Orthodox Jodendom - Artikelen en foto's

 

    Jodendom voorpagina     

 

De Basis van het Jodendom

  

De absolute en Goddelijke waarde van de wetten  

Feminisme in het Jodendom  

Ze was traditioneel Joods  

Het volk van het boek  

Feest -en hoogtij dagen [chagiem]  

Pesach - De Sederavond  

Kasjroet  

Chassidisme  

Hoe het de Joden in Nederland verging  

Israel als Joodse staat  

Als je jood/jodin wilt worden  

Rouwperiode in het Jodendom  

Waarom wij niet in Jezus geloven  

Joodse muziek - מוסיקה יהודית  

Afbeeldingen  

Links  

Documenten

 

 

 

   
   
   

  

 

  

 

  

 

  

 

  

 

  

 
 
 
 
 
 
 
 
 

    

Feminisme in het Jodendom

Parasjat Wajechi, 5759

.... die mij naar Zijn wil geschapen heeft.

Wanneer een man G'd dankt dat Hij hem niet als niet-jood, slaaf of vrouw geschapen heeft, is dat niet een uiting van superioriteit. Hij dankt G'd omdat Hij hem meer verplichtingen (mitswot) opgelegd heeft om na te leven. Dat verplicht hem tot meer zelfdicipline. G'd beval de mens (in Bereishit 1 :28) zich te vermenigvuldigen, de aarde te vervullen en haar (d.w.z. die aarde) aan hem te onderwerpen en om te heersen over alle dieren. Onze geleerden leren ons dat beheersing van de aarde eigenschappen van agressiviteit vereist, sluwheid ook en nog andere sterke eigenschappen. Deze eigenschappen moeten in bedwang gehouden worden door de mitswot. Vrouwen hebben minder mitswot te vervullen. De geleerden leren ons, dat G'd de vrouw geschapen heeft kirtsono "naar Zijn wif', dat wil zeggen: zoals G'd wilde dat de mensen zouden zijn, barmhartig, behulpzaam, koesterend en verzorgend. Deze beracha die de vrouw zegt, is zeker geen acceptatie van een inferieure status, zoals zovele vrouwen dat tegenwoordig uitleggen, maar een com­pliment.

Nadat onze aartsvader Ja'akov aan Joseef gevraagd had om hem in de grot Machpela te begraven, voegde hij daaraan nog toe: "En wat mijzelf betreft, toen ik van Padan kwam, is mij Rachél onderweg ontvallen .... en ik heb haar daar begraven, langs de weg naar Efrath" (Bereisjit 48:7). Rasji verklaart, dat Ja'akov vreesde dat misschien zijn verzoek om hem naar de grot Machpela te-brengen en hem daar te begraven, bij Joseef gevoelens van droefenis zouden doen opwekken, omdat zijn moeder dat voorrecht niet vergund was. Daarom zag hij zich genoodzaakt zich te verontschuldigen, dat hij Rachél langs de weg begraven had. Rasji voegt daar nog wat aan toe en verklaart dat Ja'akov aan Joseef hiermee duidelijk maakt dat hij Rachél daar begraven heeft op bevel van Hasjem: "Je moet weten, dat ik haar op bevel van een G-ddelijke uitspraak daar heb begraven, opdat zij tot hulp zou zijn voor haar kinderen: wanneer Nebuzaraddan hen in ballingschap zal weg­voeren en zij daar langs trekken, zal Rachél uit haar graf komen en wenen en om erbarmen voor hen smeken. Want er is gezegd (in Jeremiahoe 31:15-17):

Er wordt een stem in Rama gehoord *, enz. en HaKadosj, Baroech Hoe antwoordt: er is loon voor uw werk, zo spreekt de Eeuwige, en de zonen zullen terugkeren naar hun gebied".

Ja'akov en Rach'el vertegenwoordigden de volmaaktheid van man en vrouw als echtpaar, bij het volk Israël. Ja'akov was de uitverkorene onder de aarts­vaderen en Rachél was zijn hoofd-vrouw (zoals Ja'akov zei: Rachél is mij ontvallen'), zijn huisvrouw, de vrouw van zijn huis (in het Hebreeuws: Ikerret bajit = huisvrouw, afgeleid van het woord ikar = hoofdzaak). Daarom is het mogelijk om in hen het kenmerk van man en vrouw in Israël te zien.

Ja'akov verzocht om hem omhoog te brengen na zijn dood, naar het land Israël en hem te begraven in de grot Machpela. Nu ondergraaft hij met deze verklaring de volmaaktheid van de heiligheid die hij zou kunnen verkrijgen. Daar­entegen vertegenwoordigt Rachél de zelfopofferende toewijding, zij geeft haar wens om op een heilige plaats begraven te worden op, om tot hulp voor haar zonen te zijn en om bij haar kinderen te kunnen zijn in hun uur van ellende. En daarom zegt HaKadosj, Baroech Hoe in het vers in Jere­miahoe: er is loon voor uw werk.

Dit verschil tussen Ja'akov en Rachél symboliseert het verschil in taak tussen man en vrouw. Hoewel voor beiden de regel geldt: "ik ben geschapen om mijn Heer te dienen, om te doen wat Hij wil dat ik doe", toch is voor elk van hun tweeën die taak verschillend. De taak van een man is om af te zien van het maximum van de persoonlijke volmaaktheid. Daarom gelden voor hem meer mitswot dan voor een vrouw, en daarom wordt van hem vereist zich te concentreren op Tora-studie, op de dienst van de Tefilla, ook in wereldlijke zaken, ten einde te bereiken dat "in al zijn wegen zal Hij hem kennen".

Daarentegen geeft een vrouw haar volmaaktheid op ten behoeve van haar kinderen. Zij is vrijgesteld van de positieve en aan tijd gebonden mitswot, omdat zij een grotere en belangrijkere taak heeft: het komende geslacht te doen opgroeien en op te voeden. En hoewel zij hiermee een bepaalde mate van persoonlijke volmaaktheid opgeeft, doet zij dit door zelf opofferende toewijding.

Zo komt men tot de zegswijze van de vrouwelijke voortreffelijkheid: Bij een man, omdat hij zich bezig houdt met het verbeteren van zijn eigen voortref­felijkheid, kan zich een gevoel van zelfvoldaanheid ontwikkelen, zelfs tot een gevoel van trots. Maar bij een vrouw, die dezelfde opofferende toewijding uitoefent, wordt de inwendige Joodse ziel getoond, zonder dat die ook maar enigszins wordt verminderd door de aanwezigheid van egoïsme of trots.

Daarom ook wordt niet via de afstamming van de vader bepaald of men tot het Volk Israël behoort, maar via de moeder. Zo ook is de Joodse identiteit een afgeleide van het wezen van de ziel, die zich onverhult laat zien, juist bij de vrouw. Daarom ook is het de zelfopofferende toewijding van de vrouw, onze aardsmoeder Rachél, die de belofte heeft veroorzaakt: de zonen zullen terugkeren naar hun gebied.

* De volledige verzen luiden: Aldus sprak Hasjem: 'Er werd een stem gehoord in Rama, geweeklaag en bitter huilen; Rachél huilt om haar kinderen; zij weigert om getroost te worden over haar kinderen, want zij zijn er niet meer '. Aldus spreekt Hasjem: 'Laat je stem stoppen met huilen, en je ogen [stoppen) met tranen [te vergieten), want je werk zal beloond worden " zo spreekt Hasjem, 'en zij zullen terug komen uit het land van de vijand. En er is hoop voor de toekomst', zo spreekt Hasjem, 'want de kinderen zullen terug komen binnen hun eigen grenzen '.