Chanoeka-index

Index feestdagen

Zie ook: http://www.aish.com-chanukahthemes/chanukathemesdefault/Reality_and_Potential.asp

Realiteit en Potentiëel

door Yaakov Astor

De Geleerden van de Talmoed vermelden een klassieke discussie betreffende de Chanoeka menora: Beit Sjammai zegt: „De eerste dag steekt men acht kaarsen aan en iedere volgende dag vermindert men het aantal (de tweede dag zeven, de derde dag zes, enzovoort).”

Beit Hillel daarentegen zegt precies het omgekeerde: „Op de eerste dag steken we één kaars aan en op iedere volgende dag vergroten wij het aantal (de tweede dag twee, de derde dag drie, enzo-voort).”

Rabbi Eliyahu Dessler gebruikt dit in Michtav Eliyahu als springplank voor een dieper begrip van Chanoeka. Hij begint met een parabel: Stel je twee vrienden voor. Eén van hen koopt een loterijlot. De volgende dag ontdekt hij dat hij de hoofdprijs heeft gewonnen en in grote opwinding vertelt hij dat zijn vriend. We kunnen ons de vreugde van beiden voor­stellen, van de vriend op wiens lot de prijs gevallen is, zowel als op diegene die niets gewonnen heeft.

Enige tijd later koopt de winnaar weer een lot. Het geluk is met hem en hij wint weer en opnieuw kan hij niet wachten om dat zijn vriend te vertellen. De vriend is blij, samen met hem, maar iets minder. Misschien voelt hij zelfs wel een beetje afgunst dat zijn vriend zoveel geld gewonnen heeft en hij niet.

Opnieuw koopt de rijke vriend een lot en hij wint weer! In opperste verbazing rent hij naar zijn vriend en vertelt hem het goede nieuws. Nu is de vriend vreselijk jaloers; dit wordt te veel om te verdragen. Maar voor de persoon die blijft winnen voegt ieder volgend lot iets toe aan zijn opwin-ding en blijdschap.

Laten we ons eens voorstellen dat dit zich een vierde en een vijfde keer, enz. voordoet. Voor dege-ne die op deze manier rijkdom opstapelt, is ieder volgend loterijlot een opstapeling van vreugde boven op de vroegere winst. Daarentegen neemt de vreugde van zijn vriend steeds verder af.

Rabbi Dessler legt uit dat deze discrepantie ook bestaat in de manier waarop mensen de vreugde van Chanoeka bele­ven. De meeste mensen ervaren een aanvankelijke vreugde, die de eerste dag komt met het aansteken van de menora. Op de tweede dag is voor de velen van ons deze ervaring niet zo intens. Tegen de derde dag is het zelfs minder en iedere volgende dag neemt het verder af.

Maar anderen, wier spirituele gevoeligheid diep en inwendig is, ervaren de vreugde van het feest in een steeds toene­men­de mate, met de laatste dag als een climax.

Nefesj, Roeach, Nesjama

Rabbi Dessler gaat dieper in op deze zaak en vergelijkt dit met drie niveaus van de ziel: nefesj, roeach en nesjama. Iemand die het feest ervaart op het niveau van de nefesj, voert de handelingen automatisch uit; hij accepteert Chanoeka voor wat het is en is alleen maar in staat tot oppervlakkige handelingen.

Iemand die op het middelmatige niveau van roeach is, is als de meesten van ons – wij kunnen die-per ervaren, meer sublieme vreugde, maar slechts voor een korte tijd. We raken eraan gewend en krijgen dan de neiging om het aan te nemen voor wat het is. Het kan zelfs wel een moment ons hart zijn binnengedrongen, maar het verdwijnt weer spoedig.

Voor degene die zijn leven ervaart op nesjama-niveau, het hoogste niveau, laat de vreugde van Chanoeka een onuitwisbaar merkteken na op zijn ziel. Zijn belevenis is zo intens en indrukwekkend, dat hij er altijd voor kan aankloppen en erop kan bouwen.

Dit is het verschil tussen degene die zelf de loterij won en zijn vriend. Voor de winnaar was het een persoon­lijke belevenis die zijn nesjama raakte. Ieder winnend lot maakte een blijvende indruk die met ieder volgend winnend lot groeide. Maar voor zijn vriend, wie het niet persoonlijk raakte, was de vreugde meer afstande­lijk, het raakte alleen maar zijn nefesj of roeach. Maar bij de achtste keer was de afstand tussen hen enorm.

Samenvoegen

Laat ons deze analogie nu eens toepassen op het meningsverschil in de Talmoed, dat aan het begin van dit verhaal vermeld werd. Beit Sjammai zegt dat we de wet structureren in overeenkomst met de gemiddelde Jood, die van begin af aan alleen zijn nefesj gebruikt. Daarom is het logisch om te beginnen met acht kaarsen op de eerste dag, wanneer het nieuwtje van de mitswa en de flits van inspiratie de handeling zelfs voor iedere Jood verheft. Daar iedere volgende dag minder intens ervaren wordt en meer een routine wordt, verminderen we, naar mate de dagen verder gaan.

Beit Hillel kan best ermee instemmen dat de meerderheid van de Joden Chanoeka ervaren op een lager, nefesj-niveau. Zij zeggen echter dat de wet moet worden opgewaardeerd in overeenkomst met de minderheid van de mensen, die streven naar de diepste belevenis en naar de grootste spiri-tuele hoogten. Daarom begin­nen wij met één kaars op de eerste dag en vermeerderen iedere vol-gende dag. De wet weerspiegelt de beleve­nis van de verheven Jood, wiens belevenis met toene-mende intensiteit versterkt wordt naar mate Chanoeka verder schrijdt.

Vanuit een ander perspectief zegt Beit Hillel dat de wet moet worden aangepast aan het menselijk potentiëel – wat iemand idealiter kan worden, terwijl Beit Sjammai redeneert dat de wet moet wor-den aangepast aan de realiteit – het huidige niveau waarop wij onszelf nu bevinden.

Potentiëel tegenover actueel

Dit onderscheidt bevat een ander vraagstuk, dat betrekking heeft op de manier waarop wij ons leven leven. Moet ik mijn godsdienstig leven leiden zoals ik het nu voel? Of moet ik handelen alsof ik op een hoger niveau leef, in de hoop dat ik dat uiteindelijk bereik?

Er is een geldig argument voor ieder. De eerste benadering is geldig, omdat men niet hypocriet wil zijn. Wij willen ons niet beter voordoen dan wij zijn. Wij willen zijn zoals de Talmoed dat om-schrijft: tocho k’boro – iemands binnenkant is als zijn buitenkant. Bovendien leven wij overeen-komstig de realiteit die wij ervaren op dit moment. Wij proberen niet meer te zijn dan wij zijn. Het nadeel van deze levensbeschouwing is dat het gevaar bestaat dat wij ons aanpassen aan een middel-matige standaard. Dat wij niet zullen proberen grotere hoogten te bereiken, want we streven daar zelfs niet naar. We hebben onszelf in een „self-fulfilling prophecy” gemanoevreerd, gebaseerd op onze beperkte voorstelling van onszelf.

De tweede benadering heeft het voordeel dat het onszelf openstelt voor ons innerlijk potentiëel, het-welk wij anders nooit zouden hebben gekend. In de klassieke Joodse ethische geschriften wordt dit „de buitenkant wekt de binnenkant” genoemd. Ieder van ons heeft een slapende eigenschap in zich, die in staat is naar buiten te komen, wanneer die op de juiste wijze daartoe wordt overgehaald. Net zoals een kooltje een slapende ener­gie heeft die kan worden aangestoken met de juiste middelen. „De buitenkant wekt de binnenkant,” bete­kent dat je moet handelen alsof je op een bepaald niveau bent, hoewel je daar nog niet bent aangekomen, omdat onze handelingen de kracht hebben interne activa aan te boren, die anders niet beschikbaar zijn. Zij kunnen ons helpen onaangeboorde potent-iëlen te activeren, die liggen te wachten om te worden omgevormd tot iets substantiëels.

In werkelijkheid is dit de idee achter opvoeding, „chinoech” in het Hebreeuws. Het woord chinoech heeft de­zelfde wortel als het woord Chanoeka [de Nederlandse letters ch en k worden in het Hebreeuws met dezelfde letter ë geschreven. Chinoech heeft, net als Chanoeka, idealiter de bedoeling om in ons een beeld te planten van wat we kunnen zijn – ongeacht hoever wij nu van de beeld verwijderd zijn. Dit houdt ook verband met nog een andere betekenis van van het woord Chanoeka, „inwijding.” Met toewijding aan een ideaal, een visie, kunnen we op de sterren mikken en streven naar hoogten die voorheen onbereikbaar schenen. Ten slotte is dat het ware doel van opvoeding – niet slechts het overbrengen van informatie, maar iemand het gevoel geven van wat hij uiteindelijk kan worden.

De Joodse wet is in overeenstemming met Hillel. Wij steken de eerste dag Chanoeka één kaars aan en voegen daar iedere volgende dag één kaars aan toe en op deze manier bouwen wij aan ons potentiëel totdat acht kaar­sen zijn aangestoken op de laatste nacht. Dus volgens dit gezichtspunt vertelt de wet ons dat onze eerste ver­ant­woordelijkheid is om te streven naar nieuwe hoogten. Middelmatigheid als vooropgestelde levenssteil in onacceptabel.

Echter, met het beginsel van Beit Sjammai moet ook rekening worden gehouden. We moeten onszelf kennen en weten waar wij in de realiteit staan. En wij moeten die realiteit niet uit het oog verliezen. De laatste dag Chanoeka hoort het hoogtepunt  van de belevenis te zijn. Maar al te vaak is het dat niet.

Wanneer wij met beide opinies rekening houden, smelten wij samen met de volgende Tora-filosofie over het leven: Wij moeten streven naar de grootste hoogten, zelfs al schijnen zij net buiten ons bereik te liggen (of juist daarom), maar wij moeten de realiteit waarin wij ons bevinden eren – we moeten de juiste voorzorgs­maat­regelen nemen, stap voor stap verdergaan, niet op wonderen wachten – zelfs al beklimmen wij de trap naar de hemel.