Index

Rav Sa’adia Gaon[1] en de herbergier

Toen de dagen van inkeer en berouw waren aangebroken, zette de beroemde Rav Sa’adia Gaon zijn Talmoed-boeken en zijn geschriften opzij gedurende vele uren per dag, die hij besteedde aan gebed en inkeer. Hij bad vuriger dan ooit, met een gebroken hart en met tranen in zijn ogen, alsof hij de grootste zondaar op aarde was.

Zijn leerlingen, die wisten wat voor een heilig man hij was, begrepen niet wat hun meester was overkomen. Ten slotte vroegen zij het hem en dit was zijn antwoord:

Verdenk mij er niet van dat ik een wet van Tora heb overtreden, de Hemel behoede”, begon Rav Sa’adia. Niettemin heb ik goede redenen om tesjoewa  te doen [berouw te hebben en tot inkeer te komen] en te bidden tot G-d en Hem om vergiffenis te vragen. Dat heb ik geleerd van een gewone Joodse herbergier.

Eens, op mijn reizen, logeerde ik in een Joodse herberg. De herbergier kende mij niet en behandelde mij even vriendelijk als hij iedere reiziger zou behandelen. Maar het duurde niet lang of ik was bekend in de stad. Het nieuws van mijn komst deed spoedig de ronde in het stadje en de hele gemeenschap kwam mij verwelkomen.

Toen de herbergier ontdekte wie zijn gast was, begon hij me te eren en te bedienen met ontzag en nederigheid en deed hij alles om het mij naar de zin te maken. Ten slotte, toen ik wegging, kwamen alle mensen mij vaarwel zeggen en uitgeleide doen. De herbergier duwde zich een weg door de menigte  en viel aan mijn voeten en smeekte mij met tranen in zijn ogen om vergiffenis. ‘Maar je heb alles voor mij gedaan wat je kunt en dat was meer dan genoeg!’ riep ik uit, maar de door verdriet overmande herbergier antwoordde: ‘Ik smeek u, Rabbi, vergeef me voor de dagen dat ik uw grootheid niet kende en ik u zo goed niet bediend heb als toen ik dat wel wist.’

Wel nu mijn vrienden,” concludeerde Rav Sa’adia, met tranen stromend langs zijn wangen, denk hier goed overna. Wanneer een man zo nederig kan zijn om een andere man, een mens van vlees en bloed te eren, hoe zorgvuldig moeten wij dan zijn in de wijze waarop wij onze Schepper eren, liefhebben en dienen!

Hoe dichter wij komen tot G-d, des te meer begrijpen wij Zijn grootheid en des te meer moeten wij berouw voelen voor ons gedrag in het verleden, ongeacht hoe hard wij geprobeerd hebben. Iedere dag leer ik meer en meer over G-d en iedere dag voel ik mij beschaamd over gisteren, toen ik nog niet zoveel wist, en mijn liefde voor Hem en mijn toewijding nog niet zo sterk waren als vandaag; en morgen, dat weet ik nu al, zal ik mij weer net zo voelen over vandaag.”


[1] Rav Sa’adia (Ben Joseef) Gaon (882-942) was de grootste geleerde en schrijver van het tijdperk van de geoniem (de periode na afsluiting van de Talmoed). Hij was een vooraanstaand leider van het Jodendom in Babylonië, die onder andere beslissend werk verrichtte in de vaststelling van de kalender. Vanaf 922 was hij Rosj Jesjiva van Pumbedita en Reis Kaloeta (leider van de Joden in Balingschap). Hij was een vooraanstaand halachist met vele belangrijke geschriften op zijn naam.