Chanoeka-index

Home

Het wonder van de eerste avond

Door Naftali Silberberg

Sommige feiten worden voor zoete koek aangenomen. Soms echter, doet een beetje doordenken vragen op­rijzen over de logica achter de begrippen die op het eerste gezicht zonder meer geaccepteerd werden. Bij­voor­beeld: Chanoeka duurt acht dagen, omdat de olie in het kruikje, die genoeg was om de menora één dag te laten branden, door een wonder acht dagen brandde. Dat weet iedereen. Maar is dit logisch? Wanneer er voldoende olie was voor één dag, dan duurde het wonder maar zeven dagen. Waarom dan vieren we de eerste dag, wanneer daarop helemaal geen wonder gebeurde?

Deze vraag heeft de Joodse Geleerden lange tijd dwars gezeten en daar zijn heel veel antwoorden op gege­ven. De meeste van deze antwoorden tonen aan hoe er op die eerste dag van Chanoeka inderdaad een wonder gebeurde. Maar misschien is het niet nodig om een wonder vast te stellen op de eerste dag Chanoeka, ten einde die dag mee te rekenen in het feest. Misschien vieren we de olie zelf, die op volkomen natuurlijke wijze de menora de eerste dag liet branden.

Een interessante gebeurtenis die in de Talmoed (Ta’aniet 25a) verteld wordt, zal dit „toelichten.”

De Geleerde Rabbi Chanina ben Dosa, uit de tijd van de Misjna, was bekend om de wonderen die hij ver­richtte. Kort na zonsondegang op een vrijdagavond merkte hij op hoe zijn dochter zachtjes stond te huilen. Toen hij haar vroeg naar de reden van haar verdriet, vertelde zij dat zij bij vergissing de Sjabbat-lamp had aangestoken met azijn in plaats van met olie. Rabbi Chanina troostte zijn dochter: „Huil niet, mijn kind. De Ene die geboden heeft dat olie zal branden, zal gebieden dat azijn zal branden.…”

Onnodig te zeggen dat de lamp niet uitging. In feite brandde hij door tot de volgende avond, en kon de havdala-kaars aan de vlam van de Sjabbatlamp worden aangestoken (deze kaars wordt gebruikt bij de cere­monie van zaterdagavond, wanneer aan het eind van de Sjabbat de nieuwe week wordt ingeluid).

In de ogen van deze Grote Geleerde was brandende azijn niet spectaculairder dan brandende olie.

Dit verhaal is daarom zo treffend, omdat Rabbi Chanina niet antwoordde met: „Wil je eens iets bijzonders zien? Let dan op het wonder dat gaat gebeuren!” Echter, in de ogen van deze heilige Geleerde was brandende azijn niet spectaculairder dan brandende olie. Het enige verschil tussen die twee is de frequentie waarop ze voorkomen. Wanneer de definitie van een „wonder” G-ddelijke interventie in persoonlijke en nationale aangelegenheden is, dan is ieder fenomeen een wonder – want alles wat gebeurt is een direct resultaat van G-ds ingrijpen. „De Hoeder van Israël sluimert of slaapt nooit,” maar Zijn wakend oog drukt zich doorgaans uit op een natuurlijke manier. De natuur is niets anders dan een gordijn dat de grote Poppenkastspeler aan onze ogen onttrekt.

Niettemin koesteren wij wonderen en feestdagen zijn ingesteld om de wonderen die het meeste invloed had­den op onze geschiedenis, te gedenken. We hebben deze kostbare momenten in onze geschiedenis lief, toen G-d verkoos om ons te redden op bovennatuurlijke wijze, toen het gordijn opzij geschoven werd en de Poppenkastspeler zichtbaar werd. Rabbi Chanina had het vermogen om iedere dag dwars door het gordijn heen te kijken, maar dat kunnen wij niet. Voor ons is het zien branden van azijn iets bijzonders, de moeite waard om het te onthouden.

Wanneer het gordijn eenmaal is opgelicht, zal de erkenning dat er een poppenkastspeler is niet  verflauw­en, zelfs niet als het gordijn weer wordt neergelaten. Nadat we gezien hebben hoe azijn kan branden, reali­seren we ons dat het feit, dat olie kan branden ook het resultaat is van G-ds gebod.

De zeven wonderlijke dagen dat de Menora bleef branden, brengt ons tot het inzicht dat de eerste dag niet minder „miraculeus” was.