Vorige uitgaven

Home-page

Inzicht in Parasjat Balak 5765

Inzicht in de parasja

De profeet Bil’am gaat op weg om de Bnei Jisraël te vernietigen. Hasjem geeft hem een laatste kans om terug te keren, door een engel op zijn weg te zenden, die hem waarschuwt ermee te stoppen: „Wa-jamod malach Hasjem bemisj’ol hakeramiem gadeer mi-zè we-gadeer mi-zè – Hierop plaatste zich een engel van Hasjem op een pad tussen de wijngaarden, met een muur aan deze en een muur aan die kant” (Bamidbar 22:24). Zegt de Midrasj Bamidbar Rabba (20:14): „Mi-zè oemi-zè” – aan deze en aan die kant zijn de Loechot [de Stenen Tafelen] beschreven en die hebben zij [de Israëlieten] in hun handen, daarom kun je hen niet overwinnen.”

Bil’am werd verteld dat hij gedoemd was te verliezen; hij kan hen, die de Loechot ha-Brit [de Tafelen van het Verbod] vasthouden niet verslaan, de stenen tabletten van Sinaï die op wonderbaalijke wijze van twee kanten te lezen waren.

Wat is de les van dit wonder en hoe onderwerpen de Loechot Bil’am, de profeet van de volken van de wereld?

De Talmoed noemt de auteurs van ieder boek van Tanach (Bijbel) op. „Mosjé schreef zijn boek en Parasjat Bil’am en …” (Bawa Batra 14b). Hier wordt het verhaal van Bil’am als een apart boek voorgesteld, een boek van een andere aard dan de rest van Tora. Waarom is dat zo?

Het is de profetie van Bil’am die anders is, een waarheid die onthuld wordt op een unieke manier.

De Misjna (Awot 5:22) stelt de studenten van twee mannen tegenover elkaar: „Ieder die de volgende drie karak­ter­eigenschappen bezit is één van de volgelingen van Awraham Awinoe en wie die andere eigen­schappen heeft is een leerling van Bil’am de Booswicht.”

Awraham, de vader van ons volk, vertegenwoordigt één type profeten, begiftigd met gezondheid, zegen en voorspoed in al zijn ondenemingen. Bil’am daarentegen is de bron van de vloek. Hij is het die opgeroepen wordt om de nakomelingen van Awraham te vervloeken en te vernietigen.

Dit is een onderscheid tussen twee soorten boodschappers. Bil’am, de profeet van de volken enerzijds; en de rechtvaardige Neviïem van Tanach, vertegenwoordigd door Mosjé Rabbeinoe anderzijds. Het boze oog van de slechte mens of de voorspoed van de G-ddelijke instemming.

De wortel van het woord ‘Navi’ in het Hebreeuws is ‘Niv’ – product, zoals Tenoeva.

Iemands spraak is zijn product, de ontwikkeling van abstracte intellectuele ideeën in een concrete uitspraak. Hoe gaat dat proces in zijn werk?

Iemands eerste gedachten zijn altijd een vluchtige ingeving, die hij intuitief grijpt, maar die alsnog ongede­finiëerd blijven. Pas wanneer hij zoekt naar de woorden die zijn overpeinzingen concretiseren, kristaliseren deze gedachten uit in een bepaald model en nemen vorm aan.

Als dit een mechanisch proces was, waarbij de mens stap voor stap de spraakinstructies zou kunnen uitvoeren, die hij vanaf zijn kind-zijn zich eigen heeft gemaakt, dan zou het tijdsbestek van gedachte tot woord oneindig lang zijn. De moderne mens heeft echter nauwelijks het initiatief om te lezen, en nog minder de behoefte of de capaciteit om iets te doen dat hem aan het denken zet.

Spraak werkt echter een beetje anders. Men drukt zichzelf niet alleen uit met de ideeën die hij hoopt te ontwikkelen. De woorden die hij uitspreekt leven diep in hem en zijn moedertaal is niets anders dan een manier om zich op natuurlijke wijze te uiten. Daarom is het vermogen van de mens op te praten zijn levens­lucht.

„En de Eeuwige G-d vormde de mens uit het stof van de aarde en Hij blies in zijn neus de levenslucht en de mens werd een levend wezen.”  Zegt Rasji: „Ook vee en wildgedierte worden ‘levende wezens’ genoemd, maar de mens is de meest levende van allen, omdat daaraan nog kennis en spraak zijn toegevoegd.” Onkeloes vertaalt hier met ‘een sprekende geest.’

Hier ligt het scheidingspunt tussen G-ddelijke zegen en vloek, tussen Bil’am en Awraham Awinoe.

Woorden kunnen een weergave van wijsheid zijn, die de innerlijke essentie van de geest articuleren, maar ook alleen maar een middel tot conversatie, om de tijd te vullen met ijdele praat.

Iedere dwar Tora [Tora-toespraak] weerspiegelt het Hemelse woord in zijn afdaling naar onze eindige wereld. Waar algemene communicatie niets anders uitdrukt dan de oppervlakkige buitenkant, echoot de spraak van de Schepping de G-ddelijke vonk van de menselijke ziel, in al zijn variëteiten. De kracht van de spraak is het kenmerk van de Tselem Elokiem – het evenbeeld van G-d – en dient gebruikt te worden om de wijsheid, die de mens van de dieren onderscheidt, tot uitdrukking te brengen.

Dat is ook de reden waarom de zonden van de tong zo streng gestraft worden. Kwaadsprekerij kan iemand vernietigen, zowel degene die belasterd wordt als de lasteraar zelf. De straf van de lasteraar, tsara’at, is een vorm van dood, want hij heeft het beeld, waarna hij geschapen is, geloochend.

Spraak is het teken van leven, in het graf heerst eeuwige stilte. „De doden kunnen G-d niet pijzen, noch al diegenen die in stilte afdalen,” zegt Koning David in de Tehilliem (116:18). De doden hebben net zo min iets te zeggen als al diegenen die nimmer de kracht van hun eigen woorden wisten te appreciëren. Ware wijsheid weerspiegelt de bron van het leven. Het woord Chacham  [Chet-Chaf-Mem, 8+20+40=68] heeft in het Hebreeuws dezelfde gematria – getalswaarde – als Chaim [Chet-Jod-Jod-Mem, 8+10+10+40]. Het is de taak van de mens om deze bron van G-ddelijke zegen en goedheid te openen. Zijn woorden verbinden zijn leven met de bron van al wat bestaat.

De woorden van Awraham onthulden het woord van G-d aan de wereld, Bil’am daarentegen uitte slechts kwaad en vernietiging.

Vraagt de Talmoed Berachot 7a: „Wat was de grootheid van Bil’am? Hij was minder dan een ezel, want hij kon zelfs niet waarnemen wat zijn ezeltje wel zag.” Antwoordt de Gemara: „Hij wist precies het moment waarop Hasjem kwaad is.” En dat moment wilde Bil’am benutten om Israël te vervloeken.  Gaat de talmoed verder en zegt: „G-d zei tegen Israël: ‘Weet welk een rechtvaardigheid ik met jullie gedaan heb, want ik werd niet kwaad in de dagen van de booswicht Bil’am. Wanneer ik wel kwaad was geworden, zou er niets van de vijanden van Israël (een eufemisme voor Israël] zijn overgebleven… en hoe lang duurt G-ds boosheid? Een ‘Regga’[een moment]. En hoe lang duurt een regga? Zo snel als je het uitspreekt.”

Vraagt Tosafot ter plaatse: „En wat had hij [Bil’am] in dat moment kunnen zeggen? ‘Kalem!’ [vernietig hen!”

Wij kunnen best begrijpen dat G-d twee werelden naast elkaar geschapen heeft, een wereld van wijsheid en leven en een wereld van dood en duisternis. Bil’am echter vertegenwoordig iets meer: het bestaan van het zuivere kwaad, de ontkenning van G-d en de negatie van Zijn woord. Bil’am gelooft dat hij G-d naar zijn hand kan zetten en dat hij zich kan verbergen voor Zijn wil. Hij gaat door met zijn snode plannen, ondanks G-ds vermaning. G-d heeft het kwaad toegestaan om de mens de vrije keuze te laten. Echter in de wereld van Bil’am heeft het kwaad een eigen vorm aangenomen, met een heel gebied waarover het regeert.  Wat heeft dat voor nut?

„Zei Rabbi Jochanan: Van de zegen van deze booswicht kan men leren wat er in zijn hart leefde. Hij trachtte te zeggen dat wij geen Batei Knessiot of Batei Midrasjot zouden hebben – ‘Ma Towoe Ohalècha Ja’akov, Misjkenotècha Jisraël [Hoe goed zijn uw tenten Jacob, uw woningen Israël].’ Zei Rabbi Abba bar Kahana: ‘Al deze [vloeken van Bil’am] werden op den duur inderdaad een vloek, behalve de Batei Knessiot en Batei Midrasjot, zoals er geschreven staat [Dewariem 23:6]: ‘En G-d veranderde de vloek in een zegen,’ – ‘de vloek’ staat er, niet ‘de vloeken’” (Sanhedrin 105b). Al de vloeken die Bil’am in gedachten had, zijn uitgekomen: Israël verloor zijn Tempel, zijn land, zijn reputatie, zijn koningen en zijn macht, behalve de vloek van de synagogen en leerhuizen, die tot op de dag van vandaag zijn blijven bestaan (Rasji t.p.).

Onze Geleerde leren: de vloek van Bil’am is een zegen in vermomming. Hij trachtte kwaad te spreken, maar de beracha die er uit voortkwam, staat voor altijd overeind.

Chazal hebben geleerd dat Bil’am en Lawan een en dezelfde zijn. Het pad van Bil’am volgt dezelfde lijn als die waarvan Lawan gezworen er nimmer vanaf te wijken. Lawan – wit, is altijd de achtergrond, die als schutkleur dient, om te contrasteren met de valse boodschap. G-d had een plan, de onthulling van een ware eenheid, de goedheid en de rechtvaardigheid van Zijn wegen. Het heeft geen nut om geheimen aan een dwaas te openbaren, aan iemand die geen onderscheid weet te maken tussen wijsheid en stompzinnigheid. Dan moet de waarheid reëel, zichtbaar en hard gemaakt wor­den, wanneer de onthulling van de waarheid geen nut heeft.

Dat is de ironie. In hun haast om al het goede te vernietigen, werden Bil’am en Lawan  het voertuig dat de waarheid onthult, die zij trachtten te verbergen.

Wanneer een vermoeide wereld wanhoopt om de belofte te vinden, die Bil’am aanbiedt, wanneer de leegte van zijn plannen in schande is opgegaan, dan blijft de waarheid over. De Vloek is omgezet in een zegen. Bil’am heeft zijn eigen boek geschreven waarin de waarheid onthuld werd, ondanks hemzelf.

De Loechot kunnen van achteren naar voren en van voren naar achteren gelezen worden, van binnen naar buiten of omgekeerd, hoe je ze ook draait of keert, de boodschap is daar: G-d en Zijn volk zijn één.

We leven in een wereld van woorden. Eindeloos gepraat, iedere uur, iedere minuut. Die woorden overheer­sen ons leven, sturen onze gedachten en controleren onze waarden. Publieke opinie kan worden omgezwaaid, door wie er voor wil betalen, en de moraal van een samenleving verschuift met de pen van de nieuws-redacteur. Toespraken en discussies vullen de lucht, maar er wordt niets gezegd. Of het het aantal doden ten gevolge van een bomaanslag is in Londen, of het weer in Zimbabwe op CNN-tv, of de kampioen van de dag, het laatste nieuws haalt alleen de eendagskoning naar voren.

Het is het woord van Bil’am, zijn vloek, die onze wereld dreigt te overstromen. Overal waar wij ons wenden is de boodschap hetzelfde: „Wij kunnen doen wat wij willen, het kan G-d niets schelen!”

In de Beit HaMidrasj verwacht een goede vraag een antwoord. Hoe moeilijker het probleem, des te dieper het begrip wanneer een antwoord wordt gevonden.

De woorden van Bil’am hebben de rest van de wereld veroverd, maar de beracha echoot nog na in die ene plaats die van ons is: „MaTowoe Ohalècha Ja’akov Misjkenotècha Jisraël.

 

Veranderde G-d van gedachte?

In het begin van parasjat Balak (vers 22:12 lezen wij dat G-d Bil’am verbiedt met de mannen van Balak mee te gaan: „ìÉà úÅìÅêÀ òÄîÌÈäÆílo teleech imahem [ga niet met hen mee].” Wanneer Bil’am de tweede keer aan Hasjem toestemming vraagt om mee te gaan zegt Hasjem tegen Bil’am (22:20): „ìÅê àÄúÌÈíleech itam [ga met hen mee].” Was G-d van gedachte veranderd? Had hij zich door Bil’am laten ompraten? Maar waarom „ontbrandde de toorn van G-d” (22:22) dan toen Bil’am inderdaad deed wat G-d hem gezegd had? De Gaon van Wilna loste dit probleem als volgt op. We moeten opmerken dat in de beide bovengenoemde zinnen de woorden „ga mee” verschillend in het Hebreeuws zijn weergegeven: de eerste keer met het woord òÄîÌÈäÆíimahem – [met hen], afgeleid van het woord òÄíiem, gebruikt en de tweede keer met het woord àÄúÌÈíitam [met hen], afgeleid van het woord àÅúet. Allebij betekenen ze „met”. Maar, zegt de Gaon van Wilna, er is een nuance verschil tussen die twee woorden. Het woord et betekent een fysiek vergezellen, maar het woord iem duidt een „samen gaan met” aan, met een gemeenschappelijk doel. Een aanwijzing hiervoor vinden we in Bereisjiet 12:4, waar staat: „En Awraham ging, zoals Hasjem tegen hem gesproken had en Lot ging ito (àÄúÌåÉ) [met hem mee] en Awraham was 75 jaar.” Vragen de Geleerden: Waarom wordt de leeftijd van Awraham hier vermeld? Awraham ging omdat Hasjem hem dat gezegd had, maar Lot ging met hem mee omdat Araham al 75 jaar was en geen kinderen had, en Lot dacht dat hij van die oude man misschien wel al diens rijkdommen kon erven. Lot ging niet met hetzelfde doel als Awraham op weg, hij vergezelde hem slechts fysiek, om een andere redenen.

Daarentegen werd Esav, die Ja’akov tegemoet ging toen die terug kwam van Lawan, vergezeld door vierhonderd soldaten en de engel rapporteert aan Ja’akov: „…we arba meöt iesj  òÄîåÉ imo [vierhonderd man komen met hem mee].” Zij hadden allen hetzelfde doel.

Nu kunnen we het begrijpen: Hasjem stond Bil’am toe om de prinsen fysiek te begeleiden, als dat gunstig zou zijn voor Bil’am, maar niet met hetzelfde doel, om Israël te vervloeken. Maar wat deed Bil’am? Bil’am stond ’s morgens vroeg op, zadelde zijn ezelin „wajjèlech iem sarei Moav – en hij ging mee met de prinsen van Moav, niet als medereiziger, maar als medeplichtige! En dat vertoornde Hasjem.