De aard van de mens

Printversie

Inhoudsopgave

Home

De aard van de mens

Over de vraag naar de aard van de mens is, zoals op de meeste terreinen van abstract geloof in Jodendom, veel ruimte voor per-soonlijke mening. Er is geen dogma over dit onderwerp, niet een vereist geloof over de aard van de mensheid. Er bestaan verschil-lende, met elkaar strijdige meningen over dit onderwerp en men is niet minder Joods (en niet minder een goede Jood) als men het met één van deze meningen of met geen van allen eens is. Niettemin zijn er bepaald ideeën die de meerderheid van het Joodse denken lijken te vertegenwoordigen en die de moeite waar zijn om te bespreken.

Naar het beeld van G-d

De Bijbel zegt dat de mens geschapen is naar het beeld van G-d, maar wat betekent het om te zijn geschapen naar het beeld van G-d?

Het is duidelijk dat er niet het fysieke beeld van G-d mee bedoeld wordt, want het Jodendom is er vast van overtuigd dat G-d onlichamelijk is en geen fysiek uiterlijk heeft. Rambam wijst erop dat de Hebreeuwse woorden die vertaald worden met „beeld” en „gelijkenis” in Gen. 1:27 niet betrekking hebben op de fysieke vorm van iets. Het woord voor „beeld” in Gen. 1:27 is „tsèlem,” hetgeen betrekking heeft op de aard of de essentie van iets, zoals in Psalmen 73:20: „U zult hun beeld (tselmam) afschuwelijk vinden.” Men verafschuwt iemands aard of karakter, niet zijn fysiek uiterlijk. Het woord voor fysieke vorm, legt Rambam uit, is „toar,” zoals in Gen. 29:17, waar van Rachel gezegd wordt dat zij „schoon van gestalte (toar) was en schoon van gelaat,” en in Gen. 39:6: „En Josef was schoon van gestalte (toar) en knap om te zien.” Zo ook het woord dat gebruikt wordt voor „gelijkenis” is „damoet,” hetgeen gebruikt wordt om aan te duiden dat twee dingen op elkaar lijken, niet dat ze identiek zijn aan elkaar. Bijvoorbeeld: „Hij lijkt (damoeno) op een leeuw” in Psalmen 17:12, hetgeen niet betekent dat hun uiterlijk identiek is, maar dat hun aard op elkaar lijkt.

Wat is er in onze aard dat op G-d lijkt? Rasji legt uit dat we in zo verre op G-d lijken, dat we kunnen begrijpen en onderscheiden. Rambam licht dit toe door erop te wijzen dat wij door ons intellect te gebruiken, in staat zijn dingen te begrijpen zonder het gebruik van onze fysieke zintuigen, hetgeen ons op G-d doet lijken, want ook Die kan dingen waarnemen zonder dat Hij fysieke zintuigen heeft.

De dubbele natuur

In Genesis 2:7 zegt de Bijbel dat G-d de mens gevormd (wajjitser) heeft. De spelling van dit woord is ongewoon: er staan achter elkaar twee Jods in plaats van één Jod, zoals men zou verwachten. De Rabbijnen hebben hieruit afgeleid dat deze Jods het woord „jetser” weergeven, hetgeen „neiging” betekent en het bestaan van twee Jods hier wijst erop dat de mens gevormd is met twee neigingen: een goede neiging (de jetser tov) en een slechte neiging (de jetser ra).

De jetser tov is het morele geweten, de innerlijke stem die je herinnert aan G-ds wetten, wanneer je overweegt iets verkeerds te doen, wat verboden is. Volgens sommige meningen krijgt dat geen vat op iemand vóór zijn 13e verjaardag, wanneer hij verant-woordelijk wordt voor het nakomen van de geboden.

De jetser ra is moeilijker ter definiëren, omdat er verschillende ideeën over bestaan. Het is niet een verlangen om iets slechts te doen, zoals we normaliter denken in de westerse maatschappij: een behoefte om nuttelloos kwaad te veroorzaken. Echter, het wordt gewoonlijk beschouwd als een egoïstische karakter, de wens om zijn persoonlijke behoeften te bevredigen (voedsel, woning, seks, enz.) zonder rekening te houden met de morele consequenties van het voldoen aan deze wensen.

De jetser ra is niet iets slechts. Het werd ook geschapen door G-d en alles wat G-d geschapen heeft, is goed. De Talmoed merkt op dat zonder de jetser ra (het verlangen om persoonlijke behoeften te bevredigen) de mens geen huis zou bouwen, geen vrouw zou huwen, geen kinderen zou krijgen of geen zaken zou doen. Maar de jetser ra kan leiden tot het doen van verkeerde dingen, wanneer die niet gecontroleerd word door de jetser tov. Er is niets inherent verkeerd aan honger, maar het kan leiden tot diefstal van voedsel. Er is niets inherent verkeerd aan het verlangen naar seks, maar het kan leiden tot verkrachting, overspel, incest en andere seksuele perversiteiten.

De jetser ra wordt in het algemeen gezien als iets dat intern is in een mens, niet als een externe factor die op een persoon inwerkt. De idee dat „de duivel maakte dat ik dit deed” is niet in overeen-stemming met de Joodse gedachte. Hoewel er gezegd is dat Satan en de jetser ra één en dezelfde zijn, moet dat meer worden opge-vat als te betekenen dat Satan een personificatie is van ons egoïs-tisch verlangen en niet dat dit egoïstisch verlangen veroorzaakt wordt door een of andere uitwendige factor.

Mensen hebben de capaciteit om te kiezen welke neiging zij willen volgen, de jetser tov of de jetser ra. Dat is de kern van het Joodse begrip van vrije wil. De Talmoed merkt op dat alle mensen af-stammen van Adam, zodat niemand zijn slechte voorouders de schuld kan geven. In tegendeel, we hebben allemaal de mogelijk-heid om onze eigen keuze te maken en we zullen allemaal zelf verant­woordelijk gesteld worden voor die keuze.