De aard van G-d

 

Inhoudsopgave

Home

 

De aard van G-d

De aard van G-d is één van de weinige gebieden van abstract Joods geloof, waarover weinig discussies of meningsver-schillen bestaan.

G-d bestaat

Het feit dat G-d betaat is bijna algemeen geaccepteerd. Een bewijs is niet nodig, en wordt zelden geboden. De Tora begint met de uitspraak:  In het begin, schiep G-d ... Er wordt niet verteld wie G-d is of hoe Hij werd geschapen.

In het algemeen ziet het Jodendom het bestaan van G-d als een noodzakelijke voorwaarde voor het voortbestaan van het universum. Het bestaan van het universum is een voldoende bewijs van het bestaan van G-d.

G-d is Eén

Eén van de primaire uitdrukkingen van het Joodse geloof, welke tweemaal per dag in het  gebed gezegd wordt, is het Sjema, dat begint met de woorden: Hoor, Israël: Hasjem is onze G-d, Hasjem is Eén. Deze eenvoudige verklaring omvat een aantal verschillende ideeën:

  1. Er is slechts één G-d. Geen ander naam deel aan het scheppingswerk.

  2. G-d is een eenkeid. Hij is een enkele, volledige ondeelbare entiteit. Hij kan niet in delen worden opgesplitst of worden beschreven door middel van eigenschappen. Iedere poging om eigenschappen aan G-d toe te schijven is slechts een gebrekkige poging van de mens om het oneindige te begrijpen.

  3. G-d is het enige wezen die wij prijzen. Het Sjema kan ook vertaald worden met:  "Hasjem is onze G-d, Hasjem is alleen," hetgeen betekent dat geen ander onze G-d is, en dat wij tot niemand anders bidden.

G-d is de Schepper van alles

Alles in het universum werd door G-d geschapen en door G-d alleen. Het Jodendom verwerpt volledig de dualisitsche idee dat het kwaad geschapen werd door Satan of door enige andere godheid. Alles is afkomstig van G-d. Zoals Jesaja zegt: Ik ben Hasjwem, en er is geen andere. Ik heb het licht en de duisternis geschapen, Ik maak vrede en en heb het kwaad geschapen. Ik ben Hasjem, die al deze dingen doet. (Jes. 45:6-7).

G-d is onlichamelijk

Hoewel op verschillende plaatsen in de Bijbel en in de Talmoed sprake is van lichaams-delen van  G-d (de hand van G-d, de vleugels van G-d, etc.) en er over G-d in anthropo-morfische termen gesproken wordt (G-d wandelde in de Tuin van Eden, G-d legt tefillien, etc.), beweert het Jodendom dat G-d geen lichaam heeft. Iedere referentie aan G-ds lichaam is niets anders dan een figuurlijke wijze van spreken, een manier om G-ds handelingen meer begrijpelijk te maken voor wezens die in een materiële wereld leven. Een groot deel van de Gids voor de verdoolde van Rambam is gewijd aan de verklaring van deze anthropomorfische referenties, om te bewijzen dat zij slechts figuurlijk begrepen moeten worden.

Het is ons absoluut verboden G-d in enige fysieke vorm af te beelden. Dat wordt be-schouwd als afgoderij. De zonde van het Gouden Kalf  was niet zozeer dat het volk een andere godheid koos, maar dat zij trachtten G-d in een fysieke vorm voor te stellen.

G-d is noch manlijk noch vrouwlijk

Dit volgt direct uit het feit dat G-d geen fysieke vorm heeft. G-d heeft geen lichaam en het idee dat Hij de lichaamskenmerken van een man of vrouw zou hebben is dus ronduit absurd. Wij spreken weliswaar over G-d in de mannelijke vorm, maar dat is uitsluitend voor het gemak. Het Hebreeuws kent geen onzijdige vorm (en in het Nederlands wordt iets dat onzijdig is ook met zijn aangeduid, terwijl het woord god in het Nederlands mannelijk is, in tegenstelling tot het woord godin).

Hoewel wij doorgaans over G-d in de mannelijke vorm spreken, wordt Hij soms aangeduid in vrouwelijke termen.  De Sjechina, de manifestatie van G-ds aanwezigheid die het univer-sum vult, wordt in vrouwelijke woorden uitgedrukt, en het woord Sjechina is een vrouwelijk woord.

G-d is alom aanwezig

G-d is overal op ieder moment. Hij vult het universum en is daarbuiten en oveziet het. Hij is ons altijd nabij om door ons in tijd van nood te worden aangeroepen, en Hij ziet alles wat wij doen. Hiermee nouw verboden is het idee dat G-d universeel is. Hij is niet alleen de G-d van de Joden; Hij is de G-d van alle volken.

G-d is Almachtig

G-d kan alles. Er wordt gezegd dat het enige dat buiten zijn macht ligt, de vrees voor Hem is; dat wil zeggen: wij hebben een vrije wil, en Hij kan ons niet dwingen te doen wat Hij wil. Dit geloof in G-ds almacht is pijnlijk getest gedurende de vele vervolgingen van de Joden, maar wij hebben altijd volgehouden dat G-d een reden heeft om deze dingen toe te laten, ondanks dat wij, met ons beperkt verstandelijk vermogen niet in staat zijn de reden ervan in te zien.

G-d is Alwetend

G-d weet alles, verleden, heden en toekomst. Hij kent onze gedachten.

G-d is Eeuwig

G-d staat boven en buiten de tijd. Hij heeft geen begin en geen eind. Hij was er altijd en zal er altijd zijn, om Zijn beloften gestand te toen. Toen Mozes naar G-ds naam vroeg, ant-woordde Hij: Ehejeh asjer ehejeh. Deze woorden worden in het algemeen vertaald met: Ik ben wie Ik ben maar het woord ehejeh kan zowel tegenwoordige als toekomstige tijd betekenen, en dan betekent het: Ik ben wie Ik zal zijn of Ik zal zijn wat Ik zal zijn. Deze dubbele betekenis van deze woorden wordt dikwijls geïnterpreteerd als een aanwij-zing voor G-ds eeuwigheid.

G-d is zowel rechtvaardig als barmhartig

Er wordt wel beweerd dat de Joodse godsdienst er een is van strikte rechtspraak, waaraan geen menselijk wezen kan voldoen. Er zou geen sprake zijn van barmhartigheid of genade.  Dit is een ernstige miskenning van het Joodse geloof. Het Jodendom heeft altijd beweerd dat G-ds rechtspraak getemperd wordt door genade, waarbij de twee kwaliteiten perfect met elkaar in evenwicht zijn. Van de twee Namen van G-d die het meest voorkomen in de Bijbel, is één een aanduiding voor Zijn eigenschap van rechtvaardigheid, en de ander voor Zijn eigenschap van genade. De beide namen werden samen gebruikt in het Scheppings-verhaal, om aan te duiden dat de wereld geschapen werd zowel met rechtvaardigheid als genade.

G-d is Heilig en volmaakt

Eénm van de meest voorkomende namen voor G-d in de na-Bijblese periode is Ha-Kadosj, Baroech Hoe, de Heilige, gezegend (of geprezen) is Hij.

Avinoe Malkeinoe: G-d is onze Vader en onze Koning

Het Jopdendom gelooft dat wij allen G-ds kinderen zijn. Een algemeen bekend stuk uit de Joodse liturgie beschrijft G-d herhaaldelijk als Avinoe Malkeinoe, onze Vader, onze Koning. De Talmoed leert dat er drie partners zijn bij de vorming van ieder menselijk individu: de moeder en vader, die voor de fysieke vormgeving zorgen, en G-d, Die zorgt voor de vorming van de ziel, de persoonlijkheid en de intelligentie. Er is gezegd dat één van de grootste gitften van Hasjem aan de mensheid de wetenschap is, dat wij Zijn kinderen zijn en dat wij geschapen zijn naar zijn evenbeeld.