Archief

Een huis voor de ziel

Door Rabbi Ahron Lopiansky (Jesjiwa Aish HaTorah)

De Tempelberg roept ongeëvenaarde Joodse emoties op. Dit is de reden.

De onderhandelingen over de Tempelberg hebben zulke intense en diepe emoties opgewekt bij Joden over de gehele wereld als nooit eerder te voren.

Voor sommigen gaat het hierbij om de brutaliteit van de Moslim-wereld die beweert dat het hun derde heilige plaats is, die belangrijker is dat het recht van de Joden op hun heilige plaats. Voor anderen is het de uitdaging tot onze uitgesproken historische herinnering. Voor weer anderen is het de gewelddadige aantasting van een archeologische opgraving die mogelijk de meest levendige autenticiteit geeft aan onze verbale geschiedenis. Maar voor bijna ieder ander is het alleen maar een intuïtief gevoel dat er iets speciaals is aan die plek.

Maar er is nog een andere kant aan de zaak, die ons minder comfortabel plaagt. Zijn een paar oude rotsblokken een oorlog waard? Kijken wij niet wat meewaardig naar de Serven en Bosniërs die niet kunnen ophouden elkaar af te slachten voor eeuwenoude „historische” en „geheiligde” plaatsen? Wij zien hen als blind gevangen in hun historie, in plaats van vooruit te streven naar een schone, onbekommerde toekomst.

Zelfs op het theologisch niveau horen wij reeds stemmen die zeggen: „Jodendom gaat om mensen, niet om dingen.” Of: „Heidenen geloven in heilige rotsen en aarde, Joden geloven in een trans-substantiële Heilige.”

Dit artikel gaat niet over de onderhandelingen in het Midden Oosten. Het is daarentegen bedoeld als een verduidelijking van de betekenis van de Tempelberg en geeft daarbij een antwoord op de vraag: Als het Jodendom gelooft in een onlichamelijke G-d, dat iconen, schilderijen en beelden verafschuwt, hoe verhoudt zich dat dan tot deze niet-indrukwekkende hoop stenen?

 

Het Heiligdom

Ten tijde van de ontmoeting van het Joodse volk met G-d op de Berg Sinai, werd hun opgedragen een Mikdasj – een heiligdom – te bouwen, zodat G-d in hun midden kon wonen (Exodus 25:8). Dat heiligdom, een draagbare structuur, bevatte de Tent der Samenkomst – het Tabernakel – dat op zijn beurt het Heilige der Heiligen bevatte, de Ark van het Verbond.

Deze draagbare structuur reisde met het Joodse volk gedurende de 40 jaar in de woestijn en was bij hen toen zij zich vestigden in het land Israël. Ongeveer 3.000 jaar geleden bouwde Koning David een altaar op de Berg Moria in Jeruzalem, waar, volgens de traditie, Awraham zijn zoon Jitschak (Isaak) naar toe bracht om hem te offeren en waar Ja’acov (Jacob) droomde over een ladder die tot in de hemel reikte. Op deze plaats bouwde de zoon van David, Koning Salomo de eerste Tempel  en maakte zo het draagbare Mikdasj permanent.

De Tempel werd Beit HaMikdasj – Huis van het Heiligdom – genoemd.

Dat begrip „huis” werd op vele manieren versterkt:

·                       De meubilering van de Tempel bestond uit een tafel en een lamp en een kruidenaltaar.

·                       Het binnenste heiligdom werd chadar mitot – slaapkamer – genoemd (II Koningen 11:22).

·                              De buitenste binnenplaats van de Tempel diende voor de voorbereidingen van voedsel en wassingen e.d.

·                       De Talmoed drukt het G-ddelijke verlies uit als „Wee Mijn huis dat verwoest is.”

Wat betekent het begrip „huis” in relatie tot G-d?

Het Huis

Laten wij eens een voorstellingsbeeld proberen te maken met behulp van een Venn diagram:

 

 

Wij hebben hier twee aparte individuen, A en B. Ieder heeft zijn eigen cirkel, A & B resp. Elk heeft een gebied dat het gebied van de ander snijdt en gedeeltelijk overlapt. Het gebied waar zij elkaar overlappen is het „huis”. Het is een gebied waar twee verschillende entiteiten hun gemeenschappelijke noemer vinden. Beit is de Hebreeuwse letter waarvan de nummerieke waarde gelijk is aan 2. En de letterlijke betekenis ervan is „huis”. Want een huis brengt twee elementen samen en herbergt binnenin wat zij gemeenschappelijk hebben.

Zo herbergt het huis van een gehuwd stel twee mensen met verschillende natuur en persoonlijkheid. De karaktertrekken die de echtgenoten onacceptabel lijken, laten zij buiten en die welke zij gemeen met elkaar hebben zijn inbegrepen in het huis en worden daar geaccentueerd. Wanneer een huwelijk langere tijd geduurd heeft, ontdoen beide partijen zich van hun offensief gedrag en leren meer en meer elkaars gemeenschappelijke dromen en idealen waarderen.

Hoe verhoudt zich dat tot G-d, de mens en het Beit HaMikdasj?

G-d en mens zijn zulke verschillende elementen als maar mogelijk is. G-d is de ultimale spirituele essentie, zonder enige materie. De mens is, tenminste oppervlakking gezien, fysisch materiëel, met een schijnbaar gebrek aan veel spiritualiteit.

Om dit probleem van de kloof tussen spiritualiteit en materialisme te overbruggen, heeft G-d een plek gecreëerd midden in de materiële wereld die kan dienst doen als een huis, waarin Israël en G-d zich kunnen verenigen binnen de context van wat zij gemeen hebben, de G-ddelijke ziel.

Jacobs droom

Dit is de essentie van Ja'acovs droom. Als hij vlucht voor zijn broer Esav, valt Ja'acov in slaap op een bergtop, waarvan de traditie zegt dat het de Berg Moria was. Hij droomt dat daar een ladder was, die reikte van de hemelen tot precies op de plaats waar hij sliep, en engelen stegen er langs omhoog en daalden eraf. Hij ontwaakte vol vrees en ontzag, en riep uit:

Hoe ontzagwekkend is deze plek. Dit moet de woning van G-d zijn; dit is de poort naar de hemel.” (Bereisjiet [Genesis] 28:10-17).

De Malbim, een 19de eeuwse bijbelcommentator, merkt over deze passage op:

„Ja’acov begreep dat deze plek de plaats was waar in de toekomst de Tempel zou staan … want de Tempel is de ladder, waardoor hemel en aarde elkaar kussen. De daden van de mens stijgen erlangs omhoog en de G-ddelijke Voorzienigheid daalt erlangs neer.”

Hoe was de G-ddelijke Aanwezigheid manifest in de Tempel?

De Misjna schrijft dat er tien voortdurende wonderen plaatsvonden in de Tempel: „Het vlees rotte niet, er waren geen vliegen … de regen doofde het vuur op het altaar niet, enz.”

Maimonides schrijft dat in het algemeen wonderen niet bedoelt zijn om te blijven voortbestaan in de tijd. Toch was er hier een steeds aanwezige, voortdurende groep van wonderen.

Behalve het feit dat we een gestage stroom van wonderen hadden, is er iets bijzonders aan het aantal van de wonderen, dat ons opvalt. Het nummer tien, zoals het gebruikt wordt in de Joodse tekst, is een zeer betekenisvol nummer. In het algemeen gesproken vertegenwoordigt het de totaliteit van een systeem, zoals het getal tien de totaliteit van het aantal eenheids integers vertegenwoordigt [het aantal cijfers].

En inderdaad, de Misjna noemt de Tien Wonderen in de Tempel in dezelfde serie als de Tien Uitspraken, waarmee de wereld geschapen werd. Zoals de wereld in zijn compleetheid de Tien Uitspraken van G-d omvat, zo ook bestaat de Tempel uit tien elementen, die een hele wereld vormen.

Met andere woorden, de Tempel is een „parallel”-wereld, fysisch van substantie, maar veel meer verfijnd en G-dde-lijk Het is een wereld van vlees, maar het vlees rot niet. Het is een wereld van damp en regen, maar het dooft nimmer het vuur op het altaar. Dus het is de meest fysieke manifestatie van de G-ddelijk Geest. Zo hebben wij gezien waar G-d in dit „huis” woont.

De mens aan de andere kant, moet zichzelf verheffen om dit huis binnen te gaan. Hij moet òf iemand zijn die zichzelf gewijd heeft aan de G-ddelijke dienst (d.w.z. een Cohen, priester), òf iemand die zich tijdelijk op een verheven niveau van spiritualiteit bevindt (het Joodse volk tijdens de feestdagen). Men moet zich daarop voorbereiden door zich te reinigen en offers te brengen. Zo kan een mens het G-ddelijke huis binnengaan, nadat hij uit zichzelf de meest G-ddelijke en nobele karaktertrekken heeft naar voren gebracht. Hij heeft in zichzelf de vonk van G-ddelijkheid – de G-ddelijke ziel – gevonden.

Dit is de plaats waar het G-ddelijke en de mens het gemeenschappelijke punt omvatten, en waar de twee elkaar kunnen omarmen en reinigen, al is het maar voor een kort moment.

Dit is onze collectieve herinnering aan deze ontzagwekkende plaats.

Wanneer wij kijken, zien wij een plaats die verlangend uitziet naar de dag waarop zowel G-d als de mens gereed zijn om zich weer zo te verenigen.

Een ontzagwekkende plaats

Wanneer wij kijken naar deze rotsblokken en de ruïne vanuit dit perspectief, zien wij dat hun waarde niet alleen een „historische” is. Te zelfder tijd zijn dit geen rotsen met magische krachten. Zij doen ons slechts herinneren aan de tijd toen deze plaats het beste en het schoonste in de mens deed uitkomen, en het meest tastbare en concrete van G-d.

De Tempelberg is ver verheven boven de lompe politiek van Rechts of Links. Het is de plaats waar G-d het dichtst bij Zijn eigen onthulling aan de mensheid kwam, op een permanente en voelbare manier. En het is een plaats waar de mens reikt naar de top van zijn eigen ontzagwekkend vermogen. Wanneer deze twee dingen tegelijkertijd gebeuren, dan omhelzen als het ware de mens en zijn Schepper elkaar binnen de perimeter van waar „hemel en aarde elkaar kussen.”

Te verklaren dat het Joodse volk niets te maken heeft met de Tempelberg is een verraad aan het bestaan zelf van het Joodse volk.

De essentie van ons bestaan is dat wij een natie zijn die gebonden is aan G-d, dat Zijn morele voorschriften in praktijk brengt en dat daarmee tracht zich met Hem te verbinden.

Voor redenen die alleen aan Hem bekend zijn, bestaat er slecht één nietig klein stukje land dat de moge­lijkheid heeft om G-d te doen onthullen,  zoveel als de G-ddelijke Voorzienigheid toelaat, en om de mens te verheffen tot de hoogst mogelijke toppen van spirituele menselijkheid. Wanneer wij driemaal per dag bidden, richten wij ons naar dit punt, in de wetenschap dat dit de spirituele pool van de aarde is.

Wij hebben hier niet alleen te maken met slechts geschiedenis en herinnering. Het gaat hier om onze meest essentiële aanwezigheid, met de ziel zelf van het volk. Dit is wie wij zijn en dit is onze belangrijkste „plaats.” En het is onze uitgesproken hoop en verlangen voor de toekomst.

De Tempelberg moet niet de laagste instincten van de mens opwekken, maar de nobelste. Onze herinnering aan dat wat daar heeft gestaan moet een uitbarsting van verlangen opwekken en een verheffing van onszelf. De dag zal komen dat wij weer „thuis” kunnen komen. Wanneer G-d ons zal vertellen: „Ik ben opnieuw bereid een ‘huis’ op te zetten, samen in G-ddelijke omarming.”

Op die dag zal er geen bloedvergieten zijn, want het ligt in de natuur van die dag dat de wereld deze fundamentele waarheid zal erkennen en hem zal omhelzen.

 

Copyright © 1995 Aish HaTorah