Vorige uitgaven

Home-page

Inzicht in Parasjat 5764

Door: Jacob Salomon

„Bil’am stond vroeg in de ochtend op en zadelde zijn ezelin…” (Bamidbar 22:21).

De Talmoed (Sanhedrin 105b) leidt hieruit af hoe sterk Bil’am de Israëlieten haatte, en hoe enthousiast hij was dat hij mocht meehelpen om hen te vernietigen. Haat brengt de mensen van hun oude gewoontes af. Voor een man van Bil’ams verheven status zou het niet passend zijn om zijn eigen ezel te zadelen. Hij had ongetwijfeld voldoende bedienden om dat voor hem te doen. Maar Bil’am haatte de Israëlieten zo intens, dat hij zijn eigen waardigheid omlaag haalde en vroeg in de ochtend opstond om dat zelf te doen, opdat hij maar zo vroeg mogelijk op reis kon gaan.

Bil’ams methode om de neergang van de Israëlieten in te leiden was om de band tussen de Almachtige en Zijn Uitverkozen Volk te vernielen. Hij probeerde dat tweemaal:

1. Door te proberen Israël te vervloeken. Die eerste keer slaagde hij daar niet in, omdat „De Eeuwige, jullie G-d niet naar Bil’am wilde luisteren en de Eeuwige, jullie G-d veranderde voor jullie de vloek in een zegen, want de Eeuwige, jullie G-d beminde jullie” (Dewariem 23:6).

2. Door ervoor te zorgen dat Israël zou zondigen door afgoderij en seksueel immoreel gedrag bij het incident van Ba’al Pe’or. Nadat Bil’am geconfronteerd werd met Balaks woede over zijn falen tot driemaal toe, om de Israëlieten ook te vervloeken, zei hij tegen Balak: „Kom, laat mij jou advies geven…” De Talmoed (Sanhedrin 106a) brengt de traditie dat zijn advies hieruit bestond om de Israëlieten te verleiden deel te nemen aan prostitutie met de vooraanstaande dames van zijn koninkrijk: „Hun G-d haat seksueel immo­reel gedrag.” Het ‘paspoort’ tot een Moabitische vrouw was deelname aan de dienst van Ba’al Pe’or (een uitermate aanstootgevende procedure die in de Midrasj Sifre 131 beschreven wordt). Dus de tweede keer slaagde Bil’am er wel in om de band tussen G-d en de Israëlieten te vernielen: vierentwintigduizend Israëlieten kwamen om door een plaag ten gevolge van de zonde van Ba’al Pe’or (Bamidar 25:9).

In het verhaal over de mislukte poging van Bil’am om de verhouding tussen G-d en de Israëlieten te onder­mij­nen, wordt de naam van Bil’am vele malen genoemd. Bij zijn succesvolle poging om de Israëlieten te verleiden tot de zonde van Ba’al Pe’or wordt zijn naam niet eenmaal genoemd. Pas veel later, in een heel andere context, legt de Tora verband tussen Bil’am en Ba’al Pe’or: Mosjé zei tegen hen (zijn militaire officieren): „Hebben jullie alle vrouwen in leven gelaten? Zie, zij waren het juist die op aanraden van Bil’am de Israëlieten aanleiding gaven om Hasjem ontrouw te worden met betrekking tot Pe’or, zodat er een plaag ontstond bij de gemeente  van Hasjem.”

Waarom wordt Bil’am dan niet vermeld in de hoofdvertelling van deze gebeurtenis?

Een antwoord is te vinden, wanneer wij kijken naar de onderliggende waarde van de beide incidenten waarbij Bil’am betrokken was.

In het verhaal over de vloeken die veranderden in zegeningen, worden die waarden samengevat in een zin die Mosjé tot de Israëlieten sprak vlak voor zijn dood:

„En alle volkeren van de aarde zullen zien dat jullie genoemd zijn naar de naam van Hasjem en zij zullen jullie vrezen” (Dewariem 28:10).

Rabbeinoe Bachia verklaart dit als volgt: Ieder volk zal zijn eigen afgoden hebben of zijn eigen systeem van geloof en overtuiging, maar al de volken zullen zich realiseren dat alleen de Almachtige de bron is van alle kracht en zegeningen – zelfs van de krachten die zij associëren met hun eigen afgoden. In dat geval zal het volk dat het meest geassocieerd is met Hasjem de vrees en het ontzag bij alle andere doen inspireren.

Laat ons dit idee eens nader bekijken, in verband met de zegeningen van Bil’am.

Toen Bil’am de Israëlieten de eerste keer zag, besteedde hij aandacht aan het feit dat zij anders waren dan andere volken – in positieve zin: „Zie, een volk is het, dat afgezonderd woont en onder de volkeren niet meegeteld wordt” (Bamidbar 23:9).

De Targoem (Onkelos) zegt dat Bil’am het had over de eeuwigheid van Israël. Andere volken – hoe machtig ook – komen en gaan, maar de Israëlieten zullen daarin verschillen van de andere volken, dat zij hen allen zullen overleven.

Toen Bil’am zijn tweede poging deed om de Israëlieten te vervloeken, werd hij gefascineerd door hun gehechtheid aan de details van de Tora. Hij vond zichzelf terug toen hij hen zegende met de woorden: „Hij ziet geen onrecht in Ja’akov en Hij neemt geen leed in Israël waar. Hasjem, zijn G-d is bij hen” (Bam. 23:21).

Zoals Onkelos impliceert, Bil’am kreeg het gevoel dat de Israëlieten zo trouw waren in het houden van de mitswot dat hij geen fout bij hen kon vinden waaraan zijn vloek houvast zou hebben.

Toen hij de Israëlieten de derde keer aanschouwde, zag hij hun geestelijke grootheid (R. Ze’ev Zecharja Breuer: Siach Hasjoelchan, p. 160). Het verhaal vertelt dat Bil’am zag dat Israël gelegerd was naar zijn stamindeling” (24:2). Rasji zegt daar dat dit een toespeling is op de buitengewone orde in het Israëlitische legerkamp. De stammen behielden hun aparte identiteit en hun tenten waren zodanig opgesteld dat hun ingangen nimmer tegenover elkaar gelegen waren, om inbreuk op elkaars privacy te voorkomen. Rabbi Nosson Scherman weidt hierover uit en zegt dat uit het feit dat de stammen  en de families bij elkaar bleven, blijkt dat de Israëlieten zich verantwoordelijk voelden voor elkaar maar te gelijker tijd beschermden zij  met felheid de persoonlijke waardigheid en de rechten van de individuele families (Stone Editie van ArtScroll Bamidbar p. 145). En opnieuw vond Bil’am zich terug terwijl hij hen zegende met de woorden:

„Hoe goed zijn je tenten, O Ja’akov, je woonplaatsen, O Israël!” (24:5).

Waarom wij deze zegening gebruiken, ondanks zijn oorsprong, daarover zegt de Midrasj: „Het is geen compliment voor een vrouw wanneer zij geprezen wordt door haar vrienden, maar wanneer zij geprezen wordt door haar rivalen” (Dew. Rabba 3:6). Bewondering door vrienden is één ding, maar te worden aanbevolen door je vijanden stelt je in een wel heel speciaal daglicht. Bij zijn zegen voor de Israëlieten gebruikte Bil’am niet alleen woorden die de hoogste bewondering lieten blijken, maar hij wenste hun lot te delen, toen hij zei: „Moge mijn ziel de dood van de rechtvaardigen sterven en moge mijn einde zijn als dat van hun” (23:10).

Dus het exemplarische gedrag van de Israëlieten tijdens Bil’ams poging om hen te vervloeken bracht de kern van de „buitenlandpolitiek” van Tora in effect, namelijk: „Al de volkeren van de wereld zullen zien dat jullie naar de naam van Hasjem genoemd zijn en zij zullen jullie vrezen.”

Hoe staat dit in tegenstelling tot de tweede poging om Israël te ondermijnen – het incident van Ba’al Pe’Or?  Hier bevonden de Israëlieten zich in een uitdagende maar niet onvermijdelijke hachelijke situatie. Zij hadden vrije keuze – zij konden, zoals Joseef vóór hen gedaan had, de uitdagingen van de Moabitische vrouwen afwijzen, met inbegrip van de afgoderij die bij het pakketje zat ingesloten, door te zeggen: „Hoe zou ik dit grote kwaad kunnen doen en zondigen tegen G-d?” (Ber.39:9).

Bil’am dwong hen nergens toe om iets te doen. Hij zette alleen maar kwaadaardig de wielen in beweging om hen te verleiden om hun eigen band met G-d te verbreken. En zij bezweken. Chawa (Eva), die van de Boom der Kennis at in de Tuin van Eden beweerde dat zij verleid was door de slang, maar dat deed niets af van haar eigen straf – zij werd volledig verantwoordelijk gesteld voor haar eigen daden. Daarom noemt Tora Bil’am niet in het hoofdverhaal van de gebeurtenis bij Ba’al Pe’or: om ons te leren dat wanneer men zondigt, het niet helpt om anderen de schuld te geven – iedereen is verantwoordelijk voor wat hijzelf doet.

Zoals de Talmoed het zegt: G-d zei: „Ik heb de kwade neiging geschapen en Ik heb Tora geschapen als tegengif” (Kiddoesjien 30b).