Index mens en Maatschappij

Home

 

Manupulatie met Genen

Door Daniel Eisenberg, M.D.

Zou het goed zijn als we genetisch menselijke karakteristieken , zoals I.Q., kunnen veranderen?

Vraag: Wanneer we de mogelijkheid zouden hebben om genetisch menselijke karakteristieken zoals I.Q., lengte of kracht te veranderen, zou de maatschappij dit dan moeten beschouwen als een zegen of als een potentiëel gevaar?

Antwoord: Technologie is ethisch neutraal. Het is de toepassing van de technologie die ethische vragen oproept. Wanneer men medische vooruitgang bediscussiëert, is het onze taak om te beslissen wanneer het juist is om nieuwe procedures toe te passen en wanneer we ons daarvan moeten weerhouden. De wereld is aan de mens gegeven om erover te regeren, die te onderwerpen en te verbeteren. Wij nemen dit mandaat zeer serieus. Maar we moeten technologie wel gebruiken voor nobele doeleinden en de potentieel schade­lijke effecten van technologische vooruitgang op onze medemens anticiperen.

Intrinsiek is er niets immoreels aan de toepassing van moderne technologie, met inbegrip van genetische mani­pulaties van somatische cellen, om zo ziekten te genezen. Het is een foutieve vorm van godsdienstig­heid om te geloven dat de mens zijn lot niet zou mogen verbeteren. Het Jodendom accepteert zeer zeker chirurgie als een acceptabele manier om misvormdheid te behandelen. Zo ook heeft de Joodse wet geen bezwaar om de genetische code te veranderen van een foetus, die genen draagt voor een fatale ziekte, ten einde de anders onvermijdelijke consequenties van de „foute” genen te voorkomen.

Er is echter een voorbehoud aan de positieve houding van het Jodendom ten opzichte van genetische manipu­laties, zoals bij iedere andere medische behandeling. Met de mogelijkheid om te manipu­leren komt de ver­ant­woordelijkheid. Iedere procedure voor modificatie van de genetische code moet bewezen zijn dat hij veilig is. Men mag niet het risico lopen onnodige schade te veroorzaken aan een ongeboren kind (of aan een volwas­sene), tenzij het alternatief de dood of een ernstige deformiteit is. Dezelfde parameters die gelden voor te riskante procedures voor volwassenen gelden waarschijnlijk ook voor de riskante procedures voor foetussen.

Ten tweede is er een fundamenteel verschil tussen de behandeling van een ziekte en „de verbete­ring” van de soort. De Tora moedigt ons aan om ziekten te behandelen en patienten pijn en lijden te besparen. Genetische manipulatie is potentiëel een grote zegen wanneer het ziekten kan voorkomen. Maar er zijn ook ernstige gevaren aan verbonden voor de samenleving wanneer we zelf gaan vaststellen welke niet-medische karak­teristieken wenselijk zijn en wanneer wij de menselijke genoom gaan manipuleren om „betere” mensen te krijgen. Wie stelt vast welke eigenschappen wenselijk zijn? Worden mensen met „ongewenste” eigenschap­pen tweederangs burgers? Er liggen tienduizende gevaren voor ons als we proberen ons mandaat om te genezen te overschrijden en de wereld van de eugenetiek [rassenverbetering] binnentreden.

Bijvoorbeeld kan de implantatie van een na genetisch onderzoek gebleken gezonde foetus de enige accep­tabele manier zijn om te voorkomen dat een getrouwd paar, waarvan beiden de dragers zijn van een ernstige recessieve eigenschap (zoals Tay Sachs of cystic fibrosis), een kind krijgen met een ernstige en fatale ziekte. Maar hoe zit dat met het aanwenden van dezelfde techniek om het geslacht van onze kinderen te kiezen? Planten we alleen jongetjes in? Of alleen meisjes? Moeten we iedere embryo onderzoeken op myriade moge­lijke fouten, met inbegrip van lage intelligentie (of middelmatige intelligentie), zwakke ogen, gebogen knieën of bruine ogen? Gaan we onze kinderen vormen naar ons eigen ontwerp?

Het Joodse standpunt van technologie is niet anders dan zijn standpunt in andere aspecten van het leven. Ter­wijl wij verbazingwekkende technologische  prestaties kunnen verrichten, kijken we in de Tora voor ant­woor­den als we deze handelingen moeten toepassen. We moeten beslissen hoe wij onze ontdekkingen en uitvindingen ethisch kunnen kanaliseren, wanneer we onze medische wonderen kunnen toepassen en wan­neer we onszelf moeten weerhouden van de toepassing van de ontzagwekkende kracht die in onze handen is gelegd, omdat dat dan niet het juiste is om te doen.

(Dr. Daniël Eisenberg is verbonden aan de Radiologische afdeling van het Albert Einstein Medisch Centrum in Philadelphia, PA, USA,  en Assistent Professor in Diagnostic Imaging aan de Thomas Jefferson University School of Medicine. Hij heeft in de afgelopen 15 jaar Joodse medische ethiek gedoceerd. Dr. Eisenberg schrijft regelmatig uitgebreid over Joodse en medische onderwerpen en geeft internationaal lezingen over Joodse medische etiek aan groepen van allerlei achtergrond.)