Index

Inleiding tot de Misjna

Het woord „Misjna” en zijn betekenis werd door één van onze grote commentatoren, Rabbi Nathan ben Jechiël van Rome (1035-1110), ook bekend als de Aroech, naar het boek dat hij schreef, als volgt verklaard: „Waarom wordt het Misjna genoemd? Omdat het als tweede na Tora gegeven werd; de Tora, die heel Israël hoorde op de Berg Sinaï, is de Geschreven Leer; en onze leraar Mosjé hoorde G-d bij een tweede gelegenheid [op de Berg Sinaï], en dat is de Mondelinge Leer.” Daarom wordt het Misjna genoemd, hetgeen „tweede” betekent, afgeleid van het woord sjenajim, dat „twee” betekent: het is de „tweede leer”, na de Tora, de Schriftelijke Leer.

Het woord Misjna komt ook van dezelfde stam als het Hebreeuwse woord „Sjanah”, dat letterlijk „herhalen” [wat al eens eerder geleerd werd] betekent en het wordt daarom ook gebruikt in de betekenis van „leren”. De „Misjna” is in feite het hele lichaam van Joodse wetten, die tot het jaar 200 van de Gewone Jaartelling (GJ) mondeling was doorgegeven en ontwikkeld, totdat dit uiteindelijk door Rabbi Jehoeda haNasi (Jehoeda de Vorst) op schrift werd gesteld. Hij wordt doorgaans simpel „Rabbi” genoemd.

Voor de tijd van Rabbi werden alle Joodse wetten mondeling doorge­geven; het was expliciet verboden deze Mondelinge Leer op te schrijven en te publiceren, omdat alles wat men zou opschrijven incompleet zou zijn en onderhevig aan misvattingen en verkeerde interpretaties en verkeerd gebruik. Na uitgebreide discussies werd dit verbod opgeheven, toen het duidelijk werd dat dit de enige mogelijkheid was om ervoor te zorgen dat de Mondelinge Leer bewaard zou blijven. De Romeinen, die in die tijd het toen­malige Palestina bezet hadden, hadden ten strengste verboden om Tora te leren, op straffe van de doodstraf. Daardoor waren de Jesjiwot bijna leeg en dreigde de Mondelinge Leer te worden vergeten. Om dit laatste te voorkomen nam Rabbi de redactie van de Misjna op zich. Hiertoe overlegde hij met zijn ge­leerde tijdgenoten en hoorde hij aan wat zij allen van hun leermeesters geleerd hadden. Zo ging hij terug tot de tijd van de Mannen van de Grote Vergadering, de Knesset HaĜedolla.

 Gedurende deze periode (rond het jaar 200 GJ) werd de Misjna als zodanig niet gepubliceerd. De studie van de Joodse leer gebeurde nog steeds uit het hoofd, behalve voor privé aantekeningen en in brieven.

De Misjna bestaat uit zes delen of ordes (sedariem). Dat verklaart waarom de Talmoed ook wel de „Sjas” genoemd wordt, „Sjisja Sedariem,” zes ordes, of zes delen Misjna. Elk van deze zes ordes bevat 7 tot 12 traktaten, masechet genoemd. Elk masechet is verdeeld in perakiem  – hoofdstukken, elk hoofdstuk in paragrafen of misjnajot – meervoud van misjna.

Dus met een Misjna kan bedoeld worden „De Misjna”, het hele werk van de zes traktaten, of „een misjna,” een bepaalde paragraaf uit een traktaat.

De Ordes van de Misjna:

1. Eerste Orde: Zeraïm (zaden). 11 traktaten, die hoofdza­ke­lijk landbouwwetten en voorschriften voor dagelijkse gebeden bevatten.

2.  Tweede Orde: Mo’eed (feestdagen). 12 traktaten over Sjabbat en feestdagen, waarbij het grootste deel van de traktaten over de feestdagen de offerdienst behandelt.

3.  Derde Orde: Nasjiem (vrouwen). 7 traktaten over hoofd­za­ke­lijk huwelijk, echtscheiding en de nazir.

4.  Vierde Orde: Nezékiem (schades). 10 traktaten over bur­ger­lijk recht, handelsrecht en strafrecht.

5.  Vijfde Orde: Kodasjiem (heilige dingen). 11 traktaten over offerrites, de Tempel en de spijswetten.

6.  Zesde Orde: Taharot (reinheid). 12 traktaten over rituele reinheidswetten, waaronder tahara misjpacha, reinheids­wetten voor de familie.

   

Wat is de verhouding tussen Misjna en Tora?

De Rambam (afkorting voor Rabbi Mosjé Ben Maimon, ook wel Maimonides genoemd) schrijft in de inleiding van zijn monumentale werk de Misjné Tora (letterlijk vertaald: de herhaling van de Tora) hierover het volgende:

„De Mitswot die aan Mosjé op Sinaï gegeven werden, werden allen samen met hun uitleg en verklaring gegeven, zoals blijkt uit Sjemot 24:12: En Ik geef je de stenen tabletten, de Tora en de mitswa.

De Tora heeft betrekking op de geschreven wetten; de mitswa op de verklaring. G-d heeft ons opgedragen de Tora uit te voeren overeenkomstig de instructies van de mitswa. De mitswa wordt de Mondelinge leer genoemd”.

Door de nadruk te leggen op het feit dat bij de onthulling op Sinaï de mitswot samen met hun uitleg en verklaring werden gegeven, benadrukt de Rambam dat de Mondelinge en Schriftelijke Leer niet gezien kunnen worden als aparte entiteiten, maar beschouwd moeten worden als twee dimensies van één geheel.

De Rambam gaat dan verder en schrijft:

„Mosjé Rabbeinoe schreef persoonlijk de hele Tora op voordat hij overleed. Hij gaf aan elk van de stammen een Tora-rol en plaatste nog een rol in de Ark als getuigenis, zoals er staat geschreven in Dewariem [Deuteronomium] 31:26: Neem deze rol en plaats hem naast de Ark, zodat het een getuigenis zal zijn.

De Misjna – de verklaring op de Tora – schreef hij niet op. In plaats daarvan leerde hij die mondeling aan de oudsten, aan Jehosjoea en aan heel Israël, zoals er staat in Dewariem 13:1: Wees zorgvuldig en neem alles in acht zoals Ik het je heb voorgeschreven. Daarom wordt het de mondelinge leer genoemd.

„Mosjé Rabbeinoe onderwees de Mondelinge Leer in zijn geheel aan het college van zeventig oudsten, aan Elazar [de zoon van Aharon], aan Pinchas [de zoon van Elazar] en aan Jehosjoea. Hij instrueerde in het bijzonder Jehosjoea om de Mondelinge Leer verder te onderwijzen aan diens opvolgers.

„Jehosjoea leerde het aan de oudsten van zijn hof van rechtsge­leerden. Eli leerde de traditie van Pinchas. Sjmoeël [Samuel] leerde het van Eli en diens hof. David leerde het van Sjmoeël en diens hof.

„Achia van Sjilo had zelf nog de uittocht uit Egypte meegemaakt. Hij leerde het van Mosjé Rabbeinoe en van David. De profeet Eliahoe (Elia) leerde het van Achia en Elisja leerde het van Eliahoe.”

De Rambam beschrijft dan verder hoe de traditie achtereenvolgens overging van Elisja  op Jehojada – Zecharja – Hosea. Van Hosea ging het over op Amos – op Jesjajahoe (Jesaja) – Micha – Joël – Nachoem – Chawakoek (Habakuk) – Tsefanja, en Jeremiahoe kreeg het van Tsafanja en diens gerechtshof. Baroech ben Neria leerde het van Jeremiahoe. Baroech ben Neria leerde het aan de Joden in Babel en zo leerde Ezra het. Het Hof van Ezra wordt Ansjei Knesset HaĜedolla [Mannen van de Grote Vergadering] genoemd. Daarin zaten onder meer: Chagai, Zecharja, Malachi, Daniël, Channanja, Misjaël, Azaja, Nechmaja ben Chakalia, Mordechai de taalkundige, Zeroebavel en vele anderen, 120 in totaal. De laatste overlevende van deze groep was Sjim’on de Rechtvaardige. Hij fungeerde als Hogepriester na Ezra.

Het Hoogste Gerechtshof werd daarna Sanhedrin genoemd en bestond uit 70 geleerden. Zij leerden het van Sjim’on de Rechtvaar­dige en gaven het op hun beurt weer door aan hun opvolgers, tot het kwam bij Hilleel en Sjammai en hun Sanhedrin. Ook zij gaven de traditie verder door aan hun opvolgers, todat het uiteindelijk via Rabbi Akiva en Rabbi Meïr en diens collega’s kwam bij Rabbi Jehoeda haNasi, die, zoals wij boven reeds geleerd hebben, de mondelinge leer voor het nageslacht bewaarde en op schrift stelde.

De Gemara [Aramees voor overlevering] is de toelichting op en verklaring van en uitgebreide discussies over de Misjna. Het bestaat grotendeels uit analyses en verklaringen van de woorden van iedere Misjna, en het werd ontwikkeld in de loop van de volgende drie eeuwen. Het is als het ware de ziel, de innerlijke betekenis van de wetten. De Talmoed (het Hebreeuwse woord voor Gemara) zegt in traktaat Sota (22a), dat diegenen die paskenen – een halachische uitspraak doen – op basis van de Misjna, zonder de toelichting van de Gemara bestudeerd te hebben, verantwoordelijk zijn voor de ruïnering van de wereld, want, zo legt Rasji uit, zonder die toelichting kan men die wetten niet toepassen. Men zou het kunnen vergelijken met iemand die een wetboek geleerd heeft, maar niet de uitgebreide jurisprudentie. Ook hij kan de wetten niet toepassen.

Er werden twee aparte gemara’s samengesteld in die tijd, de een werd geleerd in de scholen van Babylonië en die werd, samen met de Misjna, bekend onder de naam „Babylonische Talmoed” of kortweg de Bawli. De ander werd geleerd in het land Israël en werd de „Talmoed Jeroesjalmi”, of kortweg „Jeroesjalmi” genoemd.

De studie van de Misjna met de Gemara werd een van de voornaamste studiedoeleinden van het Joodse leren door de eeuwen heen. Desalniettemin heeft de studie van de Misjna zelf altijd zijn waarde behouden, omdat het ’t fundament vormt van de hele Joodse leer.

Het commentaar van de RAV

In de middeleeuwen en ook in modernere tijd werden er verschei­dene commentaren geschreven  om de uitspraken en begrippen van de Misjna te verklaren en te bespreken. Deze commentaren zijn van groot belang voor wie de Misjna wil leren, want zonder die verkla­rin­gen, die gebaseerd zijn op de Gemara, kan men zelfs geen opper­vlakkig begrip krijgen van veel van de betekenis van de Misjna. Het commentaar dat de grootste populairteit verkreeg, was dat van Rabbi Ovadja miBartinoro uit de Italiaanse stad Bertinoro), kortweg Bartinoro. Zoals algemeen gebruikelijk met namen van bekende geleerden, werden de Hebreeuwse initialen van zijn naam [Resj AjinBeet, maar de Beet wordt aan het eind van een woord uit­gesproken als een V] samen­ge­voegd tot RAV. Zijn commentaar werd afgerond in Israël omstreeks het jaar 1500 van de Gewone Jaartelling.

De RAV baseerde zijn verklaringen op de discussies van de Gemara, op het commentaar van Rasji op de Gemara en op het com­mentaar van de Rambam op de Misjna. Zijn werk is bijna een standaardcommentaar geworden en wordt in de meeste gedrukte uitgaven van de Misjna opgenomen.


 

Algemene opmerking bij de vertaling

De bedoeling van deze vertaling van de Misjna is diegenen die on­vol­doende Hebreeuws kennen en ook moeite hebben met een vlot begrip van de diverse goede Engelse vertalingen die er zijn, kennis te doen maken met de basis van het Jodendom, de Mondelinge Leer. Ik heb daarbij gekozen voor een zo nauwkeurig mogelijke woor­de­lijke vertaling, die toch ook in goed Nederlands begrijpelijk moet zijn. Daartoe is, waar dat nodig leek, een korte toelichting in de tekst tus­sen rechte haken [ ] ingevoegd.

Voorts heb ik in de voetnoten het standaard commentaar van Rabbi Ovadja miBartinoro erbij opgenomen, voor een beter begrip en, waar dat nodig is, daar nog wat opmerkingen en toelichting aan toege­voegd.

Overal waar achter een voetnoot (RAV) vermeld staat, is dat het commentaar van Rabbi Ovadja miBartinoro.

Wat tussen ronde haken ( ) staat, heeft de RAV  tussen haakjes gezet.

Wat tussen recht haken [ ] staat, is er door de vertaler als toelichting bijgezet. Voetnoten waar niets achter staat zijn eveneens van de vertaler.

„Vert.D.” betekent: vertaling volgens de siddoer met vertaling van Dasberg.

Mijn dank gaat in de eerste plaats uit naar mijn lieve vrouw die dit alles heeft uitgetikt (behalve deze woorden), en heeft geholpen bij de correctie en met waar­de­volle adviezen.

Voort moet ik het geheel belangeloze werk vermelden van Bert Oude Engberink, die dit alles zorgvuldig gecorrigeerd heeft en van op- en aanmerkingen heeft voorzien.

Zwi Goldberg

Zomer 5763 (2003)


Copyright © 2004 by
Zwi (H) Goldberg

All rights reserved.
No part of this publication may be reproduced, stored in a retrieval system or transmitted, in any form or by
any means, electronic, mechanical, photocopying, recording or otherwise, without prior permission in writing
from the copyright holder