Index

VRIJSPRAAK EN REINIGING

Door: Rabbi Joseph Soloveitchik

Jom Kippoer – Grote Verzoendag – heeft een dubbele functie. De eerste is kappara – kwijtschelding van de zonde [1] of verzoening. „Want op deze dag zal er verzoening voor jullie worden gedaan om jullie te reinigen van al jullie zonden” (Wajj. 16:30). Dit werd uitgedrukt in het gebed dat de Hoge Priester in de Tempel zei: „Schenk ons toch kwijtschelding van onze zonden.”

Het tweede aspect van Jom Kippoer is tahara – reiniging – zoals er geschreven staat: „… om jullie te reinigen van al jullie zonden.” Ook dit werd bewerkstelligd bij de dienst in de Tempel op Jom Kippoer. De Hoge Priester verkondigde aan het daar verzamelde volk: „Voor G-d, weest gereinigd.”

Deze twee motieven worden telkens herhaald in alle gebeden van Jom Kippoer: „Scheldt ons kwijt… overgiet ons met reinigingswater…”

Beide deze elementen, kwijtschelding en reiniging, zijn een direct antwoord en remedie voor de wezenlijke effecten van de zonde. Want de zonde plaatst de mens onder de last van schuldige verplichting en het verontreinigt hem eveneens.

Om de begrippen kappara en tahara te begrijpen, moet men weten wat bedoeld wordt met verplichting en verontreiniging, die teweeggebracht worden door de zonde.

Zonde en zijn straf worden samen geboren. Geen zonde gaat zonder vergelding, of die wordt uitgemeten door een aardse rechtbank of door de Hemelse rechtbank. Het geloof in beloning en straf is fundamenteel aan het Joodse geloof: „Wie zegt dat de Heilige, geloofd zij Hij, laks is in de uitvoering van het recht zal binnen­ste buiten gekeerd worden, want er staat geschreven: Hij is de rots, Zijn werk is perfect, want al Zijn wegen zijn rechtvaardig” (Talmoed Bavli, Bawa Kama 50a). En in Tora staat geschreven: „Weet daarom dat Hasjem je G-d de getrouwe G-d is, Die Zich aan het verbond houdt en Die genade betoont aan hen die Hem liefhebben en die Zijn geboden in achtnemen tot in duizend geslachten maar Die vergeldt wie Hem haten… om hen te vernietigen” (Deut. 7:9). Het Joodse geloof is gebasserd op het geloof in beloning en straf en op de overtuiging dat zonde geenszins een voorbijgaand fenomeen is, dat geen sporen achterlaat en geen verplich­tingen oproept. Zonde en straf zijn altijd samen verbonden. Je zou kunnen zeggen dat een andere definitie van zonde is dat het een handeling is die een boete genereert. Wanneer straf bestaat, dan is dat zo omdat zonde bestaat.

Kappara betekent vergiffenis of het intrekken van een eis. Dat is een rechtskundig begrip, geleend uit de wetten voor verbintenissen en overeenkomsten. Zoals men de vordering die men op iemand heeft kan kwijt­schelden (dus de ander van zijn schuld ontslaan), zo kan G-d iemand van een straf ontslaan, die hij schuldig is ten gevolge van een zonde. Kappara verwijdert de noodzaak van de straf (zoals de kwijtschelding van een schuld de noodzaak opheft om een boete op te leggen voor wie de schuld niet op tijd terugbetaalt).

Wij komen het eerste geval van kappara tegen in het verhaal van de zonde van Kaïn (Gen. 4:7): „Wan­neer je goed doet” vermaant G-d Kaïn, „zul je verheven worden, maar wanneer je niet goed handelt, dan is de misdaad aan de ingang gelegerd,” d.w.z. de straf wordt voor je [aan de ingang van je graf (Rasji)] be­waard. De straf is onverbrekelijk verbonden met de zondige handeling. De Bijbel spreekt van de verwijde­ring van de zonde. De profeet Nathan zei tegen Koning David (II Samuël 12:4): „Hasjem heeft ook jouw zonde van je verwijderd, je zult niet sterven.” Rasji, die vers 32:21 van Genesis verklaart, merkt op „steeds wanneer het woord kappara gebruikt wordt in verband met een overtreding en zonde… het de connotatie heeft van uitwis­sen en verwijderen.” Dat wil zeggen, er wordt een barrière opgezet waar de straf niet door­heen kan. Door mid­del van tesjoewa (terugkeer, inkeer) en kappara (kwijtschelding) plaats men een be­scherming tussen zichzelf en de straf voor zijn zonde. Volgens Rasji zijn de woorden kappara en kofer (schadevergoeding) afgeleid van dezelfde Hebreeuwse stam KaFaR, en hebben ze een gemeenschappelijke betekenis. Straf is niet een zichzelf opheffend fenomeen; een schadevergoeding moet worden aangeboden en betaald om de eis tot nakoming van een verplichting weg te nemen. Die schadeloosstelling wordt betaald door het doen van tesjoewa [terugkeer, inkeer]. Kappara is het resultaat van de betaling van deze „loskoop­som” die een mens bevrijdt van de straf.

Dit alles betreft de verplichting van de zondaar. Op het moment dat de kwijtschelding is toegekend en de straf is uitgewist uit de boeken, is iemands verpichting beëindigd.

Echter, zonde heeft ook een verontreinigende eigenschap. De Joodse levensbeschouwing kent een staat van „onreinheid door zonde” (toemat hachet). De hele Bijbel staat vol van referenties aan dit idee van zelf­verontreiniging, het rollen in het vuil van de eigen zonde. Deze onreinheid maakt een merkteken op de per­soonlijkheid van de zondaar. Zonde verdrijft als het ware de G-ddelijke halo van een mens zijn hoofd, en tast zijn geestelijke integriteit aan. Behalve het frequente voorkomen van dit idee in de Schrift en in de homoli­tische leringen van de Aggada, zien wij ook vele concrete referenties aan de „onreinheid van de zonde” in de Halacha (Joodse Wet).

Een Jood die een overtreding begaat ondergaat een herziening van zijn wettelijke status. Als iemand een verboden handeling begaat en een straf van geseling of de doodstraf krijgt opgelegd, dan is het niet voldoen­de dat hij de straf betaalt voor zijn zonde, hij wordt ook ongeschikt om als getuige op te treden voor een Joodse Rechtbank. Dit is niet nog een verdere straf, maar het geeft de verandering aan in zijn persoonlijke status. Als gevolg van zijn zonde is iemand niet meer dezelfde persoon als hij voorheen was. Iedereen wordt verondersteld een acceptabele getuige te zijn. Natuurlijke betrouwbaarheid is volgens mijn manier van den­ken een integraal deel van het karakter van de mens. Maar op het moment dat iemand zondigt, vermindert hij zijn eigen waarde, hij brengt zichzelf omlaag en wordt geestelijk beschadigd, waardoor hij afstand doet van zijn vroegere status. Zonde ontneemt de mens zijn natuurlijke privileges en zijn unieke menselijke eigen­schap­pen. Hij wordt het onderwerp van een complete transformatie, daar zijn oorspronkelijke persoonlijk­heid hem verlaat en een andere de plaats daarvan inneemt. Dat is geen vorm van straf of een boete en wordt ook niet opgelegd in boosheid, wraak of vergelding. Het is een „metafysische” corruptie van de menselijke persoonlijkheid, van de goddelijke gelijkenis van de mens.

De socialisten kennen alleen de begrippen „vergissing” en „afwijking” maar het begrip „zonde” kennen zij niet. Een vergissing draagt geen metafysische onreinheid mee, noch een psychische vervuiling. Een „vergissing” is een rechtskundige, rationele term, die men moet onderscheiden  van de „zonde”, die de inner­lij­ke kwaliteit van de mens schaadt en die diep een en verrijkend effect heeft op zijn wezen.

Inderdaad, ware tesjoewa bereikt niet alleen kappara [kwijtschelding van de straf], maar het moet ook tahara brengen, reiniging van de toema, de geestelijke vervuiling. Het moet de mens bevrijden van zijn hartnekkige onwetendheid en ongevoeligheid. Zulk een tesjoewa herstelt de geestelijke levensvatbaarheid van de mens en rehabiliteert hem tot zijn originele status.

En soms brengt het een mens tot grote hoogten, waarvan hij nimmer had durven dromen dat hij die zou kunnen bereiken.

Reiniging is onmogelijk bij volmacht

Volgens Rabbi Jehoeda Hanassi, brengt de Grote Verzoendag  een kwijtschelding van zonden teweeg zelfs voor diegenen die indiviueel niet tot inkeer zijn gekomen (T.B. Joma 84b). De vraag komt op: Mag een Jood die gezondigd heeft en ten gevolge daarvan ongeschikt is verklaard om als getuige op te treden in een rechtzaak, geaccepteerd worden als een kosjere getuige op de dag na Jom Kippoer, zelfs al heeft hij persoon­lijk geen tesjoewa gedaan? Het nadrukkelijke antwoord is: Nee. Kappara  verwijdert de straf. De „schade­vergoeding” schermt iemand af van de G-ddelijke boosheid en wraak. Zijn persoonlijkheid blijft echter ver­ontreinigd en die toestand kan uitsluitend hersteld worden door een rituele „onderdompeling”, dat wil zeg­gen, door een oprecht berouw en inkeer. Kappara is zelfs bereikbaar als iemand niet tot inkeer gekomen is, maar zonder berouw en inkeer is tahara ondenkbaar.

Kappara is in principe verbonden met het brengen van offers en in de Tempel was de voorgeschreven tijd voor de offers overdag. Rituele reiniging daarentegen begint wanneer de nacht gevallen is, bij de „heiliging van de dag” – dat is het tijdstip waarop volgens de Joodse Wet een nieuwe dag geboren wordt.

Reiniging is afhankelijk van in hoeverre wij dichter bij G-d komen en direct „voor G-d” staan  en als zodanig is het een geest verheffende ervaring.

Er zijn twee vormen van bekentenis op Jom Kippoer: een gemeenschappelijke, publieke bekentenis en een persoonlijke privé bekentenis. Na de verwoesting van de Tempel kwam de gemeenschappelijke beken­tenis door de voorzanger in de plaats van die van de Hoge Priester. Echter het intieme, persoonlijke opbiech­ten van een gebroken mens, inwaards, naar zichzelf gericht, bleef exclusief voor de persoonlijke verant­woor­delijkheid gespaard. Het is deze bekentenis die de reiniging te weeg brengt. De gemeenschap­pelijke beken­tenis, die voor de kappara is, zegt men gezamelijk met de voorganger van de synagoge. Het is echter onmo­gelijk om een tussenpersoon aan te wijzen om deze zelfreiniging te verkrijgen, omdat het per definitie duide­lijk een persoonlijke verplichting is. Het is absurd vanuit Joods standpunt gezien dat een ritueel onrein per­soon een agent voor zich kan aanwijzen die zich onderdompelt in de ander zijn naam. Niemand kan een ander machtigen om hem te verlossen uit een toestand van onreinheid en hem te herstellen in zijn vroegere staat van heiligheid.

Zo was het in de tijd van de Tempel, waar de Hoge Priester „zich richtte tot hen die zich verzameld hadden” en in feite zei: „Wij, de Tempelpriesters, houden ons bezig met de uitvoering van die voorschriften die de de offerdienst betreffen op de dag van Jom Kippoer, waarbij kwijtschelding van zonden – kappara  –verkregen wordt. Echter de reinigingshandelingen zelf moeten jullie zelf doen, ieder in zijn eigen hart.” En dan zei hij: „Jullie zult gereinigd zijn!”

Daarom wordt de Widdoei – bekentenis – van de Mincha- [middag-] dienst op de middag voor Jom Kippoer, waarvan het doel is om reiniging te verkrijgen, niet gelezen door de voorganger van de synagoge, want „men kan geen tussenpersoon aanstellen voor reiniging.” Iedere Jood moet de „heiligheid van de dag” binnentreden als een individu en zoals hij zelf is, staan „voor G-d”. Wanneer de avond van Jom Kippoer nadert, luistert iedereen naar de innerlijke stem die hem roept om „gereinigd” te worden.

De Misjna leert ons: „Rabbi Akiwa zei: Gelukkig zijn jullie, Israël! Wie is het, voor Wie jullie rein wordt? En Wie is het die jullie reinigt? Jullie Vader in de hemel” (Joma 8:9).

Het lijkt zeker dat Rabbi Akiwa dit zei na de val van de Tweede Tempel. Om de volle betekenis van zijn woorden te begrijpen, moeten we proberen de gemoedsgesteldheid te begrijpen en de geestkracht van de Joden in dat eerste jaar na de verwoesting van de Tempel. Jom Kippoer naderde en plotseling realiseerde het volk zich dat er geen offerdienst zou zijn, dat de Hoge Priester het Heilige der Heiligen niet kon binnengaan, dat er geen reukwerk was, geen publieke feestelijkheid voor de Hoge Priester als hij uit het Heiligdom kwam. Zij waren beroofd van de hele heilige dienst, die op Jom Kippoer in de Tempel plaatsvond toen die er nog was. Zij hadden het gevoel dat alles wat hun dierbaar was, verloren was en dat er geen hoop was op herstel van de schade. Het leek alsof zij voor altijd gevallen waren in een diepe duisternis die hen aan alle kanten omringde. Het was op dat moment dat Rabbi Akiwa verklaarde: „Hoe gelukkig zijn jullie, Israël, voor Wie reinigen jullie jezelf?” Jullie kunnen een staat van reinheid bereiken zelfs zonder offerdienst door de Hoge Priester. Volg de richtlijnen voor „Wees gereinigd voor Hasjem” en dat zal voldoende zijn. Kom en sta „voor G-d”. Voel Zijn nabijheid en je zult gereinigd zijn.

„Wie reinigt jullie? Jullie Vader in de hemel. Want zoals een rituele onderdompeling de onreine reinigt, zo reinigt de Heilige, gezegend is Hij, Israël…” Een mens moet voor G-d komen te staan en de heiligheid van Jom Kippoer binnengaan op dezelfde manier als waarop hij zich reinigt in een ritueel bad. Hij moet er volledig in ondergaan, zonder dat zich iets bevindt tussen hem en het reinigingswater, geen enkel deel van zijn wezen mag ontbreken.

„Voor G-d zul je gereinigd zijn!” „Want de kracht van deze dag zal je vrijschelden van al je zonden om je te reinigen.” In het Hebreeuws heeft de zin: „zal je vrijschelden van al je zonden om je te reinigen” dezelfde implicatie als het vers in Bereisjiet (Genesis) dat zegt: „Wat G-d schiep om te doen,” hetgeen betekent dat G‑d schiep en maakte; zo ook in dit geval, kan men het lezen als: „Hij zal je vrijschelden van je zonden en je reinigen.”

Het pad van de zondaars en het pad van de zonde

Het belangrijkste onderdeel van tesjoewa is de bekentenis. Er zijn, zoals hiervoor reeds gezegd werd, twee categorieën van bekentenis: van de ene is het doel kappara en van de andere is het doel tahara. Hoewel hun liturgische formulering hetzelfde is, is de tesjoewa voor kappara geheel anders dan de tsjoewa voor tahara.

De Talmoed noemt al diegenen op die ongeschikt zijn om als getuige op te treden en noemt daaronder dob­belaars (met inbegrip van schaakspelers), woekeraars en gokkers op duivenwedstrijden. De Talmoed vraagt dan: „Wanneer worden dobbelaars verondersteld tesjoewa te hebben gedaan? Wanneer zij hun schaak­borden breken en een volkomen verandering ondergaan, zover, dat zij zelfs niet meer als tijdverdrijf spelen… En een woekeraar? … Wanneeer hij zijn creditnota’s verscheurt en een complete verandering ondergaat, zover dat hij voortaan weigert geld uit te lenen op intrest, zelfs aan een afgodendienaar. En duiven­melkers? Dat zijn zij die duiven aan wedstrijden laten deelnemen… Wanneer mogen die weer geïnstalleerd worden [als getuigen]? Wanneer zij hun duivenval opbreken en een complete verandering ondergaan, zover, dat zij hun ondeugd niet meer uitoefenen, zelfs niet in de woestijn” (Sanhedrin 25b; zie ook Rambam: Wetten voor getuigenis, hoofdstuk 1, § 5-8).

Bovengenoemde overtredingen concentreren zich rond het verbod op diefstal en roof. Waarom wordt dan tesjoewa niet beschouwd als een voldongen feit zodra de zondaar zijn spijt betuigt over zijn verkeerde han­delingen en stopt met zich bezig te houden met deze fraudulente dieven-praktijken? Met dobbelstenen spelen voor tijdverdrijf, zonder om geld te spelen, geld uitlenen aan een afgodendienaar voor rente en het uitzetten van een duivenval in de woestijn, dat zijn toch geen verboden handelingen? Waarom is de tesjoewa van deze zondaren geen ‘complete inkeer’ zolang zij niet hun dobbelstenen vernietigd hebben, hun leencontracten niet heb­ben verscheurd en hun duivenvallen niet uit elkaar hebben gehaald?

Het is interessant om op te merken dat Maimonides dit probleem niet behandelde in de Hilchot Tesjoewa maar in de Hilchot Edoet [Voorschriften voor Getuigenis]. Dat is omdat de rehabilitatie als getuige afhan­ke­lijk is van de verkrijging van een zuivering van zonde, hetgeen veel meer vereist dan een tesjoewa die alleen een kwijtschelding oplevert, zoals in het hoofdstuk van de Hilchot Tesjoewa behandeld wordt. Alles wat vereist is voor kwijtschelding is dat de zondaar spijt heeft van zijn handelingen in het verleden en zijn besluit om niet terug te keren tot zijn dwaasheid.

Echter, om tesjoewa tot reiniging te bereiken is het nodig dat men volledig breekt met zijn voormalige omgeving, die de bijdragende factor was en van alle andere krachten die een atmosfeer schiepen waarin de zonde kon gedijen. Om terugkeer te verkrijgen tot tahara, die iemand herstelt in zijn vroegere status van integriteit, moet men zijn dobbelstenen vernietigen, zijn contracten verscheuren en alle bruggen verbranden die leiden naar de wereld van de zonde die hij achter zich heeft gelaten, zodat er geen weg terug meer mogelijk is.

Wij zien dus dat er twee niveaus van afzondering zijn: de eerste van de zonde en de tweede is afwijken van het pad dat tot de zonde leidt. Zonde komt niet ex nihilo. Slecht gedrag is het gevolg van een bepaalde atmosfeer, van gunstige omstandigheden, vleierei van mensen op belangrijke machtsposities, luiheid, denkbeeldige of reële angst, zwakte of ruggegraadloosheid; dat is „het pad van de zonde”.

Zelfs al doen wij niet daadwerkelijk iets verkeerds, dan bevinden wij ons toch reeds op het pad „naar de misdaad”. Langs de bermen van die weg kan de zonde bloeien, uitbotten, vruchten dragen en wortelschieten. Zoals ieder ander organisch schepsel heeft ook de zonde een milieu nodig, waarin het kan bloeien, voedsel kan opnemen en gedijen onder de warmtestralen die erop schijnen, zoals een ontluikende boom.

Om kwijtschelding van een zonde te krijgen (kappara) is berouw voldoende. Alleen iemand die daadwer­kelijk een overtreding heeft begaan moet kappara nastreven. Echter, voor wat betreft tahara [reiniging] is het loslaten van het misdadig gedrag slechts een gedeeltelijk remedie. Zich verre houden van de zonde in overeenkomst met wat specifiek verboden is volgens de wet, is een noodzaak, maar er is meer nodig dan alleen dat. Men moet zich afwenden van iedere verleiding om over het „pad van de zonde” te wandelen – „Laat de booswicht zijn pad verlaten en wie slecht doet, laat die zijn gedachten uit zijn hoofd zetten…”

Waar het hier om gaat is niet de zonde zelf te vermijden, maar om het pad dat er naartoe leidt en er vandaan komt, te mijden. Het vers spreekt niet van „zondige gedachten” maar alleen maar van „gedachten,” de intellectuele duisternis en de emotionele ambivalentie die samen de zonde creëren en de mens als het ware in de kerker werpen.

„Een nieuw hart en een nieuwe geest” kunnen uitsluitend ontstaan door het pad van de zonde te verlaten; dat wordt beschouwd als een volledige terugkeer, maar alleen het vermijden van de zondige handelingen zelf is voldoende om alleen kappara te verkrijgen.

Overvloedige liefdevolle goedgunstigheid en Waarheid

In de leringen van de Kabbala is een dicussie, of, wanneer iemand tesjoewa doet en zijn zonde wordt retroactief uitgewist, dat verkregen wordt van de G-ddelijke eigenschap van liefdevolle goedgunstigheid of van die van de rechtspraak; komt het van de G-ddelijke eigenschap van genade of  van die van de Waarheid en Rechtvaardigheid?

De Bijbel en de leringen van onze Geleerden bevatten verklaringen die beide kanten van dit argument steunen. Een voorbeeld van tesjoewa die geaccepteerd wordt op basis van de kwaliteit van de liefdevolle goed­gunstigheid is het geval van Menasje, Koning van Israël „voor wie de Heilige, gezegend is Hij, een gang groef onder de troon van de glorie,” hoewel hij niet voldeed aan het criterium van de strikte recht­vaar­dig­heid. En in de Jerusalemse Talmoed wordt de mogelijkheid om tesjoewa te doen direct toegeschreven aan HaKadosj Baroech Hoe. Want G-d is goed en oprecht, daarom dirigeert hij de zondaars naar het rechte pad (Psalm 25:8). Men vroeg aan Wijsheid: „Wat is de straf voor een zondaar?” Wijsheid antwoordde: „Het kwaad zal de booswicht achtervolgen.” Men vroeg het aan Profetie: „Wat is de straf voor de zondaar?” Profetie antwoordde hen: „De zondige ziel zal sterven.” Zij vroegen het aan de Heilige, geloofd zij hij, en Hij antwoordde: „Laat hem terugkeren en vergeven worden” (T.J. Makkot 2:6).

In de Tora komt tesjoewa verscheidene malen voor, maar er wordt hoofdzakelijk over uitgeweid in de gebeurtenis met het Gouden Kalf, waar wij de dertien G-ddelijke eigenschappen vinden die in de gebeden van Jom Kippoer gereciteerd worden, op de dag van het erbarmen. Daartoe horen ook „overvloedige liefde­volle goedgunstigheid en waarheid”, waaruit wij mogen afleiden dat tesjoewa  niet alleen verbonden is met Liefdevolle Goedgunstigheid maar dat het ook verband houdt met de G-ddelijke eigenschap van de Waar­heid.

In feite omvat tesjoewa beide principes. De tesjoewa van de kwijtschelding komt voort uit chèsed – overvloedige liefdevolle goedgunstigheid. Wanneer iemand spijt heeft van zijn misdaad, maar het pad van de misdaad nog niet verlaten heeft, wordt hij nog niet beschouwd als te zijn gereinigd van de vervuiling binnenin hem. Zijn beslissing om niet meer te zondigen kwam waarschijnlijk voort uit de angst voor straf. Des­al­niet­te­min accepteert HaKadosj Baroech Hoe zijn berouw en scheldt hem zijn zonde vrij. Dat mag zeker als het werk van de liefdevolle goedgunstigheid beschouwd worden.

Daarentegen tesjoewa dat de kwalificaties van de eigenschap van de strikte rechtspraak en waarheid vervult, kan alleen verkregen worden door volkomen reiniging. Deze tesjoewa is acceptabel, want de zonde die de mens verontreinigde, verdwijnt alsof hij nimmer heeft bestaan, want de mens heeft zichzelf bewezen, hetgeen in de woorden van Maimonides beschouwd wordt als: „een ander persoon.” Het is alsof hij een volledige gedaanteverwisseling heeft ondergaan. Hoe kan dan een misdaad die door een ander werd begaan, iemand worden aangerekend? Door tesjoewa van reiniging wordt de mens herboren en krijgt hij als het ware een nieuw hart en een nieuwe geest, een andere kijk op het leven en een andere horizon. De ene mens gaat het water van het rituele bad in en een ander mens komt eruit. De zondige, misdadige mens komt eruit als een rein mens. En inderdaad, onze Geleerden wijzen erop dat het met name goed is als de berouwvolle boeteling zijn naam verandert.

Een tijd om te spreken en een tijd om te zwijgen

Wanneer men het huis van een ba’al tesjoewa [iemand die tesjoewa gedaan heeft] bezoekt en ziet dat de dobbelstenen nog op de tafel liggen, de duiventil nog overeind staat in een hoek en de leencontracten nog in de la liggen, dan is het duidelijk dat hij zijn wil nog niet gebroken heeft en hij nog niet klaar is voor volledige rehabilitatie. Hij heeft zijn omgeving nog niet heringedeeld, noch zijn gewoonten veranderd. Men mag daarom vragen: wat heeft zijn terugkeer tot G-d in de eerste plaats veroorzaakt? Waarom zondigt hij niet opnieuw, valt hij niet terug in zijn dwaasheid?

Het lijkt zeker dat zijn terugkeer niet werd ingegeven door zijn geweten. Wanneer hij volledige reken­schap had afgelegd van zijn daden en al de gevolgen van zijn gedrag onder ogen had gezien, dan zou hij ongetwijfeld het geestelijke niveau van tesjoewa voor tahara hebben bereikt. Het is echter duidelijk dat wij het hier hebben over iemand die alleen een tesjoewa bereikt heeft voor kwijtschelding. Wat heeft hem daar­toe gebracht? Het lijkt erop dat een zekere bewustwording over hem kwam, hem wakker schokte uit zijn zelfgenoegzaamheid en onbewust een verandering in zijn hart teweeg bracht. Zijn tesjoewa was niet het ge­volg van zielonderzoek, maar van een plotselinge realisatie. Deze psychische ervaring wordt verteld in het verhaal van Abigail en Nabal:

En Abigail kwam naar Nabal; en zie, hij gaf een feest in zijn huis, een feest als van een koning; en Nabals hart was vrolijk binnenin hem, want hij was zeer dronken. Daarom vertelde zij hem niets, min of meer, tot het ochtendlicht. En het gebeurde in de ochtend, toen de wijn uit Nabal was verdwenen, dat zijn vrouw hem deze dingen vertelde, en zijn hart stierf binnenin hem en het werd als een steen (I Samuël 25:36-37).

Zo is het altijd geweest met de zonde, vanaf het begin van de tijden. Het overrompelt de mens terwijl hij zich te goed doet in een nacht van uitspattingen. Mist en nevel verhullen het innerlijke licht van de ziel van een mens die is ondergedompeld in de verblindende, obsessieve macht van zijn passies en die zich gestort heeft in de vergetelheid van zijn lust. Op hetzelfde moment dat „Nabals hart was vrolijk binnenin hem,” was hij in een zodanige staat van intoxicatie dat hij het flitsende zwaard dat boven zijn hoofd hing, niet zag. Op dat moment van bachanale opwinding komt Abigail voorzichtig binnen met het bittere nieuws van de ophanden zijnde doem, die haar werd meegedeeld door David. Terwijl Nabal zijn buitensporige feest hield, „geschikt voor een koning,” was Abigail reeds op de hoogte gesteld van het einde. „En Abigail kwam… [en] zij vertelde hem niets, min of meer, tot het ochtendlicht.” Zij hield het voor zichzelf, want „er is een tijd van spreken en een tijd van zwijgen.” Er is een moment waarop morele kritiek effectief is en er zijn momenten waarop iedere discussie met de benevelde zondaar onmogelijk is en niets, wat wie dan ook zegt, kan zijn hart binnendringen.

Vaak voelen rabbijnen hetzelfde als wat Abigail voelde toen zij arriveerde in het midden van zijn dronke­mans­feest. Zo voelen dat hun moralisering op een ondoordringbaar oppervlak valt. De mensen tegen wie zij praten zijn dronken van het nalopen achter luxe, trachtend vreemde levensstijlen te immiteren, bij hun poging in­druk te maken op hun buren. Er is gewoon niemand om mee te praten. Op dat moment vertelt de rabbijn „niets min of meer.” Echter, een staat van dronkenschap eindigt altijd met een ontnuchtering en het is een onveranderlijke natuurwet dat de dag volgt op de nacht. En dan: „En het gebeurde in de ochtend, toen de wijn eruit was… dat zijn hart stierf binnenin hem.”

Iedere zondaar wordt gevolgd door een Abigail

De rabbijn die de vermaning uitspreekt, moet in staat zijn om het juiste moment te onderscheiden, wanneer de „wijn uit Nabal is verdwenen” en alleen dan moet hij „deze dingen” zeggen. Dan is er een kans dat zijn woorden enig effect hebben, zelfs op een hart van steen.

Er waakt een Abigail over iedere zondaar. Dicht op het spoor van iedere zondaar is zijn straf, de finale afrekening. De zondaar geeft Abigail niet altijd een kans om hem de bittere waarheid over hemzelf te ver­tellen. Vaak gebeurt het dat tijdens de feestnacht, wanneer de dronkenmanspartij nog in volle gang is, Nabal niet in staat is om te begrijpen wat zij zegt. Het is zelfs mogelijk dat als Abigail begint te praten tijdens het wijnfeest, zij niet zal leven om het „ochtendlicht” te aanschouwen. Echter, wanneer Abigail het juiste moment weet te herkennen „wanneer de wijn uit Nabal is gegaan,” dan mag zij haar pijnlijk woorden over „deze dingen” zeggen, en zij weet hoe zij ze moet zeggen, want dan, zoals er geschreven staat: „zijn hart stierf in hem.” Plotseling voelt de zondaar dat Abigail zijn hand grijpt en hem op de hielen volgend, het uitschreeuwt van uit zijn eigen hart, hem in zijn wezen aangrijpt, hem geen rust laat. Want haar boodschap is een vrese­lijke boodschap en hij is volkomen geschokt, trillend van angst en hij keert terug tot G-d. Hij begrijpt niet altijd de betekenis van Abigails boodschap, maar hij is dodelijk bevreesd en heeft vreselijke spijt van zijn daden in het verleden. Hij besluit zijn gedrag te veranderen en hij vraagt om vergiffenis.

Echter, zelfs dan vernietigt hij nog niet de dobbelstenen en verscheurt hij nog niet het leencontract. Het lijkt alsof hij nog onzeker is of hij wel echt zijn leven radicaal wil veranderen. Waarom zou hij dit leven van hedonistisch plezier opgeven? Waarom zou hij een groeiende bankrekening opgeven? Waarom zou hij de feesten die „geschikt zijn voor een koning” overslaan? „Voorlopig,” zegt hij bij zichzelf, „ik laat de dobbel­stenen en de leencontracten veilig in een kluis liggen!”

Vele Joden worden overweldigd door het angstwekkende ontzag voor Jom Kippoer, de dag van de recht­spraak, en zij komen alleen maar naar sjoel omdat zij bang zijn voor de nadering van „het ochtendlicht”. Zij komen omdat zij van verre Abigails vermaningen horen fluisteren. Met dat alles bereiken zij een bepaalde graad van terugkeer tot G-d, een zekere graad van kappara, maar zij moeten nog ver gaan voordat zij het verheven niveau bereiken van de zelf-reiniging, van de tahara.

Twee onderdompelingen

Hoe bereikt men een tesjoewa voor tahara [reiniging]? Deze tesjoewa komt niet als resultaat van angst voor straf. De waarschuwende boodschap van Abigail kan dan Joden misschien naar de synagogen brengen, maar niet tot de rituele handeling van reiniging. Om zichzelf in die wateren onder de dompelen, moet men zijn hoofd buigen en het ligt niet binnen de macht van Abigail om dat van iemand te verlangen. Vrees voor straf is niet voldoende om een tesjoewa tot reiniging te brengen. Alleen rituele onderdompeling kan dat doel bereiken. Wij heben het hier over een dubbele doop – in water en in vuur. De onderdompeling in water  is als een analytische sprong in de zee van kennis, hetwelk gedaan wordt door een intensieve zelfbespiegeling en grondig zielsonderzoek. De vuurdoop daarentegen vertegenwoordigt voor een groot deel een breken van iemands eigen wil, door het vuur van zijn passie gaan. Dit is het bewijs van de zelf-transcedentie, wanneer men erin slaagt om zijn dierlijke instincten te onderwerpen aan zijn hogere wil. Deze twee onderdompe­lin­gen brengen iemand tot het stadium van de tesjoewa voor tahara.

Wat wordt er bedoeld met spijt over het verleden? Dat is niet wat Nabal ervoer toen Abigail hem vertelde dat David van plan was een aanval op hem te openen. Zulk nieuws veroorzaakt hoogstens een kortstondige shock. Echer berouw dat voortkomt uit een grondige zelfanalyse, uit scherpe zelfkritiek en uit een confron­tatie met zijn geestelijke en psychische situatie, resulteert in ware zelferkenning.Deze vorm van spijt slaat op de zonde zelf en zijn betekenis. Op het moment dat een mens ontwaakt uit zijn dronkenmans roes, kan hij de gevolgen van zijn zonde bevatten. Dat zijn: falen, wanhoop en geestelijke bankroet. Zondigen [chata] bete­kent eigenlijk „het doel missen”.

Wanneer iemand verleid wordt tot zondigen, wordt hij ertoe gebracht om te denken dat hij alles kan krijgen wat hij hebben wil en dat hij al zijn pleziertjes zal kunnen vervullen. Maar wat gebeurt er in werkelijkheid? De zonde misleidt hem en hij vindt zichzelf terug in een toestand van droefgeestige wanhoop.

„Keer terug Israël, tot Hasjem, je G-d, want je bent over je zonden gestruikeld” (Hosea 14:2). De verma­ningen van de Profeet raken de causale oorzaak van de zonde. „Het zijn niet jullie zonden, Israël, die tot jul­lie ondergang geleid hebben. Maar de zonden waarin jullie gevangen zaten, werden jullie struikelblok, zij wier­pen jullie uit de koers. En wanneer jullie jezelf onderzoekt zullen jullie zien waar jullie gefaald hebben. Dat jullie niets bereikt hebben, of misschien integendeel, zelfs achteruit gegaan bent.”

Een Jood ontwijdt de Sjabbat in de hoop daar rijk van te worden. En wat gebeurt er? „Je bent gestruikeld over je zonde.” Hij blijft dezelfde kleine zakenman als voorheen.

Een rabbijn vleit de machtige mensen in zijn gemeente. En het resultaat? Zij worden zijn ergste vijanden en zij ondermijnen hem – „want je bent gestruikeld over je zonde.”

De zonde zelf wordt een struikelblok. „…opdat je geen andere goden zult dienen… en dan zal Hij de hemel sluiten zodat er geen regen zal vallen…” (Deut. 11:16-17). Zonde kan niet gescheiden worden van zijn straf. Het heeft geen nut om af te zien van zonde om de straf te ontwijken want zonde is zijn eigen ware straf. Steeds wanneer ik iemand bezig zie meer en meer rijkdom te vergaren, wordt ik herinnerd aan het volgende verhaal dat verteld wordt in traktaat Sjabbat (119a):

„In de buurt van Joseef-die-Sjabbatot-eert, woont een zekere niet-Joodse man die erg rijk is en vele bezittingen heeft. Waarzeggers vertellen hem dat „Joseef-die-Sjabbatot-eert al zijn bezittingen zal opeten.” Daarop verkoopt de man al zijn bezittingen en koopt voor de opbrengst daarvan een zeer kostbare edelsteen, die hij in zijn tulband naait. Wanneer hij een brug overgaat, blaast de wind zijn tulband in het water (en een vis eet hem op). De vis wordt vervolgens opgehaald en naar de markt gebracht, vlak voor zonsondergang voor Sjabbat. Het is een grote mooie maar dure vis. „Wie wil hem kopen” roept de visser. „Ga naar Joseef-die-Sjabbatot-eert,” wordt hem aangeraden, „hij koopt altijd de mooiste vis voor Sjabbat.” En zo gebeurt het. Joseef maakt de vis open en vindt daarin het juweel, verkoopt hem voor een kamer vol met gouden dinaren. Hij komt onderweg een zekere oude man tegen, die tegen hem zegt: ‘Wie leent aan Sjabbat, aan hem betaalt de Sjabbat terug’.”

Vroeg of laat zal de hoed, waarin de zondaar zijn edelsteen genaaid heeft, van zijn hoofd waaien en er zal een vis in de buurt zijn om het juweel op te eten.

Het Hebreeuwse woord chatatie betekent niet „Ik heb gezondigd”. Het betekent „Ik ben gestruikeld, ik heb mijn doel gemist; de zonde heeft mij doen falen; zonde heeft mij tot wanhoop gebracht en heeft mij doen dwalen.” Dat is de betekenis van „spijt van het verleden”, waar zelfs de Hoge Priester niet vrij van was en in zijn widdoei – bekentenis of biecht – op Jom Kippoer zei hij: „O G-d, ik smeek U, ik heb gezondigd!”

Ieder mens heeft zijn eigen soort dobbelsteen, leencontracten en, duiventillen en zelfs als het er voor iedereen op lijkt dat hij berouw heeft, dan geeft hij ze toch nog niet op. Dit is het bewijs dat hij nog steeds niet zijn neigingen in bedwang heeft. Verdient hij dan terugkeer tot reinigng? „Het nemen van een besluit tot toekomstige handelingen” betekent dat men volkomen moet afzien van zijn egoïstische verlangens door een vuurdoop te ondergaan. Alleen vuur is in staat om de ijzeren wil van een mens te buigen, die zal volharden om hem omlaag te trekken. Alleen vuur kan hem verheffen in zijn wakkerende, likkende vlammen.

De Talmoed vertelt een verhaal over een vuurdoop:

„Een aantal [verloste] gevangen vrouwen kwamen naar Nehardea. Zij werden gebracht naar de zolder van het huis van Rabbi Amram de vrome en de ladder naar de zolder werd verwijderd om te voorkomen dat iemand hen zou benaderen. Toen een van hen langskwam, viel er een licht op het dakraam. Daarop greep Rabbi Amram de ladder, die tien mannen niet konden optillen, en in zijn eentje zette hij die overeind met de kracht van zijn passie. Toen hij halverwege de ladder was, hield hij zijn voet tegen om zijn lust te overwinnen en hij schreeuwde het uit: „Brand bij Rabbi Amram!” De rabbijnen hoorden zijn hulpgeroep en kwamen naar zijn huis gerend en redde hem zo van de zonde.”

De slechte neiging brandt in een mens als een vuur en het is alleen maar mogelijk die te overwinnen met een sterker vuur want „vuur verteert vuur.” Een dergelijke vuurdoop leidt tot een tesjoewa voor reiniging.

Wij hebben twee verzoeken in onze Jom Kippoer-gebeden: „Vergeef ons onze zonden op deze Dag van Verzoening,” en ook: „Wis onze overtredingen en misstappen uit zodat U ze niet meer ziet.”

Eén van deze verzoeken correspondeert met  tesjoewa voor kwijtschelding en de andere met tsjoewa voor reiniging. Het vers zegt: „Ik heb je zonden weggevaagd als een nevel en je overtredingen als een wolk; keer tot Mij terug want Ik heb je verlost” (Jesaja 44:22). Het uitwissen van de zonden is te vergelijken met de oplossing en verdwijning van de wolken die de zon verduisteren. Wanneer een mens tesjoewa voor tahara – reiniging – bereikt, verdwijnen alle wolken daarboven en voelt hij de zuivere zonnestralen op hem schijnen en zijn hele wezen wordt doordrongen met „Want Ik heb je verlost.”


[1]. Zonde is de Nederlandse vertaling van het Hebreeuwse woord cheet. Dit is een moedwillige overtreding van één van de ge- of verboden van Tora.