parabel-vorm, een gedicht met een tekst en een sub-tekst. Welnu, verplaats jezelf eens in de gedachten van iemand die 1500 jaar gelden leefde,in de tijd van de Talmoed. Waarom zou de Talmoed denken dat het een parabel is? Denk je dat ze 1500 jaar geleden dachten, dat G-d het allemaal niet in zes dagen kon maken? Dat dit een probleem voor hen vormde? Wij hebben vandaag een probleem met kosmologie en wetenschappelijke gegevens. Maar 1500 jaar geleden…, wat was het probleem met zes dagen voor een oneindig machtige G-d? Geen probleem.

Dus toen de Geleerden deze zes dagen buiten de kalender lieten en zeiden dat de hele tekst een parabel is, was dat niet omdat zij een excuus zochten voor datgene wat zij in het museum gezien hadden. Er was geen museum. Het feit is, dat een nauwkeurige lezing van de tekst het duidelijk maakt dat er informatie verborgen is, die in verschillende lagen ligt opgevouwen onder het oppervlak.

Dit idee om dieper te zoeken naar de betekenis van Tora, verschilt niet van het dieper kijken naar de wetenschap. Net zoals wij zoeken naar diepere betekenissen in de wetenschap, om de werking van de natuur te leren begrijpen, zo moeten wij ook dieper zoeken in de geschriften van Tora. Koning Salomo zinspeelde daar al op in Spreuken 25:11: „Een juist uitgesproken woord is als gouden appels op een zilveren schaal.” Maimonides interpreteert dit gezegde in de ‘Gids voor de Verdoolden’: De zilveren schaal is de lettelijke tekst van de Tora, zoals men die van een afstand ziet. De gouden appels zijn de geheimen die in de zilveren schaal van de Tora-tekst verborgen liggen. Duizende jaren geleden hebben wij geleerd dat er subtiliteiten in de tekst zitten, die de eenvoudige betekenis ervan ver te boven gaan. Het zijn deze subtiliteiten die ik wil zien.

Natuurlijke historie en menselijke geschiedenis

Er zijn vroege Joodse bronnen die ons vertellen dat de Bijbelse kalender uit twee delen bestaat (zelfs vóór Wajjikra Rabba, dat bijna 1500 jaar oud is, en waar dat expliciet staat geschreven. In de slotrede die Mozes tot het volk houdt, zegt hij dat wanneer je de vingerafdruk van G-d op het universum wil zien, „Gedenk dan de dagen der oudheid, de jaren van de vele generaties” (Deut. 32:7). Nachmanides zegt in naam van de Kabbala: „Waarom verdeelt Mozes de kalender in twee delen – ‘De dagen der oudheid en de jaren van de vele generaties?’ Omdat ‘Gedenk de dagen der oudheid’ de zes dagen van de Schepping zijn. ‘De jaren van de vele generaties’ is de hele periode na Adam.”

Mozes zei: Je kunt de vingerafdruk van G-d op het universum op twee manieren zien. Kijk naar het fenomeen van de zes dagen en de ontwikkeling van het leven in het heelal, dat verbijsterend is. Of wanneer dat geen indruk op je maakt, beschouw dan de maatschappij vanaf Adam – het fenomeen van de menselijke geschiedenis. Op beide manieren vindt je de vingerafdrukken van G-d.

Ik had onlangs in Jeruzalem een ontmoeting met Professor Leon Lederman, een Nobelprijs winnende fysicus. We praatten over wetenschap en toen het gesprek zich ontwikkelde, zei ik: „Hoe zit het met spiritualiteit, Leon?” En hij zei tegen mij: „Schroeder, ik praat wetenschap met je, maar voor wat betreft spiritualiteit, daarover moet je praten met de mensen aan de overkant van de straat, met de theologen.” Maar daarop ging hij verder en zei: „Maar ik vind er wel iets griezeligs aan, dat het volk van Israel in teruggekomen naar het Land Israel.”

Interessant. Het eerste deel van de verklaring van Mozes: „Gedenk de dagen van de oudheid” – over de Zes dagen van Genesis – die maakten geen indruk op Prof. Lederman. Maar de „Jaren van de vele generaties” – de geschiedenis van de mensheid, die maakten indruk op hem. Prof.Lederman vond het helemaal niet grie­zelig dat de Eskimo’s vis eten aan de poolcirkel. En hij zag ook niets griezeligs in het feit dat de Grieken in Athene Musika eten. Maar dat de Joden falafel eten op Jaffastreet in Jeruzalem, dat vond hij pas echt grieze­lig. Want dat had niet kunnen gebeuren. Het is historisch gezien niet logisch dat de Joden terug zouden komen naar het Land Israel. En dat is precies wat er gebeurd is!

En dat is één van de functies van het Joodse volk in de wereld. Om een veraanschouwelijking te zijn. Wij willen alleen maar dat de volken van de wereld begrijpen dat er rare dingen gebeuren met de geschiedenis, waardoor alles net niet volgens het toeval verloopt. Dat er een of andere tendens is in de loop van de historie. En de wereld heeft het dankzij ons gezien. Het is geen toeval dat Israel meer dan enig ander land op de voorpagina van de New York Times staat.

Wat is een dag”?

Laten we terugkeren naar de Zes Dagen van Genesis. In de allereerste plaats weten wij dat wanneer de Bijbelse kalender zegt 5766 jaar, dat wij daar zes dagen bij moeten optellen. Een paar jaar geleden verkreeg ik een dinosaurus fossiel dat, door middel van twee radioacitieve verrottings ketens) op 150 miljoen jaar oud werd geschat. Mijn 7-jaar oude dochter zei: „Pappa! Dinosaurus? Hoe kan er een dinosaurus geweest zijn 150 miljoen jaar geleden, wanneer mijn Bijbel-lerares zegt dat de wereld nog geen 6000 jaar oud is?” Ik vertelde haar om te kijken naar Psalmen 90:4. Daar vindt je iets heel verbazingwekkends. Koning David zegt: „Duizend jaar zijn voor U, G-d, als een dag die voorbijgaat, een wacht in de nacht.” Misschien is tijd anders vanuit het perspectief van Koning David dan het is vanuit het perspectief van de Schepper. Misschien is tijd anders.

De Talmoed (Chagiga, hfd. 2) analyseert het woord chosjech, wanneer het de subtiliteit van de Tora probeert te begrijpen. Wanneer het woord chosjech verschijnt in Genesis 1:2, daarover zegt de Talmoed dat het zwart vuur betekent, zwarte energie, een soort energie die zo sterk is, dat je het zelfs niet kunt zien. Twee verzen later, Genesis 1:4, verklaart de Talmoed dat het woord chosjech ‘duisternis’ betekent, d.w.z. de afwezigheid van licht.

Ook andere woorden worden niet opgevat in hun algemene betekenis. Bijvoorbeeld majim betekent typisch ‘water’. Maar Maimonides zegt dat in de originele verklaringen van de schepping, het woord majim ook bouwblokken van het universum kan betekenen.

Een ander voorbeeld in Genesis 1:5, waar gezegd wordt: „En het was avond en het was ochtend, dag één.” Dat is de eerste keer dan een dag gekwantificeerd wordt: avond en ochtend. Nachmanides bediscussiëert de betekenis van avond en ochtend. Betekent het zonsondergang en zonsopkomt? Daar lijkt het zeker op.

Maar Nachmanides wijst op een probleem dat hieraan vastzit. De tekst zegt: „Het was avond en ochtend één dag … avond en ochtend, een tweede dag… avond en ochtend een derde dag.” Dan op de vierde dag wordt de zon genoemd. Nachmanides zegt dat iedere intelligente lezer een voor de hand liggen probleem opvalt. Hoe kunnen wij ons de begrippen van avond en ochtend voorstellen in de eerste drie dagen, als de zon pas op de vierde dag genoemd wordt? Er is een reden waarom de zon pas op Dag Vier verschijnt, zodat wanneer tijd verstrijkt en de mensen iets meer zullen begrijpen van het universum, je dieper in de tekst kunt graven.[2]

Nachmanides zegt dat de tekst de Hebreeuwse woorden Wajehi erev gebruikt, maar dat dit niet „het was avond” betekent. Hij legt uit dat de Hebreeuwse letters Ajin, Reesj, Beet – de stam van het woord erev chaos, mengeling, wanordebetekent.[3] Dat is de reden waarom de avond erev genoemd wordt, want als de zon ondergaat, wordt de visie vertroebeld. De letterlijke betekenis is: „Er was  wanorde.” Het woord dat Tora ge­bruikt voor ochtend, boker, is het absolute tegenovergestelde. Wanneer de zon opkomt, wordt de wereld bikoret, geordend, alles is nu te onderscheiden. Daarom hoefde de zon niet voor de vierde dag genoemd te worden. Want van erev tot boker is een stroom van wanorde naar orde, van chaos tot kosmos. Dat is iets wat iedere wetenschapper zal getuigen dat het nimmer zal gebeuren in een onbegeleid systeem. Orde ontstaat nimmer spontaan uit wanorde, om dan orderlijk te blijven. Orde degradeert altijd tot chaos, tenzij de omge­ving de orde erkent en het opsluit om het te bewaren. Er moet een geleid systeem zijn. Dat is een ondub­bel­zinnige bewering.

De Tora wil dat wij verbaasd zijn met deze stroom, die start van chaotisch plasma en eindigt met een symfonie van leven. Dagelijk gaat de wereld vooruit naar hogere niveaus. Orde uit wanorde. Dat is pure thermodynamica. En het wordt weergegeven in terminologie van 3000 jaar geleden.

De schepping van de tijd

Iedere scheppingsdag is genummerd. Maar er is discontinuïteit in de manier dat de dagen zijn genummerd. Het vers (1:5) zegt: „Het was avond, het was ochtend, dag één.” Maar van de tweede dag wordt niet gezegd: „avond en ochtend, dag twee.” Maar er staat: „avond en ochtend, een tweede dag.” En de Tora gaat op die manier verder: „Avond en ochtend, een derde dag… een vierde dag… een vijfde dag… de zesde dag.” Alleen op de eerste dag gebruikt het vers een andere vorm: niet „eerste dag, maar „Dag één” (Jom Echad). Vele Engelse vertalingen maken de fout om te schrijven: „een eerste dag.” Dat komt omdat redacties graag willen dat alles glad en consistent klinkt. Maar zij gooien de kosmische boodschap uit de tekst! Omdat er een kwalitatief verschil is, zoals Nachmanides zegt, tussen „één” en „eerste.” Eén is absoluut, eerste is relatief.

Nachmanides legt uit dat op Dag één de tijd geschapen werd. Dat is een fenomenaal inzicht. Tijd werd geschapen. Je kan tijd niet grijpen. Je kunt het zelfs niet zien. Je kunt de ruimte zien, je kunt materie zien, je kunt energie voelen, je kunt licht-energie zien. Daarvan kan ik een schepping begrijpen. Maar de schepping van tijd? Achthonderd jaar geleden verkreeg Nachmanides dit inzicht van het gebruik van de woorden in Tora: „Dag één.” En dat is precies wat Einstein ons leerde in de Wetten van de Relativiteitstheorie: dat er een schepping was, niet alleen van ruimte en materie, maar van de tijd zelf.

De Relativiteits theorie van Einstein

Wanneer hij terugkijkt in de tijd, ziet een wetenschapper het universum als 15 miljard jaar oud. Maar wat is het standpunt van de Bijbel over tijd? Misschien ziet de Bijbel tijd anders. En dat maakt een groot verschil. Albert Einstein leerde ons dat Big Bang kosmologie niet alleen ruimte en materie doet ontstaat, maar dat tijd een deel is van dit ongrijpbare begrip. Tijd is een dimensie. Tijd is onderhevig aan de manier waarop jij tijd ziet. Hoe je tijd ziet is afhankelijk van waar je het bekijkt. Een minuut op de maan is sneller voorbij dan een minuut op aarde. Een minuut op de zon gaat langzamer. Tijd op de zon wordt in feite zodanig uitgestrekt, dat als je een klok op de zon zou kunnen zetten, hij langzamer zou tikken. Het verschil is maar klein, maar het is meetbaar en gemeten.

Wanneer je sinaasappels zou kunnen laten rijpen op de zon, zou dat meer tijd kosten. Waarom? Omdat de tijd daar langzamer gaat. Zou je het voelen dat de tijd langzamer gaat? Nee, want jouw biologie zou een deel van het systeem zijn. Wanneer je op de zon zou leven, zou je hartslag langzamer zijn. Overal waar je je bevindt zal je biologie synchroon lopen met de lokale tijd, en een minuut of een uur waar je ook bent is exact een minuut of een uur.

Wanneer je van het ene systeem naar het andere zou kunnen kijken, zou je tijd heel verschillend zien. Omdat het afhankelijk is van factoren zoals zwaartekracht en snelheid, zul je tijd op een andere manier ervaren. Het verloop van tijd variëert van de ene locatie met de andere. Vandaar de uitdrukking: de wet van de relativiteit.

Hier is een voorbeeld: Op een avond zaten wij rond de eettafel en mijn 11-jarige dochter vroeg: „Hoe kunnen er dinosaurussen bestaan hebben? Hoe kun je wetenschappelijk miljarden jaren hebben – en tegelijkertijd duizende Bijbelse jaren? Ik vertelde haar zich een planeet voor te stellen waar de tijd zo is uitgestrekt, dat terwijl wij twee jaar op aarde leven, er op die planeet slechts drie minuten voorbij zijn gegaan. Wel, zulke plekken bestaan echt, ze zijn waargenomen. Het zou erg moeilijk zijn om daar te leven, onder de daar geldende omstandigheden en je kunt er ook helemaal niet komen, maar in mentale experimenten kan je dat doen. Twee jaar gaan op aarde voorbij en drie minuten gaan er op die planeet voorbij. Dus mijn dochter zegt: „Enorm! Stuur mij maar naar die planeet. Ik blijf daar maar drie minuten en ik doe huiswerk voor twee jaar! Ik kom na drie minuten terug en dan heb ik de komende twee jaar geen huiswerk meer!”

Leuk geprobeerd. Laten wij aannemen dat zij 11 jaar was toen zij vertrok en haar vriendinnen waren ook 11 jaar. Zij brengt drie minuten door op die planeet en komt dan weer thuis. (De reis neemt geen tijd in beslag.) Hoe oud is ze als ze terugkomt? 11 jaar en drie minuten, terwijl haar vriendinnen nu 13 jaar zijn. Want zij leefde gedurende drie minuten, terwijl wij 2 jaar geleefd hebben.

Als zij vanaf die planeet naar de aarde gekeken had, zou haar perceptie van de aardse tijd zijn, dat iedereen zeer snel bewoog, want in één van haar minuten zouden honderdduizenden van onze minuten voorbijgaan. Terwijl wan­neer wij omhoog zouden kijken naar haar planeet, wij de indruk zouden hebben dat zij zich heel langzaam bewoog.

Maar wat is juist? Zijn er twee jaar of drie minuten voorbij? Het antwoord is: beide. Het is allebei gebeurd in dezelfde tijd. Dat is de nalatenschap van Einstein. Er zijn letterlijk miljarden plaatsen in het heelal, waar, als je er een klok zou kunnen neerzetten, hij zo langzaam zou tikken, dat vanuit ons perspectief gezien (wanneer wij dat zolang zouden kunnen volhouden) 15 miljard jaar voorbij zouden zijn gegaan… maar de klok op die verweg gelegen planeet heeft slechts zes dagen voorbij getikt.

Reizen door de tijd en de Big Bang

Maar hoe helpt dit de Bijbel te verklaren? Ten slotte zeggen zowel de Talmoed als Rasji als Nachmanides (dat is de Kabbala) dat de Zes Dagen van Genesis zes gewone dagen van 24 uur waren. Niet langer dan onze werkweek!

Laten wij eens wat dieper kijken. De klassieke Joodse bronnen zeggen dat vóór het begin wij eigenlijk niet weten wat er was. We kunnen niet vertellen wat er vooraf ging aan het heelal. De Midrasj stelt die vraag: Waarom begint de Bijbel met de letter Beet? Omdat de letter  Beet (á – die lijkt op een omgekeerde letter C) in alle richtingen gesloten is en alleen open is in voorwaartse richting [Hebreeuws leest men van rechts naar links]. Dat betekent dat wij niet kunnen weten wat ervoor gebeurde, alleen wat erna was. De eerste letter is een Beet – gesloten in alle richtingen en alleen open in voorwaartse richting.

Nachmanines breidt deze verklaring uit. Hij zegt dat hoewel de dagen ieder 24 uur duren, zei „kol jamot ha’olam” bevatten – alle tijden en alle geheimen van de wereld.

Nachmanides zegt dat vóór het heelal er niets was… maar toen was er plotseling de hele schepping als een miniscuul vlekje. Hij geeft een dimensie voor dat vlekje: iets heel kleins zoals een mosterdzaadje. En hij zegt dat dat de enige fysieke schepping was. Er was geen andere fysieke schepping; alle andere scheppingen waren spiritueel. De Nefesj (de ziel van het dierenleven) en de Nesjama (de ziel van het mensleijk leven) zijn spirituele scheppingen. Er is slechts één fysieke schepping en die schepping was een kleine vlek. Die vlek was alles wat er was. De rest was G-d. In die vlek zat al het ruwe materiaal dat gebruikt zou worden om al het andere te maken. Nachmanides beschrijft de substantie als „dak me’od, ein bo mamasj” – heel dun, zonder enige substantie. En wanneer dit vlekje zich uitspreidde, veranderde deze substantie – zo dun, dat het geen essentie had – in materie zoals wij die kennen.

Nachmanides schrijft verder: „Misjèjeesj, jitfos bo zman” – vanaf het moment dat materie uit deze substantieloze substantie gevormd werd, krijgt de tijd houvast. Niet „begint.” Tijd is bij het begin geschapen. Maar tijd „krijgt houvast.” Wanneer materie condenseert, stolt, samensmelt, uit deze substantie die zo dun is dat het geen essentie heeft – dat is het moment dat de Bijbelse klok van de zes dagen begint.

De wetenschap heeft aangetoond dat er maar één „substantie-loze substantie” is die in materie kan veranderen. En dat is energie. De fameuze vergelijking van Einstein: E=mc2, vertelt ons dat energie kan veranderen in materie. En zodra het verandert in materie, krijgt tijd houvast.

Nachmanides heeft iets fenomenaals gezegd. Ik weet niet of hij de Wetten van de Relativieit kende. Maar vandaag kennen wij ze. Wij weten dat energie – lichtbundels, radiogolven, gammastralen, röntgenstralen – allemaal voort­snellen met de snelheid van het licht, 300 miljoen meter per seconde. Bij de snelheid van het licht gaat de tijd niet voorbij. Het heelal werd ouder, maar tijd krijgt alleen houvast wanneer er materie is. Dit moment van tijd voordat de klok van de Bijbel begint, duurde ongeveer 1/100.000ste deel van een seconde. Een minuscule tijd. Maar in die tijd dijde het heelal uit van van een minuscuul vlekje tot ongeveer de afmeting van het zonnestelsel. Vanaf dat moment hebben wij materie en vloeit de tijd voorwaarts. Hier begint de Bijbels klok.

Welnu, het feit dat de Bijbel ons vertelt dat er „avond en ochtend, dag één” was (en niet „een eerste dag”), dat komt ons tijd leren, bezien vanuit Bijbels perspectief. Einstein heeft bewezen dat tijd variëert van plaats tot plaats in het heelal en dat tijd variëert van perspectief tot perspectief in het universum. De Bijbel zegt: „Het was avond en ochtend, dag één.”

Wanneer de Tora de tijd van de dagen van Mozes en de berg Sinaï zou zien – lang na Adam – dan zou er niet „dag één” gestaan hebben. Want ten tijde van Sinaï waren er reeds honderdduizende dagen voorbij. Er was een heleboel tijd waarmee dag één te vergelijken was. Tora zou dan gezegd hebben: „Een eerste dag.” Op de tweede dag van Genesis zegt de Bijbel: „een tweede dag,” want er was al een eerste dag, waarmee het te vergelijken was. Je kon op de tweede dag vragen: „Wat gebeurde er op de eerste dag?” Maar zoals Nachmanides erop wijst, op dag één kon je niet vragen: „Wat gebeurde er op de eerste dag,” want „eerst” impliceert een vergelijking – een bestaande serie. En er was geen bestaande serie. Dag één was alles wat er was.

Zelfs als de Tora de tijd vanaf Adam zou beschouwen, dan nog zou de tekst moeten luiden „een eerste dag,” want er waren zes dagen, zegt Tora en Tora zegt „Dag Eén” omdat de Tora vooruitkijkt vanf het begin. En Tora zegt: Hoe oud is het universum? Zes dagen. Wij nemen de tijd alleen maar op tot Adam. Zes dagen. Wij kijken terug in de tijd en zien dat het universum 15 miljard jaar oud is. Maar iedere wetenschapper weet, dat als wij zeggen dat het univesum 15 miljard jaar oud is, er een andere helft van de zin is, die wij nooit zeggen. Die andere helft van de zin is: Het universum is 15 miljard jaar oud, gezien vanuit de tijd-ruimte-coördinaten die wij hebben hier op aarde. Dat is Einsteins gezichtpunt van relativiteit. Maar hoe zouden deze miljarden jaren ervaren worden vanaf het begin, vooruit gekeken? De sleutel is dat Tora voorwaarts kijkt in de tijd van sterk verschillende tijd-ruimte coördinaten, toen het heelal nog maar klein was. Maar sedert dien is het heelal uitgedeid. De ruimte dijdt uit en dit uitdijen van ruimte verandert het begrip tijd volkomen.

Probeer je voor te stellen dat je miljarden jaren teruggaat in de tijd, naar het begin van de tijd. Stel je nu voor dat er toen, aan het begin van de tijd, toen de tijd houvast kreeg, er een intelligente gemeenschap was. (Het is volkomen fictief). Stel je voor dat die intelligente gemeenschap een laser had en een lichtstoot ging afvuren en iedere seconde zo’n stoot.  Iedere seconde een stoot. Stoot. Stoot. Het stoot het licht uit en tien miljard jaar later zitten wij op aarde met een grote sateliet-schotel en we ontvangen die lichtstoten.  En op die lichtstoot staat ingeprent (schrijven op licht wordt fiber optica genoemd – het zenden van informatie met behulp van licht): „Ik zend jullie iedere seconde een lichtstoot.” En dan gaat een seconde voorbij en de volgende lichtstoot wordt verzonden.

Licht plant zich voort met een snelheid van 300.000 km per seconde, dat is 300 miljoen meter. Dus aan het begin van hun reis zijn de twee lichtstoten 300 miljoen meter van elkaar verwijderd. En dan reizen zij miljarden jaren door het heelal, om na miljarden jaren de aarde te bereiken. Maar wacht even, is het heelal statisch? Nee. Het heelal dijdt uit. Dat is de kosmologie van het universum. En dat betekent niet dat het uitdijdt in een lege ruimte buiten het heelal. Er is alleen maar heelal. Er bestaat helemaal geen ruimte buiten het heelal. Het heelal dijdt uit doordat zijn eigen ruimte uitdijdt. Dus als de stoten door die miljarden jaren reizen, dijdt het heelal steeds verder uit. Als de ruimte uitdijdt, wat gebeurt er dan met die lichtstoten? De ruimte daartussen wordt ook steeds uitgerekter. Dus de lichtstoten raken in werkelijkheid steeds verder van elkaar af.

Miljarden jaren later, wanneer de eerste lichtstoten de aarde bereiken, zeggen wij : „Wau! een lichtstoot!” En er staat op geschreven: „Ik zend jullie iedere seconde een lichtstoot.” Je kunt je vrienden roepen en wachten totdat de volgende lichtstoot aankomt. Komt hij een seconde later? Nee! Een jaar later? Misschien niet. Misschien miljarden jaren later. Want de hoeveel tijd die deze lichtstoot door het heelal gereisd heeft, is bepalend voor de hoeveelheid uitdijing van de ruimte tussen de stoten. Dat is standaard astronomie.

15 miljard of zes dagen?

Vandaag kijken wij terug in de tijd. We zien 15 miljard jaar. Vooruitkijkend, vanwaar het heelal erg klein lijkt – miljarden maal kleiner – zegt de Tora zes dagen. Zij kunnen allebei juist zijn.

Wat opwindend is over de laaste paar jaar van kosmologie, is dat wij nu de data gekwalificeerd hebben, om het verband te kennen van het „begrip tijd” vanaf het begin, in verhouding tot het „begrip tijd” vandaag. Het is geen science fiction meer. Elk van de zo’n dozijn tekstboeken over fysica brengen hetzelfde getal. De verhouding tussen de tijd omstreeks het begin, toen stabiele materie gevormd werd uit licht (energie, de electromagnetische straling) van de schepping en de tijd vandaag is een miljoen maal een miljoen, dat is een veelvoud van een triljoen. Dat is een 1 met 12 nullen. Dat is een verhouding zonder eenheid. Dus als iemand aan het begin, die vooruitkijkt, zegt: „Ik zend je iedere seconde een lichtstoot,” dan zien wij het iedere triljoenste seconde. Want dat is het uitrekkings­effect van de uitdijing van het heelal. In de astronomie heet dit „roodverschuiving”. Roodverschuiving[4] in astronomische data is standaard.

De Tora spreekt niet over iedere seconde. De Tora heeft het over zes dagen. Wanneer Tora zegt: wij zenden gedurende zes dagen informatie, zouden wij die informatie dan gedurende zes dagen ontvangen? Nee, wij zouden die informatie als zesmiljoen ª miljoen dagen ontvangen. Omdat het perspectief van de Tora vaaf het begin is en vooruit kijkt.

Zesmiljoen miljoen dagen is een zeer interessant getal Wat zou dat zijn? Gedeeld door 365 komt dat op 16 miljard jaar. De geschatte leeftijd van het heelal. Niet slecht voor 3300 jaar geleden.

De manier waarop deze getallen met elkaar kloppen is buitengewoon. Ik spreek niet als een theoloog. Ik maak een wetenschappelijke bewering. Ik heb deze getallen niet uit mijn hoed getoverd. Daarom heb ik deze verklaring heel langzaam opgebouwd. Je kunt het stap voor stap volgen.

Nu kunnen we een stap verder gaan. Laten wij eens kijken naar de ontwikkeling van tijd, dag voor dag, gebaseerd op de expansiefactor. Iedere keer dat het heelal verdubbeld, wordt de perceptie van tijd gehalveerd. Toen het heelal klein was, verdubbelde het zeer snel. Maar naar mate het heelal groter wordt, wordt de verdubbelingstijd langer. De mate van expasie wordt genoemd in „The Principles of Physical Cosmology,” een tekstboek dat over de hele wereld gebruikt wordt.

De berekeningen geven het volgende resultaat:

De eerste Bijbelse dag duurde 24 uur, gezien vanuit het „begintijd perspectief.” Maar vanuit ons perspectief was dat 8 miljard jaar.

De tweede dag vanuit Bijbels perspectief duurde eveneens 24 uur. Vanuit ons perspectief is dat de helft van de vorige dag, 4 miljard jaar.

De derde dag van 24 uur is eveneens weer de helft van de vorige in ons perspectief, 2 miljard jaar.

De vierde dag van 24 uur: één miljard jaar.

De vijfde dag van 24 uur: een half miljard jaar.

De zesde dag van 24 uur: een kwart miljard jaar.

Waenner je deze Zes Dagen bij elkaar optelt, krijg je de leeftijd van het heelal: 15¾ miljard jaar. Hetzelfde als moderne kosmologie. Is dat toeval?

Maar er is meer. De Bijbel vertelt wat er op elk van die dagen gebeurde. Nu kun je kosmologie, paleontologie en archeologie nemen en naar de geschiedenis van de wereld kijken, en zien of dat klopt met de dag-voor-dag verslaggeving van de Bijbel. En ik zal je een hint geven. Ze kloppen nauwkeurig genoeg om je de rillingen over je ruggegraad te bezorgen.

 

 


[1]  Daar, in Wajjikra Rabba 29:1 staat: „Er werd geleerd in naam van Rabbi Eliëzer dat de wereld geschapen werd op 24 Eloel. Rav is het ermee eens.”

[2] Dit is de interpretatie van de schrijver van dit artikel. In mijn versie van Ramban [Nachmanides] staat dit niet (Zwi).

[3] Nachmanides schrijft in mijn versie niet dat het woord erev wanorde betekent. Hij schrijft dat het „vermenging” betekent, namelijk de vermenging van het licht met de duisternis, d.w.z. de schemering.

[4] De kosmologische roodverschuiving is de roodverschuiving die wordt waargenomen bij het licht dat ons bereikt van veraf­gelegen melk­wegstelsels. Deze roodverschuiving kan worden verklaard door het dopplereffect veroorzaakt door het van ons weg bewegen van deze melk­wegstelsels. Omdat de stelsels zich steeds verder van ons verwijderen, worden de lichtgolven namelijk uitgerekt tot in de rodere frequenties.