Joodse houding ten opzichte van Niet-Joden

Inhoudsopgave

Home

 

Joodse houding ten opzichte van Niet-Joden

FriendsHet Jodendom gaat er vanuit dat de rechtvaardigen van alle volken een plaats hebben in de Komende Wereld. Het Jodendom gaat er in het algemeen van uit dat Christenen en Moslims dezelfde G-d aanbidden als wij doen en zij die de rechtvaardige geloofsstellingen van hun godsdienst volgen  kunnen in de ogen van G-d als rechtvaardig beschouwd worden.

In tegenstelling tot wat algemeen gedacht wordt, gelooft het Jodendom niet dat Joden betere mensen zijn dan andere mensen. Hoewel wij onszelf G-ds uitverkozen volk noemen, geloven wij niet dat G-d de Joden gekozen heeft omdat zij op een of andere manier superieur zijn boven anderen. Volgens de Talmoed (Avoda Zara 2b) bood G-d de Tora aan alle volken op aarde aan, maar de Joden waren de enigen die haar wilden accepteren.  Het verhaal gaat verder en zegt dat de Joden de laatsten waren aan wie de Tora werd aangeboden en dat zij die alleen maar accepteerden omdat G-d  een berg boven hun hoofden hield en Hij dreigde hen onderin de berg op te sluiten als zij de Tora niet wilden accepteren! (In Ex. 19:17, betekenen de woorden, die in het algemeen vertaald worden met aan de voet van de berg letterlijk: onder de berg!) Een ander traditioneel verhaal suggereert dat G-d het Joodse volk uitkoos omdat zij de nederigsten van de volken waren en hun succes zou aan G-ds macht worden toegeschreven in plaats van aan hun eigen kracht. Dit zijn duidelijk geen ideeën van een volk dat zich superieur acht boven andere volken.

Dankzij het feit dat wij Tora geaccepteerd hebben, hebben wij een speciale status in de ogen van G-d, maar wij verliezen die speciale status wanneer wij afwijken van Tora en die in de steek laten. Voorts komen de zegeningen die wij gekregen hebben van G-d bij het accepteren van Tora tegen een hoge prijs: Joden hebben een grotere verantwoordelijkheid dan niet-Joden. Waar niet-Joden slechts verplicht zijn de zeven Noachidische geboden na te leven, moeten Joden  de 613 mitsvot [geboden] van de Tora naleven, dus G-d straft Joden voor dingen die voor niet-Joden geen overtreding zijn.

De Zeven Wetten van Noach

Volgens traditioneel Jodendom gaf G-d aan Noach en zijn familie zeven geboden om na te leven toen hij hen gered had van de vloed. Deze geboden worden de Noachidische geboden genoemd, en worden afgeleid uit Genesis hoofdstuk  9:

1) Het vestigen van rechtbanken;
2) Geen G-dslasterlijke taal spreken;
3) Geen afgoderij te bedrijven;
4) Geen incest of ontucht plegen;
5) Geen bloed te vergieten;
6) Niet te stelen;
7) Geen vlees te eten van een levend dier.

Dit zijn eenvoudige en rechtlijnige geboden, en de meeste daarvan worden door het grootste deel van de wereld als gezonde morele principes beschouwd. Iedere niet-Jood die deze weten volgt heeft een plaats in de Komende Wereld.

De Noachidische wetten gelden voor iedereen omdat heel de mensheid afstamt van Noach en zijn familie. De 613 mitswot van de Tora daarentegen, zijn alleen bindend voor de nako-melingen van hen die de geboden op Sinaï hebben geaccepeteerd en voor diegenen die het juk van de geboden vrijwillig op zich hebben genomen (door bekering). Bovendien worden de Noachidische wetten soepeler toegepast op niet-Joden dan de overeenkomstige geboden voor Joden, omdat niet-Joden niet het voordeel hebben van de Mondelinge Tora om hen te leiden bij de interpretatie van de wetten.

Er is een groeiende beweging van niet-Joden die consciëntieus deze zeven Noachidische weten hebben geaccepteerd en die ervoor gekozen hebben om hun leven daar naar in te richten. Deze beweging noemt zich de B'ne Noach (Kinderen van Noach). Voor meer informatie over de B'ne Noach beweging en de Noachidische geboden, zie B'ne Noach.

Gojiem

Het meest gebruikelijke woord voor een niet-Jood is Goj. Het woord Goj betekent volk, en wijst op het feit dat Gojiem leden zijn van andere volken, dat wil zeggen, andere volken dan de Kinderen van Israël.

Er zit niets inherent beledigends in het woord Goj, zomin als er iets inherent beledigends zit in het woord Jood. In feite gebruikt de Tora af en toe het woord Goj om daarmee het  Joodse volk aan te duiden. Zo zegt G-d in Exodus 19:6 dat de Kinderen van Israël een koninkrijk van priester, een goj kadosj een heilig volk zullen zijn. Omdat Joden zulke slechte ervaringen hebben met antisemitische niet-Joden in de loop van de eeuwen, geven sommigen aan het woord Goj een negatieve connotatie. Maar net zo min als het woord Jood een scheldwoord is, omdat sommige antisemieten het als zodanig gebruiken, heeft ook het woord Goj geen meer beledigende betekenis dan het woord niet-Jood of het Engelse woord gentile.

Gemengde Huwelijken

Mij werd eens verweten dat veel Joden niet van niet-Joden houden. De persoon die dat wist had dat geconcludeerd uit het feit dat de ouders van zijn Joodse vriendin niet zo waren ingenomen met de niet-Joodse keuze van hun dochter. Ik heb hem uitgelegd dat de reden dat deze mensen niet zo gelukkig waren met de keuze van hun dochter niet was omdat hij een Christen was; zij keurden hem af om dat hij als Christen omging met een Joods meisje en dat is een heel ander probleem.

Traditioneel Jodendom staat gemengde huwelijken niet toe. De Tora zegt dat de kinderen uit zulke huwelijken verloren zijn voor het Jodendom (Deut. 7:3-4), en de ervaring heeft aangetoond dat dit maar al te waar is. Kinderen uit gemengde huwelijken worden zelden Joods opgevoed; doorgaans worden zij Christelijk of niet-religieus opgevoed. Dit is een weer-spiegeling van het feit dat Joden die een gemengd huwelijk aangaan al zelfs geen diepe Joods-religieuze gevoelens hebben (want als zij dat wel zouden hebben, zouden zij getrouwd zijn met iemand van dezelfde overtuiging), maar de statistieken zijn voldoende alarmerend om een basis voor grote bezorgdheid te vormen voor de toekomst van de Joodse Gemeenschap. Uit statistieken van bevolkingsonderzoeken onder de Joodse bevolking blijkt dat slechts ongeveer 28% van de kinderen uit gemengde huwelijken Joods opgevoed worden en dat de meerderheid van de Joden die tot andere godsdiensten overgaan, kinderen zijn uit gemengde huwelijken. 

Bekering

In het algemeen trachten Joden geen niet-Joden tot het Jodendom over te halen. In feite moeten rabbijnen volgens de halacha (Joodse Wet) drie krachtige pogingen doen om iemand die tot het Jodendom wil overgaan, dat sterk ontraden en hem daarvan ontmoedigen.

Zoals de bovenstaande discussie reeds uitlegde, hebben Joden veek meer verantwoorde-lijkheid dan niet-Joden. Om in de ogen van G-d een goed en rechtvaardig  mens te zijn hoeft een niet-Joods alleen maar de zeven Noachidische wetten te volgen, maar een Jood moet 613 geboden van Tora plus nog de vele honderden geboden van de Rabbijnen naleven. Wanneer de bekeerling in spe niet van plan is al deze extra regels volledig na te komen, dan is het voor hem beter om niet-Jood te blijven. De opdracht aan de rabbijnen om de proseliet in spe drie maal te ontmoedigen, door hem te wijzen op de vele moeilijk-heden die hij in het Jodendom zal tegenkomen (waarvan antisemitisme en Jodenvervolging niet de minste zijn), verzekeren dat  de toekomstige bekeerling serieus is en bereid is al die extra verantwoordelijkheid op zich te nemen.

Wanneer iemand eenmaal vast besloten heeft tot het Jodendom over te gaan, moet hij de Joodse godsdienstregels en gewoonten leren en die beginnen na te komen. Dit leerproces duurt op zijn minst een jaar, want de toekomstige proseliet moet op zijn minst alle Joodse feestdagen eenmaal hebben meegemaakt. Echter de hoeveelheid studietijd die nodig is zal variëren van persoon tot persoon.

Nadat het leerproces voltooid is, wordt de proseliet voor een Beit Din (rabbinale rechtbank) geleid, die de proseliet examineert en vaststelt of hij of zij klaar is om tot het Jodendom te worden toegelaten. Wanneer de proseliet dit mondelinge examen heeft doorstaan, volgen de rituelen van de overgang tot het Jodendom. Wanneer hij een man is wordt hij besneden. Zowel mannen als vrouwen moeten zich onderdompelen in een mikwe (een ritueel bad voor geestelijke reiniging). De bekeerling krijgt een Joodse naam en wordt in de Joodse gemeenschap geïntroduceerd.

In theorie is de bekeerling, wanneer de procedure compleet is, een Jood als iedere andere Jood. In de praktijk wordt hij of zij vaak met enige argwaan bekeken, omdat wij uit de praktijk weten dat vele bekeerlingen na verloop van tijd weer terugkeren tot hun vroegere geloof, waarna zij vaak uit rancuneuze gevoelens antisemitische beschuldigingen rondstrooien. Het is echter belangrijk te herinneren dat Awraham zelf een bekeerling was, zowel als al de matriarchen van het Jodendom en ook Ruth, de overgrootmoeder van Koning David was een bekeerlinge.

Voor meer informatie over bekering tot het Jodendom wendde men zich tot het plaatselijk of landelijk Rabbinaat.