Vorige uitgaven

Home-page

Inzicht in Parasjat Balak 5768

Hij [Bil’am] zei tegen hen:Blijf hier vannacht, dan zal ik jullie het antwoord geven, dat Hasjem tegen mij gezegd heeft’ ” (22:8).

Bil’am, de volmaakte leugenaar, presenteert zichzelf als een heilige. Hij zal niets doen zonder de uitdruk­kelijke toestemming van G-d. Typerend voor zijn zondig gedrag, gaat hij door met zijn eerbied te betuigen voor de Almachtige. Maar zijn valse personaleit, zijn surrogaat-karakter, is het duidelijkste teken van zijn slechtheid. Het is één ding om iets slechts te doen, maar om dat voor te doen als een vrome en verdienstelijke handeling is het dieptepunt van schaamteloosheid. In ieder geval volgde Bil’am in de voetstappen van zijn voorvader Lavan, de virtuose zwendelaar die slechtheid transformeerde tot een kunst. Bil’am werd niet geplaagd door gewetensbezwaar over het vloeken van Israël. Zijn haat voor het Volk van Hasjem brandde intens in hem. Maar toch ging hij nooit tegen Hasjem in. Daarom moest hij een manier uitdenken om zijn ongerechtig gedrag tot uitdrukking te kunnen brengen en tegelijkertijd de indruk van rechtvaardigheid te kunnen wekken. Hij had een heter – een dispensatie – nodig om ons volk te vernietigen.

Bil’am dacht dat hij met zijn gezwendel zou slagen. Maar wie hield hij uiteindelijk voor de gek? Slechts één persoon – hijzelf. Wanneer iemand maar genoeg liegt, gaat hij zijn eigen leugens geloven. Wanneer iemand de mensen om zich heen probeert voor de gek te houden, door zich voor te doen als een rechtvaardig persoon, terwijl hij in werkelijkheid niets anders is dan een kameleon, dan houdt hij alleen zichzelf voor de gek. Hij gaat geloven in zijn eigen rechtvaardigheid. Bil’am vroeg om te mogen sterven als een tsaddiek! Dat is hypocrisie ten top! Hij geloofde werkelijk dat hij waardig was om heilig te worden verklaard. [Wel, vele van zijn navolgers zijn inderdaad door de Kerk heilig verklaard (Zwi).]

HaRav Avidor Halevi Nebentzhal Sjlita, stelt dat de reden dat de Tora de gebeurtenissen met Bil’am vermeldt is, dat een klein beetje van Bil’am latent in ieder van ons aanwezig is. Ieder van ons moet vechten met zijn eigen hypocriete natuur en inconsistentie. De „Bil’am-factor” is levend en gezond in ieder van ons. De enige vraag is: Hoeveel? Wij houden onszelf voor de gek – waarvoor? Er wordt verteld dat een chassidische rebbe eens één van zijn chassidiem, die gezondigd had en die zijn wangedrag als iets moois trachtte op te luisteren, vroeg: „Wie denk je dat je voor de gek houdt? Je kunt Hasjem niet voor de gek houden. Je houdt ook de mensen om je heen niet voor de gek. Kennelijk ben jij de enige persoon die je slaagt voor de gek te houden. Wat win je ermee om een dwaas voor de gek te houden?” Dit idee is helaas maar al te waar voor ieder van ons.

Het volk van Sedom was een typisch voorbeeld van dit kwaad. Onze Geleerden vertellen ons dat de Sodomieten zeer slim waren. Zij nodigden arme mensen naar hun stad uit. Zij gaven zelfs gratis geld aan de armen, maar zorgden er wel voor dat op ieder munt die zij weggaven, een merkteken stond. Er was één voorwaarde aan hun liefdadigheid verbonden: niemand was het toegestaan om voedsel te verkopen aan de armen. Wanneer tenslotte de arme man stierf van de honger, konden zij hun munten terugnemen. Dan is er het verhaal van het bed van Sedom, dat de reiziger werd aangeboden om op te rusten. Wanneer hij echter te lang was, werd er een stuk van zijn benen afgehakt en als hij niet lang genoeg was, werd hij wat uitgerekt, totdat hij op het bed paste. Rav Nebentzhal voegt daaraan toe dat sommigen van ons het bedje van Sedom gebruiken als een analogie voor Tora. De Tora moet aan onze levensstijl passen. Wanneer Tora te veel mitswot van ons eist, dan maken we de Tora wat korter. Wij zorgen dat hij bij ons past, overeenkomstig onze behoeften en waarden. En uiteindelijk houden we onszelf voor de gek.

¯ ¯ ¯

De Talmoed verbiedt ons een kind te vernoemen naar een slecht mens, en citeert daarbij het vers uit Spreu­ken (10:7): „De naam van de booswicht zal rotten.” Toch is een hele afdeling van de Tora vernoemd naar Balak, de koning van Moav, waarvan de Midrasj zegt: „Die van alle haar vijan­den [het Joodse volk] het meest haatte.”

Want Balak is de parasja van de toekomst, wanneer het kwaad wordt omgevormd tot goed en vloeken zegeningen blijken te zijn. Het is in de afdeling van Balak dat de uniekheid van Israël en haar speciale relatie met Hasjem op de mooiste manier wordt beschreven, als die komt uit de afschuwelijke mond van Bil’am, die door Balak wordt gehuurd om het Joodse volk te vervloeken. En het is in de Parasja van Balak dat de meest expliciete vermelding in de Vijf Boeken van Mozes voor de tijd van de Masjiach te vinden is in de vorm van een profetie door diezelfde Bil’am.

„Laat Mosjé, die hen liefheeft, hen vermanen,” zegt G-d, wanneer het volk van Israël vermaning nodig heeft, want vermaning vanuit een liefhebbend hart is vele malen meer effectief. „En laat Bil’am, die hen haat, hen zegenen,” want de zegen van een vijand is veel reëler dan de lof van een geliefde.