Archief

Rachel – het verhaal van de verlossing

Door de Aish.com Staf

Waarom begroef  Ja’acov Rachel langs de weg naar Beit-Lechem [Betlehem] en niet in Chewron [Hebron] zoals de andere aartsmoeders? Omdat hij voorzag dat in de toekomst de Joden Beit-Lechem zouden passeren op hun weg naar de ballingschap. Ja’acov wist dat Rachel hun angst zou voelen en voor hen zou bidden.

Het gebeurde 1.000 jaar later, toen de Joden een afgodsbeeld in de Heilige Tempel oprichtten en G-d hen wilde vernietigen voor altijd. De zielen van elk van de voorvaderen en aartsmoeders pleitten voor G-d om de Joden te sparen van een permanente ballingschap. In ruil voor G-ds belofte boden zij hun verdiensten aan: hun geloof en vertrouwen, hun devotie en hun zelf-opoffering. Awraham probeerde G-d te overtuigen middels zijn verdienste dat hij het monotheïsme in de wereld had gebracht. Maar G-d zei dat het niet genoeg was. Toen kwam Jitschak [Isaak] en pleitte voor G-d met zijn verdienste om zich zelf te laten offeren op de Berg Moria. Maar ook dat werd verworpen als zijnde onvoldoende. Ja’acov, Mosjé en anderen boden hun verdiensten aan. Het was niet voldoende.

Daarop trad de ziel van Rachel naar voren en sprak tot G-d: „Heer der Wereld, Meester van het Heelal,” zo begon zij, „ik heb zeven jaar gewacht tot ik met mijn geliefde Ja’acov mocht trouwen. Toen uiteindelijk de huwelijksdatum aanbrak, beraamde mijn vader een plan om mij te ruilen met mijn zuster Lea. Ja’acov vermoedde dat dit zou gebeuren, daarom spraken wij samen een wachtwoord af. Maar ik realiseerde mij dat Lea te schande zou worden gemaakt wanneer de samenzwering ontdekt zou worden. Daarom had ik medelijden met mijn zuster en gaf haar het wachtwoord. Ik overwon mijn gevoelens en was niet jaloers. Ik duldde een concurrent in mijn huis. Welnu, wanneer ik in staat was dat te doen, G-d, hoeveel te meer moet U in staat zijn dat afgodsbeeld te verdragen – de concurrent in Uw Huis.”

Onmiddellijk werd G-ds erbarmen opgewekt. Hij zei: „Huil niet om de ballingschap, Rachel, want ter wille van jou zal ik de kinderen van Israël in de toekomst terugvoeren naar hun geboorteland.”

Uit Jeremiahoe 31, Midrasj Bereisjiet Rabba 82:10 en Pesikta Eicha Rabbati 24