Inhoudsopgave

Home

 

Sha’atnez

Een van de minst begrepen en meest genegeerde geboden vinden we tweemaal in Tora. Hoewel de kleren van de Hoge Priester gemaakt waren van een combinatie van linnen en wol en hoewel ook tsietsiet gemaakt mogen worden van linnen en wol, leren Leviticus 19:19 en Deuteronomium 22:11 ons dat het verboden is om een kledingstuk te dragen waarin wol (van schapen) en linnen (van vlas) verwerkt is. De Tora noemt dit „SJA’ATNEZ.” De Tora vertelt ons niet waarom wij geen sja’atnez mogen dragen; er staat alleen maar: „Doe het niet!”

Verboden zoals: „Doe het niet” werken thuis (soms) redelijk goed met kleine kinderen. Als ze vragen: „Waar­om niet?” en wij antwoorden: „Omdat ik het zo gezegd heb,” is er een goede kans dat zij ons gebod gehoor­zamen. Voor moderne Joden echter, die soms een verklaring verwachten voor de halacha (Joodse wetten), is „doe het niet” tamelijk frustrerend.

Dit waren ook frustrerende wetten voor Rabbijnen. Net zoals kinderen trachten uit te vinden waar­om wij gezegd hebben: „Doe dat niet,” zo hebben ook onze Rabbijnen getracht een verklaring te vinden voor de reden dat Tora bezwaar maakt tegen het dragen van wol en linnen in hetzelfde kledingstuk. Maar zelfs al waren zij niet altijd tevreden over de gevonden redenen voor „Doe dat niet”-geboden, hebben de Joden toch altijd die geboden strikt opgevolgd en zich eraan gehouden. Toen de Joden de Tora kregen op de berg Sinai, zeiden zij: „Na’asè wenisjma – wij zullen doen en wij zullen horen.” Dat wil zeggen dat zij bereid waren de mitswot [ge- en verboden] uit te voeren ondanks dat zij daar de redenen niet voor begrepen. Dat is het ken­merk van de Joden – eerst de mitswa doen, en pas daarna er zien achter te komen waarom.

(Onze kinderen proberen vaak een reden te vinden voor ons verbod „doe dat niet”, opdat zij er onder­uit kunnen komen.…)

Laten wij een kijken of we een reden kunnen bedenken voor het verbod: „Meng geen wol met lin­nen samen in één kledingstuk.”

Laat me nogmaals er de nadruk op leggen dat wij niet echt weten waarom sja’anetz verboden is, maar hier is een idee dat ons helpt het een beetje te begrijpen. Op andere plaatsen in Tora vinden we aanverwante verboden: het verbod op het mengen van verschillende soorten zaden om zo nieuw voedsel te kweken. Het is ons verboden om de ene soort vruchtenboom te enten op een andere boom, om zo een nieuwe soort vrucht te maken. Het is ons verboden om verschillende soorten dieren met elkaar te kruisen om zo nieuwe diersoorten te maken. Het lijkt erop dat al deze verboden iets gemeen hebben: namelijk dat wij niet moeten denken dat de wereld niet perfect is, zoals G-d die geschapen heeft en dat wij die kunnen verbeteren.

Stel je voor dat je een schilderij hebt geschilderd. Je vriend komt op bezoek en bekijkt je schilderij. „Hoe vind je mijn schilderij?” Hij kijkt, glimlacht en zegt: „Fantastisch! Perfect!” Dat’s prettig om te horen. Vervolgens pakt je vriend een penseel en zegt: „Wat zou je ervan zeggen als we hier wat geel toevoegen (kwak) en daar wat blauw (spat) en wat rood, of groen hier (spet).” Hoe zou jij je dan voelen?

Wel, dat is de manier waarop wij Joden de wereld beschouwen. We zeggen: „De aarde met alles wat daarop is, is van G-d.” G-d heeft alles geschapen, alles was COMPLEET, af, perfect.

Door nieuwe soorten of planten, nieuw fruit en nieuw materiaal te maken, zo zeggen onze Rabbijnen, beledigen wij G-d. Het is ons wel toegestaan synthetische materialen te maken (zoals polyesther), maar het is ons niet toegestaan om te knoeien met natuurlijke materialen. Zo werd sja’atnez een belangrijke mitswa [gebod]. Wij willen G-d niet beledigen, niet waar? Dus laten wij onze kleren zorgvuldig controleren, om er zeker van te zijn dat zij geen sja’atnez – geen wol met linnen – bevatten.