Patriarchen & Oorsprong

Inhoudsopgave

Home

 

De Aartsvaderen en de Oorsprong van het Jodendom

Abraham – Awraham in het Hebreeuws, Isaac (of Jitschak) en Jacob (of Ja'akov), bekend als de Patriarchen of Aartsvaderen, zijn zowel de fysieke als de geestelijke voorouders van het Jodendom. Zij hebben de basis gelegd voor de godsdienst die nu bekend staat als Jodendom, en hun nakomelingen zijn het Joodse volk. Natuurlijk is het technisch gezien onjuist, om Abraham, Isaac en Jacob Joden te noemen, want de begrippen "Jood" en "Jodendom" werden nog niet voor dit volk gebruik tot honderden jaren later; niettemin zullen wij voor het gemak dat woord hier gebruiken.

De geschiedenis hieronder is afgeleid uit de Geschreven Tora, Talmoed, Midrasj en andere bronnen. Moderne onderzoekers hebben er twijfels over of de Aartsvaderen wel bestaan hebben en of deze informatie historisch wel accuraat is; het is echter de moeite waard om hier op te merken dat moderne historici ook getwijfeld hebben over het bestaan van Babylonië... totdat zij archaeologische vondsen gedaan hebben.

Awraham

Volgens de Joodse traditie, werd Awraham geboren onder de naam Abram (Awram), in de stad Ur in Babylonië in het jaar 1948 van de Schepping (circa 1800 VGJ). Hij was de zoon van Terach, een koopman van afgodsbeelden, maar reeds vanaf zijn vroegste jeugd had hij twijfels over het geloof van zijn vader en zocht hij de waarheid. Hij kwam tot het geloof dat het hele universum het werk was van één enkele Schepper, en hij begon dit geloof aan anderen te leren.

Awram trachtte zijn vader, Terach, te overtuigen van de dwaasheid van diens afgodendienst. Op een dag, toen Awram alleen thuis was om op de winkel te passen, nam hij een hamer en sloeg alle afgodsbeelden stuk, behalve de grootste. Hij legde de hamer in de hand van dat grootste afgodsbeeld, en toen zijn vader thuis kwam en vroeg wat er gebeurd was, zei Awram: „De afgoden kregen ruzie en hebben met elkaar gevochten en die grote heeft ze allemaal stuk geslagen.” Zijn vader zei: „Doe niet zo belachelijk, die afgodsbeelden hebben geen leven of kracht. Die kunnen niets doen” Awram antwoordde: „Waarom aanbidt u ze dan?”

Uiteindelijk werd Awram geroepen door die ene Schepper die hij had gediend, en Die deed hem een aanbod: als Awram zijn huis en familie zou verlaten, dan zou G-d van hem een groot volk maken en hem zegenen. Awram accepteerde dit aanbod, en de Brit (verbond) tussen G-d and het Joodse volk was gelegd. (Gen. 12).

Het idee van de Brit is fundamenteel voor het traditionele Jodendom: we hebben een verbond, een contract met G-d, waaraan voor beide kanten rechten en verplichtingen zijn verbonden. Wij hebben bepaalde verplichtingen ten opzichte van G-d, en G-d heeft bepaalde verplichtingen ten opzichte van ons. De betekenis van deze Brit werd duidelijker in de loop van de tijd, tot het moment van het Geven van de Tora (zie hieronder). Abram werd onderworpen aan tien testen van vertrouwen, om te bewijzen dat hij het verbond waard was. Het verlaten van zijn huis was één van deze beproevingen.

Awram, opgegroeid als een stadsbewoner, nam een nomadebestaan aan, reizend door wat nu bekend staat als het Land Israël gedurende vele jaren. G-d beloofde dit land aan de nakomelingen van Awram. Awram wordt een Hebreeër (Ivri) genoemd, mogelijk omdat hij een afstammeling van Ewer was of misschien omdat hij van de „andere kant” (ewer) van de Rivier de Eufraat kwam.

Maar Awram maakte zich zorgen want hij had geen kinderen en hij werd al oud. Awrams geliefde vrouw, Sarai, wist dat zij de leeftijd van het kinderen krijgen reeds voorbij was en daarom bood zij haar slavin Hagar als vrouw aan voor Awram. Dit was een algemeen gebruik in die tijd in die streek. Volgens de traditie was Hagar de dochter van Para'o [Farao], die aan Awram gegeven was tijdens zijn reizen door Egypte. Zij baarde Awram een zoon, Jisjma'el - Ismaël, die zowel volgens de Moslims als de Joodse traditie de stamvader is van de Arabieren. (Gen 16)

Toen Awram 100 jaar was en Sarai 90, beloofde G-d aan Awram een zoon bij Sarai. G-d veranderde Awrams naam in Awraham (vader van velen), and Sarai's naam in Sara (van „mijn prinses” in „prinses”). Sara baarde Awraham een zoon, Isaac (in het Hebreews, Jitschak), een naam die is afgeleid van het Hebreeuwse woord voor „gelach,” hetgeen de vreugde van Awraham uitdrukt dat hij op zijn hoge leeftijd een zoon kreeg. (Gen. 17-18). Jitschak werd de voorvader van het Joodse volk. Dus het conflict tussen Arabieren en Joden kan gezien worden als een vorm van broederstrijd!

Isaac (Jitschak)

Jitschak was het voorwerp van de tiende en moeilijkste test van het vertrouwen van Awraham in G-d: G-d gebood Awraham om Jitschak als brandoffer te offeren (Gen 22). Deze test staat in de Joodse traditie bekend als de Akeidat Jitschak (of kortweg Akeida, het Binden van Jitschak), een aanduiding dat Jitschak gebonden op het altaar lag.

Maar deze test is ook een buitengewone demonstratie van het vertrouwen van Jitschak, want Jitschak wist dat hij geofferd zou worden, maar hij bood geen weerstand, iets wat hij gemakkelijk had gekund, want Jitschak was op het moment van zijn binding een volwassen man van 32 jaar en geen kind meer, zoals hij veelal in schilderijen en prenten staat afgebeeld. Hij  was met zijn vader verenigd in toewijding.

Op het laatste moment zendt G-d een engel om het offeren te stoppen. Het is interessant om op te merken dat kinderoffers in die tijd de gewoontste zaak van de wereld waren. Dus voor de mensen rondom Awraham was het feit dat Awraham zijn zoon ging offeren niet zo verbazingwekkend, maar dat G-d hem daarvan tegenhield, dat was iets bijzonders!

Voor het Jodendom is deze geschiedenis het bewijs dat G-d mensenoffers verafschuwt. Het Jodendom heeft mensen- en kinderoffers, die ook vandaag de dag nog in het Midden-Oosten en elders door aanhangers van sommige godsdiensten gepractiseerd worden, altijd ten felste bestreden.

Jitschak trouwt later met Rebecca (Rivka), die hem een tweeling,  Jacob (Ja'akov) en Esau (Esav) baart (Gen 25).

Jacob (Ja'akov, Israël)

Ja'akov  en zijn broer Esav waren reeds met elkaar in oorlog nog voor zij waren geboren. Zij vochten reeds met elkaar nog in Rebecca's buik. Esav was Jitschaks favorite zoon, want hij was een goede jager, maar de meer geestelijk ingestelde Ja'akov was Rivka's favoriet.

Esav had weinig eerbied voor de geestelijke erfenis van zijn voorvaders, en verkocht zijn  geboorterecht op het geestelijk leiderschap aan Ja'akov voor een bord linzen. Toen Jitschak oud was, liet Rivka Jitschak door middel van een list zijn zegen, die voor Esav bestemd was, aan Ja'akov geven. Esav was hier kwaad over, en over zijn verkoop van zijn geboorterecht en wilde daarvoor zijn broer doden. Daarom vluchtte Ja'akov naar zijn oom, waar hij zijn geliefde Rachel ontmoette. Ja'akov werd door zijn oom bedrogen en trouwde eerst met Rachels oudere zuster, Lea, maar later trouwde hij met Rachel, zowel als ook met Rachels en Lea's dienstmeiden, Bilha en Zilpa. Bij deze vier vrouwen kreeg Ja'akov twaalf zonen en één dochter.

Na vele jaren werken bij zijn oom keerde Ja'akov terug naar huis. Onderweg kwam Esav hem tegemoet. De nacht voor de ontmoeting worstelde Ja'kov met een man, waarvan onze Geleerden zeggen dat hij de beschermengel van Esav was. Ja'akov overwon hem en sedert dien werd zijn naam Israël (Jisraël), hetgeen betekent „die geworsteld heeft met G-d”. Het Joodse volk wordt in de Bijbel sedert dien, en ook elders doorgaans Bnei Jisraël – ‘Kinderen van Israël’ – genoemd, hetgeen aanduidt dat zij de nakomelingen van Ja'akov-Israël zijn. [Echter een betere vertaling van de woorden Bnei Jisraël is ‘Israëlieten’, zoals Bnei Adam geen Adamskinderen of mensenkinden zijn, maar vertaald dient te worden met ‘mensen’  en Bnei Noach geen Noach-kinderen zijn maar Noachiden of nakomelingen van Noach, en een Ben Zekoeniem, letterlijk een zoon van zijn ouderdom, een ‘nakomertje’ is, en een Ben Ier is een stadsbewoner, enz.]

Kinderen van Israël (Israëlieten)

Ja'akov had 12 zonen: Re'oeween (Ruben), Sjim'on (Simeon), Levi, Jehoeda (Juda), Issachar, Zwoeloen  (Zebulon), Dan, Gad, Asjer (Aser), Naftali, Joseef en Benjamin. Zij zijn de stamvaders van de stammen van Israël, en naar hen zijn de stammen genoemd. Joseef is de stamvader van twee stammen, namelijk van Manasjee en Efraïm.

Joseefs oudere  broers waren jaloers op hem, omdat hij de lievelingszoon van zijn vader was en omdat hij visioenen had dat hij hen eens allemaal zou leiden. Zij verkochten hem in slavernij aan Egyptenaren en overtuigden hun vader ervan dat hij dood was. Maar dit was alles deel van  G-ds plan: Joseef werd naar Egypte gebracht waar hij de dromen van Par'o (Farao) uitlegde en zo werd hij aangesteld als onderkoning van Egypte. Op die manier bereide hij de vestiging van zijn familie in Egypte voor.

De Exodus en het Geven van de Tora (Matan Tora)

De jaren gingen voorbij en de nakomelingen van Israël werden slaven in Egypte. Zij leden erg onder de latere Par'o, maar G-d voerde de Israëlieten uit Egypte onder leiding van  Mos (Mozes).

G-d leidde de Israëlieten op een lange reis door de woestijn naar de Berg Sinaï, waar G-d zichzelf openbaarde aan het volk en met hen een verbond sloot:  wanneer het volk naar G-d zou luisteren en Zijn voorschriften zou naleven en inachtnemen, dan zouden zij het meest geliefde volk zijn van alle andere volken,  een koninkrijk van priesters en een heilig volk (Ex 19). G-d gaf de  Tora aan Zijn volk, zowel de geschreven als de  mondelinge Tora, en heel het volk antwoordde: „Alles wat Hasjem heeft gezegd zullen wij doen!” Volgens de Joodse traditie was iedere Joodse ziel die ooit zou worden geboren, op dat moment aanwezig en stemde er mee in dat hij gebonden was met dit Verbond.